En gelachen dat we hebben… Nou, niet echt!

Ik heb in de afgelopen drie maanden een sociaal experiment gedaan. Meer concreet: ik deed een experiment op straat. Ik deed het experiment met andere mensen die echt niet wisten dat er een experiment bezig was.

Wat heb ik gedaan? Ik wilde uit een verlangen van ‘de wereld een tikkeltje aangenamer maken’ elke dag een stuk buiten lopen en dan met een glimlach door de straten lopen. Het experiment bestond eruit dat ik turfde wat de reacties waren. Ik had zelfs een soort van doel, misschien zelfs een hypothese. Die was: ik wil zien of elke dag 10 glimlachen terug kon krijgen. Over die 10 lachen is nog wel iets meer te zeggen.

Vandaag kan ik de resultaten bekend maken.

Eerst maar eens de gelopen afstand: Over een periode van drie maanden heb ik gemiddeld (volgens de gezondheid-app op mijn telefoon) 8000 stappen per dag gelopen. Die stappen heb ik zowel hardlopend als wandelend gezet. Soms was de wandeling / loop in de stad, soms op het platteland. Ik liep ook op dagen met regen, maar die dagen zijn in de ruime minderheid. Ik denk dat 1 op de 10 dagen een regendag was. Ook wellicht van belang, althans intuïtief: de dagen waarop de zon uitbundig scheen en de temperatuur aangenaam was. Ik heb daar niet voor gecorrigeerd in de data, maar ik kan al wel een tipje van de sluier oplichten, en dat is dat volgens de wetenschappelijke inzichten van de sociale psychologie het inderdaad zo is dat mensen op zonnige dagen meer terug lachen.

De definitie van ‘een glimlach terug’ was trouwens niet eens zo eenduidig als die op het eerste gezicht lijkt. Sommige mensen had een soort van krulletje rond de mond, of keken met licht opfleurende ogen terug. Ik heb (niet geheel wetenschappelijk, maar goed, ik wil positief zijn en het aantal mensen dat iets terug deed, is dan ook in de telling opgenomen als ‘JAAA, een lach, hoera!’) niet alleen die mensen met een duidelijke glimlach in de telling gestopt, ook zij die even een leken te lachen en dan weer niet, met een half of een kwart lach gewaardeerd.

Het maakte in het experiment natuurlijk wel uit hoeveel mensen ik op zo’n dag tegen kwam. Op een rustig landweggetje lopen nu eenmaal niet zo veel mensen. Uiteindelijk kwam ik op alle plekken gemiddeld zo’n 200 mensen tegen die een glimlach van mij kregen.

Nieuwsgierig naar wat ik heb ervaren? Wel, hier zijn de resultaten:

Ten eerste de hypothese: Het gaat me lukken dat ik op een en dezelfde dag 10 glimlachen terug krijg. Deze is ontkracht. Het is niet gelukt. Misschien als ik langer had gelopen op een dag wel, maar helaas, meer dan 7 zat er niet in. 7 was het dagmaximum.

Misschien is een statistiekje leuk? Goed, de cijfers:

– 75,7 % van de mensen keek nors voor zich uit. Bij een enkeling kwam de blik terug zelfs neer op wat ik maar even noem ‘Wat moet je van me?’ Een enkele keer verwachtte ik zo half om half een klap in het gezicht, zo boos werd ik aangekeken.

– Bij 12,1 % procent van de ontmoetingen kreeg ik geen glimlach terug, maar was er wel even een blik terug. Vaak een gevuld met een vraagteken. Een blik die leek te zeggen: ‘He, is iemand nou gewoon midden op straat aan het glimlachen? WTF?’

– 8,4 % had iets van een glimlach

– 3,8 % ging zelfs zo ver dat ze niet alleen teruglachten, maar ook hallo of dag zeiden. In 2 gevallen zelfs een zwoel hai.

Is er nog iets zinnigs te zeggen over de verdeling naar mannen en vrouwen? Niet echt. De lachen kwamen bij vrouwen vaker voor, maar het kan zijn dat een vriendelijke glimlach van mij door een vrouw vaker als flirten werd opgepikt, wat overigens niet de bedoeling was.

Wel opmerkelijk was dit: in de stad groet de blanke nederlander meer met een glimlach, buiten de stad de gekleurde medemens. Voer voor sociologen.

Maar helaas, de 10 x een glimlach terug op een en dezelfde dag is een brug te ver gebleken.

