Phailed photo’s on Phriday

Is this art?

IMG_8562.jpg

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Vroege en / of late herfstzon

Stel: je hebt een beeld voor ogen. Dat beeld is een visuele voorstelling. Anders dan deze tekst is zo’n voorstelling geheel en al zonder woorden. Maar je wilt dat beeld uiteindelijk in woorden omzetten. Welke woorden kies je dan? Zoals uit de titel van deze blogtekst (b)lijkt, gaat het om de zon, iets met herfst en iets met vroeg en / of laat.

Oké, concreet:

Het beeld dat ik voor ogen heb, en dat ik wil gebruiken in een kort verhaal (misschien wordt hier al duidelijk waar een van de schoenen van een tekst versus een beeld gaat wringen), is dat van een zon in de herfst. Een voorbeeld – onderstaande foto is gemaakt door mij, in de herfst, maar nog niet ver – of diep of laat – in de herfst, aangezien de bladeren nog groen zijn:

IMG_9085.jpg

Klein beetje informatie over deze foto. De foto is genomen begin oktober. Zowel meteorologisch als astronomisch en gastronomisch is oktober net als november een herfstmaand, en ‘begin oktober’ is vroeg in de herfst. De foto is daarnaast een foto van de zon die door de bomen schijnt. De foto tenslotte is genomen in de ochtend, vroeg op de dag dus.

Goed, deze uitweiding was nodig om het probleem te schetsen. Als je spreekt over een vroege herfstzon, is dat dan een zon die vroeg in de herfst schijnt? Zoals op de foto? Of is een vroege herfstzon een zon die vroeg op de dag schijnt, ergens in de herfst? Zoals op de foto?

Misschien is er een uitweg, en is het één ‘een vroege herfstzon’ en het andere ‘een vroege-herfstzon’. Ik heb natuurlijk die oplossing overwogen, maar die maakt het probleem niet kleiner.

Nog een stap verder: wat nou als je een foto maakt, van een bos, waarachter in de verte de zon schijnt? Wat nou als die foto is gemaakt op de namiddag op Sint Andreas Dag (de naamdag van de patroonheilige, 30 november)? Is dat dan een foto van een late late-herfstzon? De overige drie voorbeelden – laat vroeg, vroeg laat, vroeg laat – zijn van dezelfde orde en grootte.

En snapt iedereen meteen wat een ‘late vroege-herfstzon’ is? Of een vroege late-herfstzon?

En nu de crux:

Ik denk dat er iets anders aan de hand is: een Fregiaanse (hier staat wat meer informatie over Frege) botsing der betekenissen. Een botsing waarbij betekenissen, semantische tokens en feitelijke, morfologische bouwstenen in elkaar verstrengeld raken en niet meer zijn te ontwarren. Dat is uitermate prettig. Dat is namelijk de plek waar werkelijkheden los komen te staan van de werkelijkheden. Waar poëzie wordt voorbij gestreefd door poëzie.

Dat is waar ik nu graag vertoef. Daar waar woordspelingen hun waarde verloren hebben, daar waar woorden niet los staan van zichzelf of elkaar, daar waar talige solidariteit uit en tegelijkertijd in het soldeertin van het solipsistische Dasein is opgenomen.

Ik kan ook weer eens mijn psychiaters een bezoek gaan brengen. En met hen praten over de koele meeren des doods.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Dodenherdenking 2

Nadat de Duitsers de gracht over waren gejaagd, en Gerrit nog zo nodig een steen moest gooien waarbij zijn schouder verrekte, ging het in ganzenpas terug naar de kroeg.

Iedereen had een rood hoofd, buiten Maartje zweette elke stamgast als een otter, en op Jonneke en Maartje na was iedereen buiten adem. Eenmaal terug in de kroeg ging men, zeer tevreden over de jacht op de vijand, aan de bar zitten. Met een vol glas, rondje van Koos, proostte iedereen met iedereen. Iedereen klopte elkaar op de schouders. De saamhorigheid was al in jaren niet zo groot geweest.

Natuurlijk duurde dat zo lang als een kruik die te water gaat en barst.

