Proefschrift van de week

Titel: Fibonacci-vogels. Auteur: Pierre Diepenbrock.

Samenvatting: De onderzoeker heeft met dit proefschrift niet zijn eerste meesterproef afgelegd. Al eerder deed hij onderzoek en schreef de proefschriften De zwaartekracht van parfums en Zure tranen (een onderzoek naar de samenstelling van dierentranen).
Met dit derde proefschrift levert Diepenbrock het wiskundige bewijs dat vogels op elektriciteitsdraden in meer gevallen dan op kansniveau zou kunnen worden verwacht, in een Fibonacci-reeks van elkaar zitten. Het maakt wel uit welke vogels op de draad zitten, beweert Diepenbrock. De kans dat er meer dan twee of drie adelaars op een elektriciteitsdraad zitten, is zo klein dat een dergelijke reeks bij die soort niet gevonden kan worden. Overigens is ook bij konijnen en bijen deze reeks al vastgesteld, maar die zitten zelden op elektriciteitsdraden, aldus Diepenbrock.
De wetenschapper heeft ook andere reeksen getoetst, zoals de hyperharmonische reeks, maar die leverden niets op.

Eindoordeel: wij weten goed beschouwd zo weinig van de natuur en van de wiskunde dat we nauwelijks begrip hebben van ordening en volgorde in levende wezens en hoe deze functioneren. Het proefschrift is overigens vooral daarom zo bijzonder omdat de schrijver een waslijst aan voorbeelden geeft van dergelijke reeksen. Niet alleen op elektriciteitsdraden, maar ook op waslijnen en op schrikdraden (van die laatste merkt Diepenbrock op dat het gezelschap vogels in dat geval nog wel eens van samenstelling wil veranderen als er een vogel bij komt zitten; vaak gaat de Fibonacci-reeks over in een kwadratische functie).

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

Spiegelzwijn en de volgzame ezel 2: De bostuin

[Wat vooraf ging, staat hier]

Ija Ezel had de hele nacht na zijn bezoek aan Spiegelvarken (die heette eigenlijk Zeug Spiegelzwijn, maar Ija, Egel, noemde beestjes als Zeug niet graag bij de naam) in verwarring doorgebracht. Niet door wat Spiegelvarken had gezegd. Die zei wel vaker iets waaraan geen touw viel vast te knopen.

Nee, het ging om wat hij *over wie* gezegd had. Voor de duidelijkheid: Spiegelvarken was een van die zoogdieren die graag andere de maat nam, omdat hij meende dat hij het beter wist. Die andere dieren bovendien graag onder zich hield.

Hij had zich uitgelaten over Wylde Egel. Die was geen vriend van Spiegelvarken. Wylde Egel werd beschouwd als een profiteur, als een crimineel, als een klaploper. Hij was tot voor kort de deelsecretaris van Oude Woud.

Wylde was daarenboven ook nog eens een einzelgänger. Een dier dat zich niet liet kooien. Spiegelvarken was daar niet van gecharmeerd. Die zag Egel als een zelfverrijker. Bij de behandeling van de jaarlijkse begroting voor de tuin in het bos, waar elk dier een stukje mocht bebouwen voor de eigen consumptie.

Het bleek dat Wylde tijdens de laatste bosvergadering zich nogal denigrerend had uitgelaten over de dieren die hun stukje land vooral mooi wilden maken. Wylde meende dat dat niet kon, dat daar de subsidies niet voor bedoeld waren.

Spiegelvarken, niet vies van een onderhands dealtje met iedereen die hem rijker kon maken zonder dat hij er iets voor hoefde te doen, werd een beetje pissig.

‘Je bedoelt toch niet dat je meent dat er sprake is van corruptie bij de toekenning van subsidies?’

‘Nou..’ weifelde Wylde.

Spiegelvarken had Egel indringend aangekeken.

‘En hoe staat dat in verhouding tot vele integriteitskwesties die uw partij plagen? Dat moet toch wel te maken hebben met de gerichtheid van uw partij op het bedrijfsleven, van de schoorstenen uit de stad.’

Wylde slikte een keer, keek naar zijn persvoorlichter en kreeg een briefje aangereikt. Na kort lezen sprak hij de legendarische woorden, woorden die als vervuilde modder aan het plafond van Spiegelvarkens moraal bleven hangen:

‘Ik ben twee jaar deelsecretaris van bosbouw geweest. Daar zie je een grote vermenging tussen politici en tuindersverenigingen. Dan gaat het over subsidies. Iets waarvan je kunt zeggen: dat is misschien nog wel erger, want dat is belastinggeld waarmee geschoven wordt, in clubjes die daarover besluiten. Maar het lijkt wel alsof dat soort contacten geaccepteerd zijn en contacten met het bedrijfsleven niet of in mindere mate.’