© Rick Ruhland 2017

Advertisements

Zo kan het dus ook, gemeente

Ja, ik schreef laatst mijn ergernissen van me af onder de kop Zo dus niet, overheid. Ik kreeg veel bijval vanuit de hele wereld. Deed me goed. En het stuk schrijven maakte me rustig. Inmiddels ben ik wel gekalmeerd. Het is maar bureaucratie. Ze bedoelen het niet zo. En als je een afspraak maakt voor het regelen van een reisdocument, dan zijn de ambtenaren wel wat stijfjes of zelfs horkerig, maar ze doen wat ze moeten doen. Niet te snel, maar ze doen het. We konden het document na een week ophalen, zei de mevrouw achter de balie.

In de tijd tussen aanvragen en ophalen van het document las ik een aantal artikelen op internet en in de krant. Die gingen over de zeer grote communicatieafdeling van mijn stad. Even voor de duidelijkheid: ik heb ooit, 13 jaar geleden, als interimmer (senior consultant communicatie, zoals dat opschepperig heette) bij een dienst van de stad Amsterdam gewerkt. Ik weet enigszins wat voor communicatievlees de stad in de kuip heeft, aannemende dat er in 13 jaar niets of weinig is veranderd.

Nu was ik een week geleden wel tamelijk verbaasd dat, toen wij het paspoort gingen aanvragen en al was gebleken dat de brief (met de oproep een bijna verlopen reisdocument te verlengen) zo volstrekt onvolledig was, zo veel communicatiemedewerkers niet in staat zijn even een brief te formuleren waarin alles staat waar je je aan hebt te houden als je een paspoort voor een kind wilt verlengen. Wat je mee moet nemen, maar ook dat je na 15.00 niet zomaar even langs kunt komen. Ik zou denken dat in een tijd dat de overheid van alles doet om vrijheden in te perken, om zaken helemaal in de hand te houden, je toch meer je best zou doen om duidelijkheid te scheppen.

Maar ik was blij dat we een week na de aanvraag zomaar langs konden komen om het document op te halen. Want meer was het niet. Oude paspoort terug naar de gemeente, nieuwe mee naar huis. Goedgemutst wandelden wij het megalomane stadsdeelgebouw van de wijk binnen.

En daar stonden ze weer. De mannen met de V op het slecht zittende colbertje dat ontworpen is in een zeer donkere ruimte en gemaakt is van plantenvezels. Wat ik kwam doen? Nou, niets meer dan een paspoort ophalen, dat kon vandaag.

Heeft u een afspraak?

Ik begon te grijnzen. Best leuk zo’n stukje cabaret. Ik: nee hoor, we hoeven alleen maar een verlengd paspoort op te halen. Jahaa, dat gaat dus niet, u moet ook dan een afspraak maken. Het is immers na 3 uur. Oh ja, dacht ik, dan zitten de meesten al aan de prosecco. Het feit dat mijn zoon naar school moet en niet voor 15.00 spontaan mee naar de Kasteel Stadsdeel kan, liet ik even over mijn tong rollen, maar dat was het punt niet. Ik heb niet gehoord van de hardwerkende ambtenaar dat ik voor een 5 minuten durend contactmoment een uitgebreid formulier op internet moest invullen (dat invullen duurt langer dan 5 minuten).

Uit alles bleek dat ik het paspoort, waar al voor betaald is, niet zomaar op kon halen.

Ik kon het niet wegdrukken; ik werd giftig. ZEG HET DAN GODVERDOMME. Als ik er ben een week eerder, en ik sta aan je balie, zeg dan dat ik niet zomaar een week later kan komen om het document op te halen. Wat mijn makke is: ik kan ambtenaren en V-mannen niet duidelijk maken dat het raar is ook voor zoiets oetlulligs een hoop tijd te moeten inruimen. Eerst een afspraak maken via het onnodig gecompliceerde ICT-systeem, dan naar het stadsdeelkantoor, en dan maar zien of ik daar ook nog een half uur moet wachten (let wel, als je afspraak maakt, word je niet precies op die tijd geholpen).

Ik kan wel fluisteren, zeggen, roepen, schreeuwen, ‘Jullie ambtenaren zijn er voor ons. De burger is er niet voor de ambtenaar. Dus loop maar wat harder en in mijn richting als ik iets wil.’, maar de meesten ambtenaren heetten Dovemans. Let wel: het gaat om iets eenvoudigs als een paspoort ophalen.