‘Hebben we die moffen toch maar mooi even de straat uitgejaagd.’

Hannes sloeg Gerrit op de schouders.

‘Jij ging voorop in de strijd, makker.’

‘We hadden ze over de kling moeten jagen.’

‘Zo kan die wel weer.’

Koos was nooit zo blij met opjuttende gasten, zelfs niet als dat stamgasten waren.

‘Hoezo? Die kutduitsers verdienen niet beter.’

‘We zijn 75 jaar verder. Jij bent van na de oorlog. En er zijn ook goede Duitsers.’

Gerrit was even stil, zat stokstijf op zijn kruk, keek naar de muur achter Koos, en draaide zich toen met een knalrood hoofd om.

‘BEN JIJ NOU HELEMAAL HORENDOL GEWORDEN?’

Gerrit spuugde de woorden zijn uit. Speeksel viel als een bommentapijt op de tapkast neer.

‘Goede Duitsers?? GOEDE DUITSERS? We hadden ze over de kling moeten jagen.’

Het werd doodstil in de kroeg.

‘En dat zou jij mogen doen? Omdat jij een van die vele Nederlanders was die in de tweede wereldoorlog in het verzet heeft gezeten en joden als onderduikers hebt gehad?’

Gerrit keek boos naar Sjoerd.

‘Jij, Sjoerd, heult met de vijand.’

‘Hallo, kan het ook wat minder?’

Toen zelfs Berend zich ermee bemoeide, was de geest uit de fles.

‘Kom op zeg, stelletje deugmensen, jullie zouden in staat zijn om bij een nieuwe oorlog alle onderduikers zelf dood te schieten.’

‘Gerrit, nu is het genoeg.’

Koos’ ogen lichtten extreem fel op.

Maar Sjoerd was er nog niet klaar meer.

‘Jij staat laf aan de zijlijn als tegenwoordig alle morele bodems worden weggeslagen door onderbuikmensen. Onderbuikers. Niet te verwarren met onderduikers.’

Normaal glimlachte minstens een van de stamgasten, maar nu niet.

‘Waarom wil jij zo graag tot dat harteloze volkje behoren? Tot de onderbuikers?’

Sjoerd kwam van zijn kruk en ging op een halve meter van Gerrit staan, die daar een beetje van schrok en licht achteruit deinsde.

‘Mensen met een hart kunnen ploertigheden van onbeschofte mensen als jij een halt toeroepen. Dat moeten we doen.’

Gerrit had zijn mond al weer open, toen Maartje op stond en schreeuwde:

‘NONDEJU, nu is het godverpielekes afgelopen met jullie.’

Ze pakte het boek over de oude kroeg van achter de bar en liep daarmee naar Gerrit en Sjoerd. Ze sloeg beiden met het ingebonden boek keihard op het hoofd. Toen de twee hun handen op het hoofd legden om te wrijven, sloeg ze nog een keer, en nu op de handen van de stemmingmakers.

‘Ophouden!’

Alle mannen keken naar Maartje. Jonneke was naast haar komen staan.

‘Jullie voeren hier een mini-oorlog in onze stamkroeg. Een stamkrieg, als je Duits-Nederlandse woordspelingen. Maar allejezus, moet dat op de dag dat we doden herdenken die in oorlogen zijn gevallen?’

Niet alleen Sjoerd en Gerrit bogen het hoofd, de andere mannen aan de bar voelden zich medeschuldig.

‘Al jullie mannen kijken nu schuldbewust. Terecht. Want wie niets doet tegen onrecht, laat de ellende voort etteren.’

Sjoerd wilde nog wat zeggen, Berend stak een vinger op, maar de vrouwen waren resoluut.

‘Nee, geen gezeik meer. Ophouden. Nu!’

Vreemd hoe een vrouw haar woorden als een angel in het hoofd van een man kan steken, daar haar verzoenende zaad kon lozen, waarna alleen de meest vulgaire man nog zijn punt wil maken.

De mannen gingen zitten, namen hun glazen in de hand en staarden naar hjn versnapering.

‘Mooi, laat ik jullie dan eens iets vertellen van deze kroeg. En Koos, jij moet me hier en daar bijlichten en aanvullen.’