Spiegelvarken sloot uit zijn slof, die hij vervolgens oppakte en in zijn hand hield. Hij sprak toen de legendarische woorden die nog steeds het bos in vele kampen verdeelden:

‘U geeft geen antwoord op de vraag. U verlegt corruptie in eigen kring naar iets ongerelateerds. Terwijl u vergeet vermelden dat het geld in het bos wordt verdeeld op basis van geoorloofde, op beleidskeuzen gebaseerde structuren. Terwijl uw partij vooral baat heeft bij de schoorsteensmeerpijperij van de stad. En als het al zo is dat er bij de tuinsubsidies om ongeoorloofde zaken ging, waarom heb je als staatssecretaris nooit keihard opgetreden? Als het inderdaad zo is dat bij de subsidietoekenning sprake was van de foute vermenging van politici en misschien misbruik van gemeenschapsgeld, dan heb jij je werk niet goed gedaan. Dan keur je het toekennen van kleine subsidiepotjes af door de aanklachten van het Openbaar Tuinisterie aan uw adres, zoals fraude en omkoping, af te doen als noodzakelijke contacten met de gifmakers die de fabrieken van de stad runnen. Ik zou deze slof naar uw hoofd kunnen gooien. Maar dat doe ik niet. Want ik ben een fatsoensmens.’

Wylde lachte de opmerkingen weg.

‘U bent een slecht verliezer, Spiegelvarken.’

Maar dat was het enige dat Egel kon zeggen.

Ezel kwam een dag na die aanvaring in de vergadercentrum, dat op de tra in het midden van het bos stond, bij Spiegelvarken over de vloer. Een maand later moest Wylde Egel vertrekken en sindsdien is onduidelijk wat van de voormalig deelsecretaris is geworden.

Ezel lag in zijn bed en dacht aan de woeste blik in de ogen van zowel Spiegelvarken als Wylde Egel. ‘Waar was de samenhang tussen ons dieren gebleven?’ Hij zuchtte. Hij had van zijn opa het muilpaard verhalen gehoord over de strijd tussen de werkpaarden en dressuurezels, zoals hij die noemde. En hoe de wereld bijna ten onder ging aan de strijd tussen het dorp en de stad. Opa had niets met solidariteit, maar voor iedereen was er een plek, zo meende hij. Behalve voor Wylde en Spiegelvarken, dacht Ezel grimmig.
Dat zou hij Spiegelvarken eens voorhouden de volgende keer.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Strange attractions: pool flies. Auteur: Claudia Mänges.

Samenvatting: De schrijfster van het proefschrift, een achterkleindochter van de zwembadenmagnaat Rudolph Mänges, heeft zich gestort op een observatie die menigeen moet delen met anderen zwemmers, maar die waarschijnlijk maar weinigen hebben uitgesproken. Die is in het kort: Waarom willen vliegen zo graag op een mens zitten die nat van het chloorwater is? Of zoals zij in haar inleiding schrijft: ‘Als ik nat uit het zwembad kom, willen vliegen op mij zitten. Zodra ik opgedroogd ben, zie je die vliegen niet meer terug. Hoe zit dat?
Ik moet zeggen, ik herkende de vraagstelling, en ik was dan ook zeer benieuwd naar haar onderzoek. Mänges heeft verschillende factoren onderzocht. Van het weer en temperatuur tot de huidsoort van proefpersonen, van het soort water tot de soort vliegen. Haar conclusies liegen er niet om. Het fenomeen heeft te maken met het chloor in het water maar vooral met het feit dat mensen in het water plassen en zelfs poepen. Het chloor gaat met de urine en faeces een verbintenis aan die vliegen lekker vinden. Het onderzoek is uitgevoerd met diverse variabelen: met alleen chloorwater, met urine / poep in kraanwater, met urine en poep in chloorwater. Vooral chloor, urine en poep in het water, een buitentemperatuur van meer dan 25 graden en overwegend zonnige perioden, en ordinaire huis-, tuin- en keukenvliegen zijn de elementen.

Eindoordeel: Soms is onderzoek weinig of beperkt nuttig, maar de onderzoeksvraag zodanig dat je het antwoord graag wilt weten. Het is dus inderdaad zo dat vliegen eerder op je huid willen zitten als je uit een zwembad komt. Dat dat dat komt doordat het water vol chloor en urine / poep zit, dat is dan weer minder fraai.