En het allerergste: je hebt een overdaad aan communicatyfusleijers (excuus voor het misbruik van de ziekte tyfys) in huis en nog ben je niet in staat om even een stukje communicatie naar de burger goed door te zetten.

Vier middagen verspild. Wat een kapitaalvernietiging. En weer is de kloof tussen overheid en mij een stuk groter geworden.

© Rick Ruhland 2015

Zo dus niet, overheid

Stel je krijgt een brief van de lokale overheid (gemeente) met daarin de oproep om het paspoort van je kind te komen vernieuwen. In de brief staat wat je moet meenemen: je kind, het oude identiteitsbewijs en een (nieuwe) pasfoto. Logisch. De brief zelf hoeft niet mee, maar voor de zekerheid stak ik die ook bij me. Je weet maar nooit.

Vol goede moed trokken we naar het stadsdeelkantoor dat niet ver van ons huis is. Ik vroeg mijn koter of we lopend, met de fiets, de tram of de auto gingen. Het werd de auto. Het was kort na drieën, immers, je kind was naar school en hij moest wel mee. Een man bij de deur vroeg, heel vreemd, of wij een afspraak hadden. Nee, ik kom een paspoort verlengen dus ik ben hier met… Nee, dat kan niet meer, aldus deze man met een V op de borstzak van zijn slechtzittende donkerblauwe colbert. Huh, zei ik vrij intelligent. Het stadsdeelkantoor, aldus de man, is niet meer open na 15.00 uur.

Alleen als je een afspraak hebt, is men genegen je te helpen, blijkbaar.

Maar dat is toch van de ratten besnuffeld? Ik zei het niet hardop, maar het was te zien aan mijn gezicht. Je staat als stadsdeel, overheid, gemeente, in dienst van de “burger”. van een stad van 800.000 mensen, en je gaat om 15.00 al aan de prosecco? Wat hebben jullie verder nog te doen zo’n namiddag? Met je poten op de balie en verder niks? Ben je nou helemaal belatafeld!!! Ga eens aan het werk, ambtenaar (in deze context is dat een scheldwoord).

De man met V opperde toen: 5 kilometer verder weg is een kantoor – in de wijk Osdorp – dat wel open is en dat ook het paspoort kan verlengen. Zo gezegd, zo gedaan. Wij togen naar de auto en reden een enkele centiliters benzine stuk om in de middag, het was inmiddels net na vieren, bij het verder weg gelegen maar geopende kantoor aan te komen. We trokken een nummer uit het nummertjesapparaat en gingen zitten. Mijn zoon kletste over school, we lachten wat af en steels keek ik af en toe naar de plusminus 15 mensen achter de balies.

En toen? Toen begon het grote wachten. Niemand bewoog. Het leek een snikhete dag waarop alle dieren in het veld er het zwijgen toe doen. Met dit verschil: het was koel en zelfs koud in het kantoor. De ambtenaren keken schaapachtig om zich heen. Verder gebeurde er niets. 20 minuten lang. Geen balie ging open, niemand werd geholpen, de “burgers” bleven binnenkomen. Er is blijkbaar geen intrinsieke of excentrieke aansporing aanwezig om mensen te helpen, mensen die echt wel andere en dringende bezigheden hebben, zoals werk of zorg voor kinderen.

Zelfs de veiligheidsman in het Osdorper stadsdeelkantoor leek zich te schamen. Hij ging bij mensen lang om te vragen welk nummer iedereen had en dat het inderdaad wel lang duurde. Na een minuut of 20 van schurende indolentie ging de teller van de wachtlijst weer een omhoog en kon de volgende “burger” zich vervoegen bij een van de balies waar een koning der ambtenarij kon worden aanbeden.

Na een half uur kwamen wij aan de beurt. Met onze gegevens en papieren in de hand zei ik dat ik voor mijn zoon een nieuw paspoort kwam aanvragen. Ik had de brief goed gelezen en zelfs op internet gekeken of we alles bij ons hadden. Maar vooral de brief was zo uitgesproken qua vereiste documenten e.d. dat ik goed voorbereid dacht te zijn verschenen aan het loket van koning ambtenaar.

“Nee, dat is niet voldoende.”

Ik kijk hem ongelovig aan. Eerst kom ik in een kantoor dat om 15.00 al sluit (en waar je alleen terecht kunt als je een afspraak maakt, dus belt met hun gouden telefoon), dan kom ik in een kantoor waar indolentie, een ander woord voor onder andere laksheid / luiheid / apathie / loomheid / onverschilligheid / futloosheid, een enige richtlijn is waar men zich aan houdt.