Koos knikte.

‘Het boek hier in de kroeg gaat over de verkeerde kroeg. Of beter: dit is het verkeerde boek.’

Ze haalde uit haar werktas een map, met daarbij ook een dun boek. Als laatste kwam een mapje van de gemeente uit haar tas tevoorschijn. Daarmee wapperde ze even.

‘Hierin staan administratieve feiten, over de jaren vanaf de oorlog tot nu.’

De laatste oprisping van Gerrit kwam als een ongemakkelijk boer die iedereen opluchtte behalve de boerlater zelf:

‘Ik ga nog steeds niet naar Duitsland. Never. Ik wil er niet eens overheen vliegen, want er staat waarschijnlijk nog steeds afweergeschut.’

De vrouwen kreunden, de mannen schudden hun hoofd.

‘Goed, de kroeg. In zijn huidige staat is grotendeels het gevolg van de geschiedenis. Eigenlijk is de kroeg zelf, de ruimte er boven en de zolder zijn van na de tweede wereldoorlog. Onze fijne buren…,’

‘Die oorlogzuchtige Germanen…’

Gerrit keek tevreden over zijn opmerking.

‘….hebben er een paar jaar gewoond, en toen de geallieerden eind 1944 dichterbij kwamen, hebben ze de kroeg opgeblazen. De Duitsers, dat is.’

Koos zei: ‘ Klopt. Na de oorlog heeft de kroeg een paar jaar half verkrot en zwartgeblakerd leeg gestaan. Mijn opa en mijn vader bouwden de kroeg op.’

Koos slikte een keer.

‘Hij vertelde mij keer op keer, elke winter wel minstens drie keer, hoe hij in de eerste vrije winter van 1945 – 1946, in de kelder de leiding moest ontdooien, en dat hij toen de grond los moest bikken, grond waar nog steeds de restanten van de verdieping van de oude kroeg lagen, en dat hij in die zwartgeblakerde stenen, het oude … het oude…’

Koos snotterde.

‘Het oude wat?’

Maartje was niet zo sentimenteel als de meeste mannen aan de bar.

‘Het oude uithangbord dat door de Duitsers kapot geschoten.’

‘Zie je wel,’ schreeuwde Gerrit, ‘De schoften.’

‘Gerrit, die tijd is voorbij.’

‘Never.’

‘Voor jou niet, voor de rest van Nederland wel. Haat de Duitsers, als je zo nodig moet, maar de oorlog is voorbij.’

En een ieder dacht er het zijne van. Die dodenherdenking ging de boeken in als de dag waarop duidelijk werd dat de Germaanse strijdbijl nog lang niet bot was.

© Rick Ruhland 2018

Phailed Phriday on a Photo

Deze foto is gemaakt op een vrijdag, maanden geleden, en op een plek ongeveer 10.000 km van waar ik nu ben. Ik weet waar en wanneer die foto is genomen. Maar hoe kan een ander dat weten? Het zou ook zo kunnen zijn dat deze foto vanochtend hier in de straat is genomen.

Mislukte foto’s als deze zijn van alle tijden en alle plaatsen.

IMG_7418

© Rick Ruhland 2018

Partij voor planten XV

Al een relatief lange tijd horen we van Goor en soortgenoten niets anders dan hoe het niet moet. We horen niet hoe het dan wel moet. Eenzijdig, zo kun je hem en zijn plantgenoten wel noemen. Warrig, dat is misschien ook wel een woord dat van toepassing is. Zit dat in zijn genen? Dat verwarde, dat monomane? Is het nature?

Of is het een kwestie van opvoeding, een kwestie van nurture?  Ik heb een aanwijzing dat het misschien dat is: opvoeding en achtergrond. Ik kwam er namelijk vandaag achter dat Goor eigenlijk helemaal niet Wildkrijt of Waskruid of Wildkruid (al dan niet met een t, dus Wildkruit of Wiltkruit of Wiltkruid) heet. Nee, Goor is namelijk van oorsprong geen Nederlandse plant.