© Rick Ruhland 2018

Voorrang

Ik zat in de auto afgelopen week. In een grote stad rijden betekent beter opletten dan in een dorp of landelijke omgeving. Veel andere auto’s, taxi’s, bussen, trams, fietsers, voetgangers, toeristen, etc. etc., en vooral ook veel van dat alles. Je eigen zin doorzetten leidt tot ongelukken. Juist in een stad is het goed en wijs om de verkeersregels te respecteren. Het valt des te meer op als je een tijd buiten Nederland bent geweest dat hier meer het recht hebben op wat dan ook en beter menen te zijn dan andere mensen.

Bij een kruising moest ik wachten op het tegemoet komende verkeer en op fietsers en wandelaars die tegelijk groen licht hadden. Ik wachtte rustig, net als de auto voor mij. Maar de auto daarvoor niet. Die reed met gierende banden weg toen het stoplicht op groen sprong. Toen hij aankwam bij het zebrapad, waarop mensen liepen die voorrang hadden, sloegen bij deze ‘man’ de stoppen door. Met het raam open schreeuwde hij iedereen die lopend overstak toe en maakte ze voor vuil, ratten. Complete kortsluiting in de kleine hersenen.

Ik weet dat mensen in een grote stad opgefokter zijn. Onbeschofter. Maar bij deze man was de overtreffende trap bereikt. Hij was zo extreem verdorven vertoornd dat zijn hele gezicht misvormde en de spieren in zijn keel aanspanden en bijna door zijn huid heen staken.

Hij is voor mij nog steeds het prototype Nederlander (het was een blanke klojo-majeur) dat boos wordt als het niet krijgt wat het wil, waar het recht op heeft. Zijns inziens. Alleen zijns inziens. Het is een vergaarbak van onbeschoftheid, halsstarrigheid, cynisme, in-zichzelf-gekeerdheid, en botheid. Het is het type levend wezen dat als reactie op een goedbedoelde lach, jou een beuk verkoopt. Alles vanuit het standpunt ‘Ik heb hier recht op’.

Tja, en dan moet je wel voorrang krijgen, en dan mag je daar iemand voor dood rijden.

Het hoge zombie-gehalte van de medemens valt des te meer op als ik de hemel ben geweest. Japan. Het land, de natuur, de bewoners, het fatsoen. Japanners weten nog wat het is om samen te leven.

Een andere hemel: Schotland, voor de gelovigen onder ons ook te schrijven als ’s Godland. Een land bevolkt door Schotten (…). Wat zo goed aan dat volk is: de openheid, de verhalen, de goedmoedige grappen, de whisky, de behulpzaamheid. Schotten zijn zoveel verder ontwikkeld dan Nederlanders.

Ik moet nodig weer terug. Ik ga gauw weer terug.

© Rick Ruhland 2018

Ezel

In het westen, net voorbij de rivier die gemoedelijk door het laagland slingerde, hoopten wolken samen en voor de pluizige antracieten watten over de rivier zouden zijn, wiste hij het zweet van het voorhoofd, gooide de spade weg waarmee hij het land had omgespit en waardoor de grond rijp was voor een nieuw gewas, en stapte het huis binnen om zijn overall uit te doen en de zwembroek aan, en toen hij zo, bijna naakt, op zijn motor stapte, reed hij, terwijl de zwoele wind langzaam toenam als aankondiger van noodweer, een plensbui, met steeds grotere vaart over de dijk die voerde naar de heuvel langs de rivier en waar het bos van dennen en sparren als een stekelig haardos duidelijk in de wijde omgeving te zien was, en nadat hij zijn motor bij het vennetje in het bos had gestald, trok hij zijn zwembroek uit en dook naakt in het groezelige water, vol halfverteerde planten resten en bladeren van de vorige herfst, die hier in het midden van het bos, waar zelden iemand kwam, alleen hij van tijd tot tijd, slecht rotten en die een zure smaak in de mond gaven als hij vergat zijn mond te sluiten, duikende in het water, en na een keer zwemmen naar de overkant en terug klom hij het water uit, trok zijn zwembroek weer aan en reed, dit keer in de laagste versnelling, terug naar zijn stolpboerderij in de polder, waar hij het mosterdzaad over de zwarte grond strooide, en toen hij opkeek, rechtop staand in niet meer dan zijn zwembroek, barstte het noodweer los en met geweld van donder en bliksem kwakte een plensbui van een half uur, een bui van Bijbelse proporties want met druppels dik als golfballen, op de aarde en in het kabaal van de stortvloed schreeuwde hij een minutenlang durend AAAAHHHHH naar de hemel, tot zijn voeten tot aan de enkels in de klei waren weggezakt en hij besefte dat deze dag het einde van de zomer aankondigde, de dag van de laatste warmte, en dat zijn werk was gedaan, en vooral dat hij geen tijd meer had om met zijn zeilboot de plas op te gaan, en over het water van de zandafgraving te zeilen, om nog een keer met warm weer naar het eiland te glijden, het eiland met de kapel, waarin de naakte madonna door zomergasten werd aanbeden met duizenden heiligenbeelden en die de plek was waar hij kwam als hij zichzelf moest bevredigen om te voorkomen dat hij zich weer vergreep aan zijn ezel, en om dan met wind in de rug terug te keren naar zijn huis en daar huilend in bed te vallen…