“U moet ook een verklaring van de moeder hebben.”

Pardon? Ik ben de vader. Ik heb destijds aangifte van geboorte gedaan zonder de moeder. Ik heb al voor zijn geboorte mijn kind erkend. Ik heb zelfs een identiteitsbewijs van mijzelf bij me om te laten zien wie ik ben, en dat mijn zoon dezelfde achternaam heeft, dat hij in het systeem staat als mijn zoon. Ik heb een pasfoto van hem, ik heb zijn huidige identiteitsbewijs.

Ik lees de brief nog eens door. Nee, staat er niet in. Als dat zo belangrijk is, dan zet je dat er in. Je verwijst niet naar een algemene pagina op een website van de gemeente (wie geen internet heeft, en die zijn er, is helemaal het haasje). Nee, je meldt duidelijk en in gewoon Nederlands dat een verlenging van een paspoort vaagt om het oude paspoort, een foto, EN een verklaring van de partner dat zij / hij instemt met het aanvragen van een nieuw paspoort. Sterker, en dat is een briljant idee dat niet uit de koker van de ambtenarij komt, maar uit mijn superbe geest: voeg zo’n formulier meteen toe bij de brief waarin je meldt dat het paspoort van je kind verlengd moet worden.

Maar het is nog erger: je moet het identiteitsbewijs van de partner ook bij je hebben. Geen kopie, nee, het feitelijke bewijs. Dat moet ik dus meenemen naar het gemeentehuis. Dat betekent dat diegene (mijn partner) op dat moment strafbaar is en zeker niet naar buiten kan als zij of hij geen ander identiteitsbewijs heeft. Met de lange wachttijden in gemeentelijke wedkantoren is dat een levensgevaarlijke situatie. De partner kan zo maar opgepakt worden, de gederfde inkomsten zijn ook niet mals en zelfs ik, die met het identiteitsbewijs van een ander rondsjouw, ben eigenlijk strafbaar bezig.

Kafkaëske bureaucratie heeft een nieuwe invulling gekregen en is te vinden in de stadsdeelkantoren van Amsterdam. Ik ben al geen vriend van de overheid die niets anders is dan een bonte verzameling verborgen werklozen. Maar dit slaat helemaal als een tang op een varken. Stadsdelen is eigenlijk een werkwoord: het is een moderne versie van verdeel en heers.

Mijn zoon gaat voorlopig niet naar het buitenland. Ik moet eerst een afspraak maken met een ambtelijk persoon (het is niet vreemd dat een van de betekenissen van ambtelijk is: bureaucratisch), als die tenminste er is en de telefoon op gaat nemen. Dan moet ik alles meenemen, natuurlijk meer dan in de brief staat vermeld. En dan moet ik ook nog geld betalen voor een bewijs dat eigenlijk moet worden betaald door de overheid omdat zo’n vodje door de apparatsjik geëist wordt. Sterker, dat paspoort is geenszins iemands persoonlijke eigendom, maar is en blijft van de staat; raar: je betaalt voor iets wat nooit en te nimmer jouw eigendom wordt.

Ik en machthebbers: beroerde combinatie. En dan zeker met iets als een ambtenaar. Met de nadruk op de laatste lettergreep.

Wat een verspilde middag. Gelukkig was het wel leuk met mijn zoon. Als ie maar geen ambtenaar wordt, want dan schopt hij iemand geestelijk dood.

(c) Rick Ruhland 2015

Philosofical Phursday: een zwerver in de straat

Sinds een paar maanden loopt een zwerver in onze straat rond. In deze wijk is dat niet echt een gewoon beeld. Meeste mensen hebben hier huizen, baan, kinderen. Het is een gemixte wijk van blanken, gekleurden, allerlei religies expats, ouderen en kinderen. Zwervers komen meer voor in het centrum van Amsterdam.