Duits. Dat is hij. Wildes Wachskraut is zijn echte achternaam. Dat verklaart meteen ook waarom zijn taalgebruik lichtelijk slissend en vol grammaticafouten zit, en ook nog eens archaïsch klinkt. Sterker, zijn taalgebruik is oud, en zijn gedachtegoed moet daar wel een gevolg van zijn.

Nu het gekke aan het verhaal, en ik laat daar graag mijn intello-briljante licht over schijnen: GW is dus van twee culturen. Maar hij brandt steeds planten af die tweeculturig zijn.

Terwijl, als hij zich wat breder zou ontwikkelen, hij had kunnen weten dat mensen met twee talen en twee culturen zich makkelijker aanpassen, een betere cognitieve ontwikkeling hebben, flexibeler denken in onbekende situaties, en van een betere concentratie zijn voorzien.

Niet dat voor elke tweetalige en tweeculturige geldt. Goor is dus een van die uitzonderingen.

Als Goor ergens hard om roept, dan is het wel: MONOCULTUUR!!!

Ik droom wel eens weg en zie dan Goor zijn grootste gelijk halen, namelijk het verwijderen van alle allochtone planten en elke plant die afwijkt. Niet alleen de vetplanten, de moerasplanten, of de planten die hier al eeuwen zijn maar van nature uit Zuid-Amerika of Azië komen, maar elke plant die afwijkt van het beeld van groene, bloemdragende zonder ziektes en genetische fouten. Pas dan zal het hier erg goed toeven zijn. Dan houdt alle ellende op. Het punt is: Goor maakt de kolossale fout te denken dan monoculturen tot grootse culturen leiden. Wat ook zijn gedachte is, wat ook zijn motivatie is, het komt vanuit het negatieve.

Als monoculturen iets duidelijk hebben gemaakt, en zullen blijven maken, dan is dat deze culturen van binnenuit rotten. Monocultuur is goed voor inteelt, en planten in een monocultuur zijn gevoelig voor ziektes. Monoculturen zullen altijd het onderspit delven. Gemengde culturen zijn veel weerbaarder voor veranderingen die er altijd zullen zijn.

Ik denk dat Goor, en natuurlijk heb ik dit ook aan hem geschreven (nee, nog geen reactie tot nu toe), de volgende analogie niet begrijpt, maar hij is van toepassing. De analogie van de ratten en de de pest. Hij maakt de fout te denken dat de pest werd over gebracht door ratten. Kul. Humbug. De pest werd door vlooien overgebracht, en vooral ook: door intermenselijk contact.

© Rick Ruhland 2018

PS Waar je mee omgaat, wordt je door besmet. Ik heb moeite met normaal denken, nu ik veel met Goor communiceer. Maar ik kan toch niet stoppen met communiceren? Want dan wint Goor zijn pleit. Zonder tegenspraak en weerwoord is elk ongelijk waarheid.

Terug naar Schotland 2: Jura

De Hebriden. Een groep eilanden ten westen van het vasteland van Schotland. Van de meer dan 100 eilanden en rotsen zijn vijftien eilanden bewoond. Sommige eilanden, zoals Skye en Mull, zijn groot en naar Schotse begrippen toeristisch, andere, zoals Colonsay, zijn klein en leeg.

27 jaar geleden was ik voor het eerst op de Hebriden. Een andere keer zal ik van die eerste keer verhalen (ik zag toen Skye, North Uist, Harris, en Lewis). Ik heb sindsdien elke keer dat ik in Schotland was, op eilanden vertoefd. Niet noodzakelijkerwijs de Hebriden, maar van de tien reizen naar Schotland was ik één keer niet op een eiland, namelijk mijn eerste keer Schotland in 1987.

Ik heb de Hebriden lief. Proberen dat in woorden om te zetten, waarom dat liefhebben en wat die liefde dan behelst, is onbegonnen werk. Elke liefde die zo diep gaat als die van mij en de Hebriden / Schotland kan alleen goed gezien en misschien begrepen worden in de blik in mijn licht vochtige ogen (ja, de overdrijving moet), en het kippenvel op mijn armen als ik op de ferry ben en het vasteland heb losgelaten.