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het paargedrag van de groengerande mestkever in zuidoost Australië tussen 1820 en 1840: een casestudie. Auteur: Icke van Yke.

Samenvatting: Het mag geen verbazing wekken dat we van het gedrag van dieren die al 100 of 200 jaar dood zijn niet tot nauwelijks weten wat en hoe ze deden. Denk aan de quagga, de Tasmaanse tijger, de dodo. Om een mijns inziens nog aansprekender voorbeeld te geven: we hebben geen idee hoe dinosauriërs klonken. Jankten ze als honden, brulden ze als leeuwen, loeiden ze als koeien, blaften ze als hyeana’s?
Van Yke heeft een onderwerp van die orde bij de kop gepakt. De voortplanting van kevers in het verleden. Haar onderzoeksobject is wel zeer specifiek: de mestkever. Het gevaar van de studie zit echter elders: de periode waarover het onderzoek gaat. Waarom die jaren: 1820 tot 1840? Alsof er toen al genoeg mest was in Australië!

Eindoordeel: Niet best. Geen DNA-onderbouwing. Selectieve dataverzameling. En waarom zuidoost Australië? Daar kwam de kever destijds helemaal niet voor!

© Rick Ruhland 2018

Fascinating Friday: Pope lick monster

For a great deal of my live, I have hold a fascination for local stories in which a person or animal plays a role that is somewhat scary, but where evidence for the person of animal is scarce. Such animals / persons have a mythical element, not only because of their shape or appearance, or their rare sightings, but also because of the aural nature of these stories and the lack of clear other, mainly visual, proof.

The likes of Bigfoot and Nessie (the creature that supposed to live in Loch Ness, Scotland) are pretty well known, and altough it’s hard to believe they are real, they constitute an important aspect of us humans: we want to hear stories. Those legends, if you can call them that, contain – in general – messages and specific morals. Archetypes, if you will. A lot of these legends are a little frightening, we don’t understand these stories completely, and more over, we want them to be ‘real’. Real here means ‘a magical touch’. We humans apparently need that kind of stories.

One of these stories – I don’t like the term urban legend, because most of these persons or anmimals are not urban, but rural – is the Pope Lick Monster. This animal is a part-man, part-goat creature that lives near a train track in Louisville, Kentucky, United States. Here is one of those vague photo’s of the creature:

POPE-LICK-MONSTER-PROVED-IT-IS-REAL

Is it real? That is not the issue. Important is what we want to see, what we want to believe. And since the evidence is not conclusive, even in these times of technical progress, there is still room voor Pope Lick Monsters. Bigfoot. Nessie. God.

Or whatever creature. Because every country or even province or state has its fair share of rural legends. Take for instance this overview of United States:

Monsters in the us

If you want to read more about the Pope Lick Monster, there is wikipedia and an article about a woman killed on the train track (but not by the monster…).

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 5

,

Mijn vriend is vegetariër en vindt nu dat mensen geen dieren mogen gebruiken voor seks. Maar hij vindt nu ook dat dieren mensen mogen verkrachten voor hun dierlijke vergenoegen en genoegens. Is hij niet een beetje ziek in zijn hoofd? Of is het mijn penisnijd? Ik heb hem ooit toegezongen:

“Ze zegt dat het niet is omdat ze pijn wil doen of uit penisnijd
Wanneer ze met een mes mijn strak gespannen balzak opensnijdt.”

Ze zegt dat het slechts is om te testen hoe scherp het mes is dat van beide kanten snijdt. Moet ik of moet hij hulp zoeken? En is groepstherapie dan handig?

Ik hoop echt dat u een advies heeft, want ik moet nu elke dag als dier dienen en me laten nemen.

“Hongerige wolf”.

© Rick Ruhland 2018