Deze zwerver vraagt iedereen die hij in zijn vizier krijgt om geld. Daar rent hij bijkans op af. De eerste keer luisterde ik nog wel. Ik ben niet iemand die een ander meteen zal afwijzen, bijvoorbeeld vanwege iemands uiterlijk. En als iemand om geld vraagt, luister ik ook. Ik geef echter niet snel geld. Ik heb vrijwilligerswerk gedaan met daklozen, en hun verhalen ken ik vrij goed. Ik ben er niet altijd van overtuigd dat ze echt een verandering willen (maar niet omdat ze blij zijn met hun huidige situatie), maar feit is wel: de meesten zijn ontheemd. Niet alleen qua bezit en huis, maar ook van geest en persoonlijkheid en van een relatie / partner. Trieste verhalen. Ik kon niet zoveel doen, behalve met hun praten, mijn ideeën van leven geven, misschien een tip hoe het ook kan, iets positiefs. En de reden om geen geld te geven is dat ik niet wil dat iemand daarvan alcohol koopt en mijn geld opdrinkt of aan drugs besteedt, iets wat veel voorkomt. Wat ik wel deed was iemand meenemen naar een snackbar of supermarkt, en hem (vrouwen zijn in de minderheid in de wereld van daklozen) eten kopen zodat hij die dag gevoed werd. Wie dat afwees, kon inrukken en weg marcheren.

Goed, de zwerver in de straat kwam dus een paar maanden geleden op mij af en vroeg om geld. Hij vertelde in een adem door dat hij net uit de gevangenis kwam en geen geld had. Niet de beste manier om je verhaal te vertellen, niet de beste manier om geld los te troggelen bij een willekeurige voorbijganger. Hij komt nu elke keer naar mij toe, en niet alleen naar mij. Ik heb hem gevraagd om me niet meer te vragen om geld, maar hij vergeet dat.

Waarom wil ik dat om geld vragen eigenlijk niet? Waarom geef ik de een wel iets te eten (als dat hetgene is wat een dakloze of zwerver wil), en de ander niet? Het feit dat ik af en toe een zwerver wel iets te eten geef, is een dele van mijn sociale kant. Maar aan de andere kant ga ik niet elke bedelaar (want laten we wel wezen, er zijn in grote steden, zelfs in dit rijke land, meer dan een paar bedelaars) mijn geld geven. Het feit dat ik überhaupt geld heb, is mijn verdienste en ik vind dat een ander mens die verdienste ook hebben. Heb ik veel geld? Voor mijn doen en mijn levensprincipes en mijn eisen: ja. Maar ik heb niet veel geld nodig. Bovendien heb ik geleerd als student op allerlei manieren aan geld te komen en om met zeer weinig geld rond te komen. Dat vormt iemand, en het helpt je om te gaan met tegenslag, met weinig geld. Het maakt je ook inventief. Dat de zwerver in de straat niet onthoudt dat ik hem geen geld geef, dat hij mijn gezicht niet kan onthouden, is geen goed teken.

De vraag die ik op deze Philosofical Phursday stel: mag je bedelen? Mijn instinctieve antwoord: geen idee. Ik weet echt niet wat ik daar van vind. Ik doe het niet, maar ik ben nog niet in de situatie terecht gekomen dat ik echt niets meer heb en wel moet bedelen. Ik denk dat ik bedelen niet verkeerd vind, maar als bedelaar heb je ook je plek te kennen en dat is: ‘Nee is nee’. Als iemand je geen geld of eten geeft, dan heb je dat te accepteren.

Mijn meer nadenkende antwoord: ja, je mag bedelen. Wees er wel van doordrongen dat je bij mij een nee op het rekest kunt krijgen. Dat komt een beetje door een van de uitgangspunten van mijn levensinstelling: wat u niet wil dat u geschiedt doe dat ook een ander niet. Vrij vertaald: ik bedel zelf niet, dus ik wil ook niet dat een ander dat doet. Maar ik weet ook dat sommige mensen een levensgeschiedenis hebben die minder rooskleurig is dan die van mij. Dan nog: ik ben van mening dat je met motivatie en goede wil ver kunt komen in het leven.

Wat ik wil zeggen: bij mij strijden altruïsme en egoïsme constant om de eerste plaats. Wie van de twee wint, is een kwestie van kans, van een munt opwerpen. En soms werp ik die munt richting bedelaar.

© Rick Ruhland 2015

De hond en de vuilniswagen

Op een doordeweekse ochtend worden ondergrondse vuilniscontainers geleegd bij ons in de straat. Zo ook vandaag. Een man met een oranje vest heeft een afstandsbediening, waarmee hij een lange arm vanuit de auto aan de ondergrondse vuilcontainer bevestigt. Die arm tilt de container uit de grond en als de bak met vuil boven de laadbak is, kiepert het vullis in de vuilniswagen. De man in oranje begint, zo is te zien op de foto, met de rechter container. Vlak nadat die aan de arm van de vrachtwagen is bevestigd, zet de man met zijn AB de arm in beweging en met enig wrikken komt de vuilcontainer uit de grond.