Als je naar de Isle of Jura wilt, en daar was ik nog niet eerder geweest, dan kun je daar op twee manieren komen. De ene manier is via Tayvallich, op het vaste land. Van daar vaart een kleine veerboot die alleen passagiers, fietsen en huisdieren meeneemt, en die in Craighouse aanmeert. De andere manier is via Islay. Aangezien ik al op Islay was, was dat de logische weg om naar Jura te gaan. Van Port Askaig vaart een kleine ferry naar de overkant.

Jura, de naam stamt af van vermoedelijk het Noors-Gaelic voor hert, Dyrøy (hoewel ook het idee bestaat dat de naam van het woord voor ‘uier’ komt, Jurøy, vanwege de Paps van Jura, de bergen van het eiland), is een leeg eiland. Dat merk je meteen als je op het eiland aankomt met de ferry vanaf Islay: er staat alleen een wachtlokaal. Het eerstvolgende huis is niet meteen om de hoek. Feitelijk is Jura dunbevolkt. Van alle bewoonde eilanden komt Jura op plek 31 qua meeste inwoners van de Hebriden.

Ik was van plan om wild te kamperen op Jura, maar toen ik een lift kreeg aangeboden die naar Craighouse ging, heb ik die aanvaard. Eenmaal in Craighouse, eigenlijk het enige dorp op Jura, wilde ik daar blijven. Wild kamperen? Een andere keer. De gemakken van een douche, wc en vers water (feitelijk was het grasveld een mini-camping), en ook nog een pub en een shop, allemaal op nog geen minuut lopen, tja, die beïnvloedden mijn keuze op nogal indringende wijze.

IMG_8652.jpg

Eigenlijk ben je dan nog steeds in de bewoonde wereld. Hoewel dat op Jura een wat vreemde term is, want er wonen mensen op Jura, maar het aantal bewoners is ergens rond de 200. Het aantal herten wordt geschat op 5000. Go figure.

Er loopt min of meer maar één weg over Jura. Hier en daar is er een zijweg zoals naar Keills, maar je kunt alleen maar van zuid naar noord en terug, aan de oostkant van het eiland.

Op Jura is wandelen dat wat je doet. Ja, je kunt een hapje en een drankje doen in het hotel, de Jura stokerij bezichtigen, even langs de shop, de townhall en de koffieshop. Maar daarna is natuur dat wat de klok slaat. Ik had deze keer alleen niet mijn wandelschoenen bij me. Dat betekende ook dat ik niet de boglands in kon. Boglands, dat zijn (net als in Ierland) velden en heuvels bezaaid met turf. Onregelmatig qua ondergrond, erg nat, en niet ongevaarlijk omdat je een enkel of knie zo verzwikt hebt. Los daarvan moet je in de heuvels en boglands van Schotland niet zonder kaart zijn, en aangezien je nauwelijks bereik hebt met je mobiele telefoon, is het raadzaam om anderen te vertellen dat je de wildernis in gaat. En: ga goed gekleed en heb water en voedsel bij je.

Ik ben dit keer op de wegen gebleven. Niet dat het dus minder mooi is:

IMG_8546

Jura is trouwens ook het eiland waarop George Orwell verbleef en hij het grootste deel van de roman 1984 schreef. Wat voor mij het bezoek des te interessanter maakt was het feit dat ik deze zomer de roman 1q84 van Murakami heb gelezen.

Ik heb genoten van de wind, de wolken, de zon, de regen. De vriendelijkheid van de mensen (die je te pas en te onpas een lift aanbieden). Wat ook een belangrijk onderdeel is van the island life: de mensen die naar Jura en andere Hebriden-eilanden reizen, zijn nou niet wat je noemt liefhebbers van het massatoerisme, van het onnadenkende doen wat anderen doen, van ranzige strandcultuur. Het zijn mensen die de rust zoeken, het goede gesprek, die verlangen naar het weer opladen van de geest en de ziel.

Ik heb voor een volgende keer nog het noordelijke deel van het eiland op het programma staan, met o.a. de draaikolken in de golf van Corryvreckan. Want dat is Schotland ook: one visit is never enough. Het land en de eilanden blijven aan me trekken.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018