De Fulmar Inn II

Ik schreef eerder al over de Fulmar Inn, of de FI zoals de stamgasten de kroeg koosnamend betitelen. Om iets meer van de kroeg en zijn ambiance te begrijpen, moet je eigenlijk een keer langs gaan. Dan snap je ook meteen iets meer van de kroeg qua bouw en architectuur. De vloer in de kelder van de kroeg stamt uit minstens de 16e eeuw. Er gaan geruchten dat een van de eerste eigenaars zelfs een oude monnik was die uit het klooster was getreden en liever houten pullen warm bier verkocht dan godsdienstige praatjes. Een soort Broeder Tuck van de Lage Landen. De stenen vloer is door die monnik eigenhandig gelegd. Ook de romaans aandoende bogen van de kelder schijnen van zijn hand te zijn. Die bogen behoren tot de muren die diep onder de grond zitten, zoals de hele kelder onder rivierniveau ligt. Die keldermuren van de Fulmar Inn hebben in het verleden altijd als doel gehad het water van de rivier buiten te houden. Immers, de rivier stroomt op nog geen 30 meter van de kroeg. Nog niet zo lang geleden, vlak na de oorlog, kwam de opa van Koos en destijds de uitbater van de FI, op het lumineuze idee om te achterhalen wat er nu achter het stukwerk onder de bogen zat. Dat had hij beter niet kunnen doen: na een halve dag bikken in de muur kwam vanachter een laag stuc en iets dat leek op beton kleiige modder tergend langzaam door het gat naar buiten. “Potverdorie, wat een lucht!” riep Koos’ opa, toen hij met zijn neus boven de grijsgroene klei hing. Een van de stamgasten van toen kwam kijken, kotste een keer door de stank, en sprintte weer naar boven.

Inmiddels is in het kader van de naoorlogse wederopbouw een stevige wand geplaatst in de kademuur. Die wand van staal en beton houdt nu het rivierwater buiten de stad en dus ook buiten de kroeg. De stinkende klei is grotendeels ingedroogd en ingeklonken. Koos’ opa heeft de opengebikte muur diezelfde week nog weer dicht gemetseld, maar het bleef onduidelijk hoe oud die muren tussen de bogen nu eigenlijk zijn. Het gerucht gaat dat er achter een van die bogen een geheime gang naar de kerk aan het Grote Kerkplein. Koos heeft al eens gezegd dat hij dat graag nog eens uitzoekt. Of laat uitzoeken.

De eerste vloer, dus boven de kelder, is minder oud. Het is de vloer waar nu de voordeur zit en waar mensen sinds halverwege de 17e eeuw binnenkomen. Aan de onderkant, dus aan het plafond van de kelder, zitten eiken balken van bijna een voet doorsnee. Twee van die balken hebben zwarte vlekken: overblijfselen van een brand en van een explosie. Ondanks vele overstromingen (de laatste nog geen 20 jaar geleden), als de rivier hoog stond, zijn de herinneringen niet weggewassen. Ik vertel dit alles omdat aan de kroeg een fenomenale geschiedenis kleeft. Er kleven verhalen uit bijna vijf eeuwen aan die balken. En omdat de kroeg nog zo hedendaags is als maar zijn kan. En dat die twee dingen, toen en nu, zo feilloos naast elkaar bestaan, en nog beter, zo naadloos in elkaars armen vallen. Niet dat de een de ander bepaalt, maar een van de twee kan niet zonder de ander. Dat maakt de kroeg nou juist zo af. Ik weet niet of Koos ooit uitgezocht heeft hoe de kroeggeschiedenis in elkaar steekt, qua details. De grote lijn is al beschreven in een boek dat een collega van een van de stamgasten, Maartje van Egters en journaliste bij de plaatselijke courant, heeft geschreven, in een boek met de titel ‘De geschiedenis van de kroegen in onze stad. Met een meer gedetailleerd verhaal is Hannes, een van de jongere stamgasten, al bezig.