IMG_6183

Als het vuil in de vrachtwagen stort, kijk ik naar de andere vuilcontainer. Daar staat een fiets met gifgroene fietstassen tegen aan geleund. En pas dan zie ik de hond aan de periscoop van de container. Zijn riem zit goed vast. Terwijl ik mijn fiets op slot zet, gaat de arm van de vuilniswagen weer omlaag. De hond blaft een keer, maar de man in de oranje jas is druk met het manoeuvreren van de arm op de periscoop. Na een kleine duwtje zit de arm vast en komt de container uit de grond. De fiets komt even van de grond, verliest het dan van de zwaartekracht en valt op de rechter container en blijft daar hangen als een metalen gewei.

Hoger en hoger gaat de container. De hond bungelt nog steeds aan de periscoop, maar is uit het zicht van de vuilnisman. Ik hoor hem blaffen, maar ik reageer niet. Niemand reageert op het geblaf, op de hond in nood. Iedereen is bezig zich naar school of werk te haasten. En ik ben gefascineerd. Hoewel het me ook niets kan schelen. Het is namelijk niet mijn hond. En ik houd van een beetje reuring.

De periscoop en de container aan de arm schudden een keer, weer valt vuil op de vloer van de container, en dan zwaait het geheel vervaarlijk terug naar het gat in de grond, waarin de container verdwijnt. De hond is verdwenen.

Ik weet dat we afval moeten scheiden, maar vallen zwartwithonden daar ook onder?

© Rick Ruhland 2014

Documentaires

Het IDFA is weer begonnen. Het jaarlijkse festival brengt het beste van documentaires over de hele wereld naar Amsterdam. Mijn fascinatie met documentaires is bijzonder groot. Anders dan speelfilms of journalistiek zijn documentaires – in het algemeen – ge(re)construeerde verfilmingen van de werkelijkheid. Waar in films de fictie, een verdichting van de werkelijkheid, de boventoon voert, en in journalistiek de verslaglegging centraal staat (al dan niet in een gepolijste vorm), is in een documentaire een idee, een verhaal, een persoon, een voorwerp, het wonderwerp van de film. Documentaires gaan van shorts die soms maar een minuut duren tot films die meerdere uren duren.

Ik heb het nog niet uitgerekend, maar ik denk dat ik enkele tienduizenden uren aan documentaires gezien heb. Alleen hier in huis staan 1000-en opnames van televisie, op 100-en cd’s, en dat zijn de cd’s die ik heb bewaard. Dan zijn er nog de documentaires die ik wel heb gezien (op tv, op het IDFA, in de bioscoop), maar die ik niet heb bewaard.

Wat is dan de charme van een docu, als ik zoveel uur aan materiaal heb bewaard? De grootste kracht schuilt in de vorm x inhoud. Een verhaal kan op veel manieren verteld worden, en een docu doet dat op zijn eigen wijze. Ik ben niet geneigd om een kwalificatie als goed of slecht aan een documentaire te koppelen. Toch zijn er docu’s die overtuigender zijn dan andere, mooier dan andere. Voor mij heeft dat met de vorm te maken (hoe vertelt een maker zijn of haar verhaal), maar zeker ook met de inhoud.

Een van de topics waar ik geen genoeg van krijgen, zijn documentaires muziek. Ik weet niet of ik nog op het IDFA verschijn de komende weken, maar er zou een reden zijn om het wel te doen. Ook dit jaar is er, in het eerste weekend van het festival, een aantal muziekdocu’s te zien. (zie http://www.idfa.nl/nl/uitgelicht/muziekdocumentaires.aspx).

Wie ook van muziek houdt en documentaires, hier is een top 10 van boeiende, wat oudere docu’s. Ze staan in willekeurige volgorde en ze zijn niet te zien op het IDFA dit jaar; overigens, als ik misschien toch nog naar het festival ga, zou ik Heaven adores you – over Elliiot Smith –willen zien:

Some kind of monster (over Metallica)

Anvil! The story of Anvil (over … Anvil)

Heima (over Sigur Ros)

Paradiso (over rockkerk Paradiso in Amsterdam)

Searching for Sugarman (over een held in Zuid-Afrika, Sixto Rodriguez)

Synth brittanica (over electronische muziek begin jaren 80)

The last waltz (over The Band)

Sound city (over de opnamestudio in Los Angeles)

Stop making sense (over Talking heads)

This is Spinal Tap (over…)

Eigenlijk is de lijst veel te kort (ik denk aan docu’s over Buena Vista Social Club of over 30 seconds from Mars (titel: Artifact) over hun strijd tegen de oude heersers in de platenwereld, platenmaatschappij EMI). De lijst kan makkelijk aangevuld worden met 100-en docu’s, in elk muziekgenre en –stijl is wel een tig tal films te vinden.

