De psychiater is niet helemaal goehoed!

Jarengeleden zei ik voor de gein “Protest hiertegen, protest!” tegen een kleine artsin de inrichting waar mijn broer had verbleven en daarna ook mijn moeder. Wijzaten in zijn muffige kamer, waar het naar oud okselzweet rook, keken elkaardiep in de ogen en deden een halve minuut het spelletje “Wie kijkt als eersteweg?”

Ikwon natuurlijk. We hadden er al een uur praten op zitten, en het was ook nietde eerste keer dat ik hem sprak. Wij waren geen vrienden geworden. Volgens die man was ik een enge man, omdatonbeschroomd duidelijk zei wat ik dacht. Natuurlijk was er al het een en anderaan voorafgegaan voor hij dat zei. Ik kwam eens in de zoveel weken bij hemlangs, en dan gaf hij mij een overzicht van de therapieën en pillen die ze inde weken sinds mijn laatste bezoek over mijn moeder hadden heen gestort. Ik wasdan niet de beroerdste hem de lastigste vragen te stellen. Als natuurlijkeoverlevingsstrategie had hij, als alle zenuwartsen, altijd wel een slotsomklaar liggen als een mens, zoals ik, zo uitgesproken en onverdroten zijn meninggaf. Artsen als hij meenden, een van zijn collega”s had het zelfs hardopgezegd, dat ik dacht dat ik gelijk had en misschien ook hulp nodig had. Tuurlijkniet. Ik wilde alleen maar weten. Wisten die artsen veel. Gelijk hebben wasnooit een doel of reden van mijn spreken en denken geweest en zou het ook nooitworden. Ik was hooguit bang voor het leven en met kennis wilde ik die angstvoor zijn. Zeker was wel dat ik nieuwsgierig was naar alles in het leven. Alsik hardop zei wat ik dacht, schiep ik ogenblikkelijk ruimte in mijn geheugen engedachten. Kon ik mijn energie en denkruimte voor nieuwe creaties gebruiken.

Enfin,ik was gekomen om mijn moeder te bezoeken. Zij zat toen weer eens in de inrichting.Ik vroeg de man in de smoezelige witte jas hoe het met mijn moeder ging. Hijnam mij apart in zijn koude werkkamer, we spraken over zijn patiënt en voor ikhet wist stelde hij mij vragen over hoe ik dacht dat mijn moeder er aan toewas. Die man, met een hoornen bril met vierkante glazen op een hoekig gezicht,speurde met zijn kubusogen de wereld af naar mensen die hij kon beoordelenvolgens een ingenieus schema van vragen.

Hijzei dat ik bang was. Ik had ja gezegd, en voor hij kon kuchen om het gesprek tevervolgen, vervolgde ik met:

“En?Als ik geen angst meer ken, dan is mijn lol in het leven stuk. Als je angstkent, dan heb je nog wat te leren. Ik ben ook bang dat het niet goed of zelfs maarbeter gaat met mijn moeder. Wat ik wil weten, is hoe u die angst van mijinperkt. Kortom, wat heeft u voor ogen bij de behandeling van mijn moeder?”

Datgesprek ging hortend en stotend verder. Een opmerking herinner ik me nog: ik zeihem dat een mens aan het einde van de dag de kans had gehad om iets nieuws teweten te komen. Misschien leerde ik niet elke dag iets nieuws, elke dag kwam ikwel tot een nieuwe ordening of samenhang van wat ik wist. Ik vroeg hem of hijal wat geleerd had die dag. Hij reageerde door te zeggen dat ik een narcistwas, waarschijnlijk alleen maar omdat ik vragen stelde die hem bang maakten. Ikwas geen narcist in mijn dagelijkse leven, daarvoor had ik te veel interesse inandere mensen. Mijn naasten stelden juist alles in het werk, zonder dat ze hetwisten, om mijn natuurlijke neiging naar een kluizenaarsleven in een vijver vangoedmoedigheid en vrijgevigheid te verdrinken. Ik wist toen al dat ik nog nietklaar was met hem. Mijn moeder zat nog een half jaar in de inrichting, toenbesloten mijn broers haar te bevrijden.

xa9 rick ruhland 2010.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.