De Fulmar Inn: Spelletjesanarchie 1

Berend werd op zondag wakker met een dreinende dreun in zijn hoofd. Zijn vrouw was al uit bed en beneden in de woonkamer speelden zijn kinderen. Hun gegil sneed door zijn hersens. De hoge tonen van het kindergeschreeuw was als een gloeiend hete spijker van een halve meter die in zijn schedel werd gedrukt.

Met heel veel moeite kwam hij overeind. Zijn spieren waren verstijfd door een onmetelijke hoeveelheid drank. Toen hij eenmaal zat, met zijn armen op zijn knieën en zijn hoofd leunend op zijn handen, kwam beetje bij beetje de herinnering aan de avond ervoor zijn nog steeds verdoofde hersencellen uitlopen. Allerlei momenten uit de Fulmar Inn, meestal vertroebeld als had zijn geheugen vlekken op de beelden, en soms heldere beelden, zoals pratend met Koos aan de bar. Van het laatste deel van de avond, toen de bar allang gesloten was en alleen hij en Koos nog in de Fulmar Inn waren, was niets blijven hangen. Hoe hij thuis was gekomen, dat was een grote grijze vlek in zijn geheugen.

Hij was thuis gekomen, hij was binnen gekomen, hij had zijn kleren uitgedaan en hij was op zijn kant van het tweepersoonsbed in slaap gevallen. Niets van al dat was in zijn geheugen vastgelegd. Hij kon op dat moment van wakker worden sowieso niet goed bij dat geheugen. Voor dat deel van zijn hersenen lagen zware rotsblokken, erover heen hing een zwarte mist, ervoor langs reden enorme trucks met ronkende motoren en in die herinnering stonk het naar lijken.

Hij kwam overeind en pakte zijn kleren. Bij het aantrekken van zijn broek rinkelde metaal. Hij greep in zijn broekzak. De bos sleutels van de Fulmar Inn.

Toen was hij weer voor 50 % bij zijn positieven. Koos had hem de avond ervoor gevraagd komende vrijdag de kroeg te openen. Dat was het. Koos was weg en zo moest hij, Berend, aan het eind van de week een een-dags-kroegbaas zijn. Tot vrijdag was de kroeg dicht vanwege schilderwerkzaamheden aan de buitenkant. Het was bovendien meivakantie en de meeste stamgasten waren weg.

Op vrijdag moest hij, Berend, de kroeg openen en de stamgasten schenken. Hij keek naar de sleutels en had zich er in laten kletsen met wat extra borreltjes van Koos.

Toen hij dat alles bij de zondaglunch meldde, had hij meteen een probleem: zijn vrouw wilde iets doen op vrijdag. Eropuit, met de kinderen ergens een pannenkoek en vis eten. Het werd een ruzieachtige lunch. Hij kon en wilde Koos niet teleurstellen, en de andere stamgasten evenmin.

Hij won het van zijn vrouw, met als argument dat de man in het gezin bepaalde wat wel en wat niet ging gebeuren.

Die vrijdag opende hij met gemengde gevoelens de kroeg. Zijn vrouw had hem de wacht aangezegd. Dat had ze nog niet eerder gedaan. Hij mocht dan de kroeg bestieren die avond, hij moest niet denken dat hij dus dronken thuis zou komen. Want dan zou hij geen avond meer in de kroeg zijn. Dan was hij stamgast af. Dat was geen loos dreigement. Berend wist beter dan de andere stamgasten wat het was een groot gezin te hebben en een vrouw die voor je zorgde. Dat betekende dat hij wederdiensten had te leveren. Dat betekende: luisteren naar zijn vrouw, die uit een rijke familie uit Brabant kwam.

En zo stond hij in de lege, koude kroeg. Op de bar lag een lijst van bezigheden. Eerst de veiligheidscode intypen, dan de verwarming aan, de lampen aan, de koelkast checken, enzovoorts. Hij was zo druk bezig dat hij de voordeurbel helemaal niet had gehoord en zich een halve hartverzakking schrok toen hij aan de bar Gerrit en Sjoerd zag zitten.

‘He, Koos. Naar de kapper geweest?’

‘En naar de plastisch chirurg?’

Gerrit en Sjoerd sloeg elkaar op de schouder en gierden het uit. Berend smaalde.

‘We schenken niet aan kinderen.’

‘Geintje. Heb je een biertje?’

‘Ik ben nog bezig met de kroeg in te richten. Tot die tijd moet je jezelf bezig houden. Doe een spelletje of ga een blokje om. Rook een sigaret in de rookruimte.’

Berend ging druk verder met het aan- en klaarzetten van alles wat hij nodig had.

Gerrit en Sjoerd haalden hun schouders en wachtten gedwee tot Berend klaar was. Dat duurde net zo lang tot elke stamgast in de kroeg was. En een enkele toerist.

‘Dus Berend,’ zei Hannes die als laatste van het stel binnen kwam en aan de bar ging zitten, ‘jij hebt dus vandaag de zeggenschap over de bar? Mag je ook gratis drinken?’

‘Ik kan een glas 7-up nemen, maar meer neem ik niet.’

Inmiddels speelden Sjoerd en Gerrit een spelletje Mexicanen. Dobbelstenen rolden aan en af over de bar.

Maartje keek toe.

‘Spelletjes doen. Dat hebben we lang niet gedaan.’

Hannes lachsnurkte spottend.

‘Nee, en dat heeft een reden. Steeds als we spelletjes deden, eindigde het in een ruzie.’

‘Maar dat komt door Koos. Die wil niet verliezen. En Koos is er nu niet. Dus wat als we nu eens een paar spelletjes uit de kast in de kelder haalden en daarmee de avond vullen? Een ouderwetse spelletjesavond.’

Jonneke was de enige die nog niets gezegd behalve goedendag bij binnenkomst. Dat viel Berend op. Van achter de bar was hij – net als Koos – meer een waarnemer dan een deelnemer.

‘Jonneke, hoe is het leven?’

Berend was zelden zo positief geïnteresseerd in Jonneke. Die was te veel een psycholoog om dat niet op te merken. Dat maakte haar als elke psycholoog zeer behoedzaam.

‘Goed, Berend. En jij?’

Jonneke keek hem aan met een blik die hem kippenvel gaf. De blik van een ouder die over haar kind waakte. De blik die een kind deed zwijgen.

Hij greep een doekje om wat glazen te poleren.

‘Druk. Het is geen werk dat ik vaak doe, maar ik voel me hier wel thuis aan deze kant van de bar.’

‘Dat zie ik. En toch, je bent niet Koos.’

‘Werkelijk?’

Berend trommelde op de bar.

‘Jonneke, je bent briljant. En het bewijs dat psychologen niet heel veel kunnen. Behalve constateren dat de ene mens de andere niet is.’

Iedereen lachte om Berends sneer. Jonneke probeerde dat ook. Haar lach kwam niet helemaal uit de verf.

‘Ik bedoel, de normale balans van Koos en ons is weg. Ook al omdat jij Berend helemaal niet drinkt.’

Hannes had inmiddels andere spelletjes gepakt. Barricade en domino werden op de bar gelegd.

‘Waarom heb je Mens erger je niet gepakt? Levensweg en Monopolie liggen er ook nog.’

‘Als we nou eens beginnen met domino. Dan kan iedereen meedoen.’

Ze speelden een half uur, maar toen was de lol eraf. Levensweg wilde niemand spelen, daar moest je teveel beslissingen nemen, zei Maartje.

Toen Monopolie op de bar lag, begon een avond zonder gelijke.

[Wordt vervolgd]

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.