En als ik voor mijn kast met docu’s sta, zie ik Pink Floyd staan. Een band met docu’s van de buitencategorie.

Ik moet stoppen. De muziek stopt nooit.

© Rick Ruhland 2014

Schwalbe en gestrekt been in één

Ik ben geen volger. Ik ben ook geen leider, hoewel ik weet dat sommigen mij wel zo zien. Soms neem ik de rol van leider op me, omdat er iets moet gebeuren wat zonder leiderschap niet gaat gebeuren, en dat terwijl niemand anders de leider wil zijn. Leider zijn, leiding geven, dat betekent dat anderen naar mij moeten luisteren. Waarom zou iemand dat doen? Ik ben ook niet geneigd te luisteren naar anderen, puur en alleen omdat een ander “de leider” zou zijn. Goede raad, goede adviezen, goede tips, etc. etc. , die neem ik aan als ik er iets mee kan en als het een probleem van mij oplost. Maar een leider volgen? Nee. Ik volg mijzelf niet eens.

Waar ik echt niets van aanneem, zijn mensen in een uniform. Mannen in pak en stropdas, legermensen, religiemensen, etc. Zij kleden zich als alle andere collega’s omdat… Tja, omwat? Sommigen willen hun groepsgedrag op die manier duidelijk maken. Sommigen willen niet opvallen. De meesten willen halen autoriteit uit hun uniform.

Dat vaak problemen uit ontstaan, blijkt uit het onderstaande. Een brief uit het parool, november 2012. Ik heb niet aan wederhoor gedaan, overigens. Maar de agent heeft toch per definitie ongelijk.

Ik ken dat. Fouten maken, arrogant gedrag, etc. Ik ben eens op een middag, fietsend over de straten van Amsterdam, door een meneer in een politiepak aangehouden. Hij wilde me bekeuren voor het negeren van een rood stoplicht, of hoe hij het ook formuleerde. Hij wilde mij een bon aansmeren, die ik verder niet nodig had. Ik bedankte dus voor het cadeau. Ik was alleen verbaasd te horen dat hij mij voor twee keer roodlicht negeren wilde bekeuren.

Dat was dus een leugen. Sterker, de situatie was als volgt, en dat heb ik de motormuis ook voorgelegd: Ik vroeg hem: Stond u achter de vrachtwagen? Ja. Heeft u mij ook feitelijk door rood zien rijden als u achter de vrachtwagen stond? Hij begon te sputteren en had geen echt antwoord. Een jonge vrouw met rood haar zag ons staan en stopte om te luisteren wat de motormuis mij had te zeggen. Zij had naast mij gestaan bij het stoplicht en kon beamen wat ik zei: bij het eerste stoplicht reed ik door groen, bij het tweede sloeg ik rechts af en reed ik door rood. Dus niet twee x door rood. De motormuis droop af, maar ik had in de situatie als de schrijver van de brief hierboven kunnen zitten. Immers, in beide gevallen is sprake van machtsmisbruik. Het valt me nog mee dat ik niet elke dag een bekeuring aangenaaid krijg door een schwalbe van een politieagent. En ik ben blank, dus het probleem dat andersgekleurden hebben, heb ik niet eens.

En tegelijkertijd worden dat soort praktijken afgedekt door de organisatie genaamd politie. Want laten we wezen: net als in andere organisaties waar bevelen opvolgen centraal staat en een machtsstructuur met veel lagen bestaat, is de kans op falen onherroepelijk erg groot. En: men dekt elkaar af. Dat het zo beroerd gaat met organisaties als politie en religie is inherent aan hun structuur. Zeker nu de huidige mens mondiger wordt en zelf zijn informatie gaat halen. Agenten en pastoors zijn daar nog niet op voorbereid.

Dus zelfcontrole door de politie? Dat is de slager die zijn eigen vlees keurt. Dat moet wel vlees met maden zijn.