Niet lang geleden zaten aan het eind van de middag, halverwege de week, Gerrit Brasem en Koos de barman voor zich uit te staren toen de bel van de voordeur rinkelde. Koos en Gerrit keken over de trap naar beneden en zagen een man in een gekreukeld pak steunend de treden bestijgen. Hij nam plaats aan de bar en vroeg om een glas kraanwater.

‘Meneer Hondius, neem ik aan?’ terwijl hij het glas water van Koos aan.

‘Klopt. Wat kan ik verder voor u doen? Glaasje jajem?’

‘Nee, ik drink niet in werktijd.’

Hij legde een fancy uitziende klapper op de toog en tikte een keer op het plastic voorblad.

‘Ik heb hier wat voor u. We gaan over 3 weken een nieuw riool aanleggen.’

Gerrit was met zijn hand, het glas tussen duim en wijsvinger houdend, halverwege toog en mond en bleef zo zitten, als een standbeeld.

‘Dat betekent we de straat achter uw horeca-gelegenheid opengooien en dat we een week of 2 bezig zijn met nieuwe buizen leggen. Dat kan enige overlast geven, en u zult op bepaalde dagen geen gebruik kunnen maken van de douche en het toilet.’

Koos had wel eens verteld van zijn opa en de opengebikte muur en de stank. Gerrit bewoog langzaam zijn hand met glaasje richting mond en keek Koos strak aan.

‘Mocht u nog vragen hebben, hier is het visitekaartje van de dienst Infrastructuur.’

Hij legde de kaart op de tapkast en verliet fluitend het pand. Koos en Gerrit keken elkaar bedonderd aan. Het duurde tot de volgende stamgasten binnen waren. Koos had het pas in de gaten toen twee handen voor zijn gezicht wapperden.

‘Wat zitten jullie hier gezellig. Koos, biertje graag.’

Hannes, meestal Bassie genoemd vanwege zijn broer Adriaan, ging op zijn vaste plek aan de hoefijzervormige bar zitten en in zijn kielzog kwam Jonneke van Bil de trap op.

‘Heren, een goede mid… Hallo, is er iemand gestorven? Sjeumineu, wat een slecht karma hangt hier in de kroeg.’

Koos zei niets en wees op de map die voor hem lag. Hannes en Jonneke liepen om de hoefijzervormige bar heen en bogen zich over de map.

‘Nieuw riool? Hebben we dan zo hard gescheten hier?’

Hannes lachte om zijn eigen grap. Koos ontdooide.

‘Zou me niets verbazen als ze onder straatniveau nog iets van de brouwerij terug zien. Of dat andere shit boven water komt, Koos. ‘

‘Je weet het nooit met dat nieuwe riool. Ik heb jullie toch dat boek over kroegen in de 17e eeuw laten zien?’

Koos stond al op om het boek, zo goed als het enige in de kroeg, te pakken van de plank met brandewijn en jenevers, toen de aanwezigen als in één koor riepen dat ze het boek al genoeg gezien hadden. Hij zakte weer neer op zijn kruk met rugleuning aan het uiteinde van de hoefijzerbar.

‘Volgens mij is de eerste keer dat de straat hier achter open lag rond de start van de brouwerij en de bouw van de eerste FI.’

Hannes kon het weten, die had meermaals in het gemeentearchief gezocht naar de oorsprong van gebouwen in het centrum van de stad. Geen intellectueel was hij, maar slim wel en met een gedegen feitenkennis van de lokale geschiedenis.

En terwijl Hannes en Jonneke het mapje van de gemeente doornamen, schonk Koos nog een keer de glazen vol.

© Rick Ruhland 2015

Advertisements

4 thoughts on “De Fulmar Inn II

  1. Pingback: Stamgast van de Fulmar Inn: Koos | Rick opent zijn mond

  2. Pingback: De Fulmar Inn III | Rick opent zijn mond

  3. Pingback: Stamgast van de Fulmar Inn: Gerrit | Rick opent zijn mond

  4. Pingback: Stamgasten van de Fulmar Inn: Berend | Rick opent zijn mond

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s