(c) rick ruhland 2012.

 

Homo, hetero, biseksuelo, transgendero: allemalo normalo

Ik fiets op deze zonnige ochtend (het is een verademing ook zon te zien in zomer 2011) midden door de stad met mijn zoon voorop. Dwars door de stad rijden we naar Artis. Al die beesten die hij steeds op het schermpje van een Iphone ziet, moet hij maar eens in het echt zien. Fiets neergezet, en met mijn zoon op mijn arm wandelen we richting ingang. Maar voor we daar zijn komen twee (overduidelijke) homo's onze kant op en beginnen een kort, ingestudeerd stukje over homo, hetero en normaal zijn, en ze lopen dan stuurs door. Dat het ingestudeerd is, zie ik al vrij snel. Slecht geacteerd, en bovendien zie ik een camera. Ik ben zelf acteur in commercials en bedrijfsfilms en mede daardoor heb ik ergens een derde oog voor camera's en acteren / acteurs. Maar het is sneu zo aggressief te moeten 'acteren'. Het zal niemand dichterbij halen die toch al negatief over homo's.

Ik wil reageren vanwege het nogal opdringerige en onjuiste van hun gedrag, maar zij lopen door. Het is dan dat ik de camera zie en een vrouw die blijkbaar mensen opwacht om hun reactie te peilen. Zij komt op mij af, maar voor ze een mond op kan doen, foeter ik haar de huid vol. Ja, maar, maar, zegt ze, wij willen graag een ractie los maken. Ik maak haar duidelijk dat de homo's in mijn wereld (hogeschoolcollega's, vrienden, collega-acteurs, kennis) niet  mijn seksuele voorkeur hebben, maar hun eigen voorkeur. Moeten zij weten. Doe wat je lekker vindt. Iemands voorkeur op het gebied van seks interesseert mij niet. De mens achter die voorkeur wel. Uit ervaring weet ik dat de meeste homo's leuker (zeker percentueel) dan niet-homo's zijn. Ze hebben meer smaak, genieten meer, zijn over het algemeen intelligenter. Nee, mij hoef je niet over de streep te trekken. Mensen die niet zo vrij (wat mij betreft: normaal) over afwijkend-seksuele voorkeuren denken, kun je slecht van mening laten veranderen. En die trek je zo zeker niet over de streep.

Maar het is allemaal sarkastisch bedoeld, zegt ze in een laatste poging. Wat een misser. Sarkasme en andere negatieve emoties en denkwijzen zijn het handelsmerk van deze tijd. Die drijft een wig tussen mensen. Wil je iets bereiken, zorg dan dat je als een olievlek je positieve denken deelt.

Maar niet zo. Zo wil je figuurzagen met een botte bijl.

(r) rick ruhland 2011

Oproep aan de Paroolredactie

Beste Paroolredactie,

In de afgelopen jaren (sinds 2002, 2003) had u zo ongeveer om het half jaar een stuk tekst over de Diamantbuurt in Oud-Zuid. Het stuk kwam steeds van dezelfde journalist die wist te vertellen dat het daar altijd zeer slecht ging, dat daar veel jonge criminelen met een allochtone achtergrond rondliepen. U voorkwam woorden als moord en doodslag, maar de teneur van uw stukken was steeds weer: het is een doffe ellende in de Diamantbuurt. Levensgevaarlijk.

Helaas lees ik al tijden niets meer over deze buurt. Dat vind ik wel jammer, want u wist steeds in bloemrijke taal te melden wat er zoal mis was. Ik vind het daarom ook jammer dat u niets meer over deze buurt schrijft, aangezien ik daar jaren woonde. Ik ben een goed jaar geleden vertrokken, en vraag me nu af: Is er dan niets meer aan de hand?

Hoe dan ook, ik hoop toch wel dat er binnenkort weer een stuk komt waar het wee (en niet het wel) van mijn oude buurt weer breed uitgemeten wordt. Want ik mis die slecht geschreven stukken met het onverbloemde vooroordeel. Het rare is: de buurt waarin ik nu woon, kent veel meer ellende dan mijn oude buurt, met doden, brandstichting, berovingen en meer, maar daar lees ik dan weer heel weinig over in  het ‘Sufferdje van Oud-Zuid’.

Kortom, het wordt weer tijd voor een tendentieuze bijdrage over die prachtige buurt, waar ik bijna tien jaar met veel plezier woonde.

(c) rick ruhland 2011.