Semantische inflatie

Semantiek is met een ander woord gezegd betekenisleer. Formeler gezegd: semantiek is de wetenschap die de betekenis van symbolen bestudeerd. En symbolen zijn in onze natuurlijke talen de klanken, woorden en zinnen, en zelfs hele teksten.

De studie van de betekenis van symbolen is een (geslaagde) poging om een formeel systeem te bedenken om natuurlijke taal, zoals het Nederlands, te analyseren. Om voorspellingen over een taal te doen. En deze analyses zijn niet alleen een wetenschappelijke exercitie, ze zijn ook van groot nut bij (ik noem maar wat) het vastleggen van informatie in computertalen. Lang geleden, nog in mijn studietijd, heb ik daar met twee andere onderzoekers een artikeltje over geschreven. Al deze exercities in de (formele) semantiek zijn dus niet alleen wetenschappelijk boeiend, maar hebben ook een praktisch nut.

Welnu, als ik de wetenschappelijk wereld van de studie van semantiek een verzoek mag doen: analyseer de huidige semantische inflatie. De wat? Semantische inflatie is het verschijnsel dat woorden die vroeger een bepaalde betekenis hadden, een bepaalde ‘standing’ hadden, verwaterd raken en erger, steeds minder zeggingskracht hebben.

Ik zal een paar voorbeelden geven, en ze komen allemaal uit ‘het onderwijs’. Lyceum. Van oorsprong een instelling als atheneum en gymnasium: een schooltype dat voorbereid op een universitaire studie. Helaas, heden ten dage wordt het woord gebruikt voor elke plek waar een jong persoon een poging doet een boek open te slaan. Nog zo’n woord: intelligent. Was dat vroeger een woord voor een mens die in staat was op een IQ-test behoorlijk te scoren, tegenwoordig is het een woord dat wordt gebruikt voor iedereen die zinnen kan maken van meer dan vijf woorden. Volgende woord: universiteit. Een plek waar je wordt opgeleid om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te doen, waar je iets leert over normen en waarden van kennis en kennisoverdracht, waar je nieuwe kennis verwerft en zelfs genereert. Helaas, in dit ‘verangliserende’ land, waar doodnormale woorden ogenblikkelijk worden vertaald in het Engels, is het Hoger Beroepsonderwijs (hbo) inmiddels ook een universiteit: ‘university of applied science’. Zo noemen deze instellingen voor hoger onderwijs zich tegenwoordig. Maar eh, laat me niet lachen: met wetenschap hebben deze instellingen niets van doen en wetenschap is er bij de oren bij gehaald. Laatste voorbeeld is helemaal van de ratten besnuffeld: student. Dit wordt inmiddels door en voor leerlingen, pupillen nog, van middelbare scholen gebruikt (zo zag ik deze week een ingezonden brief in de NRC van twee leerlingen van een middelbare school die zich, ik zweer het je, student noemden). Studenten zijn deze kinderen zeker en voorwaar niet; sterker, de meeste van deze kinderen komen niet eens in de buurt van studeren, studie, student zijn.

Overigens is hier al eens wat geschreven over grammaticale inflatie. Lees maar wat er staat (of staat het er niet, Meneer Nijhoff?).

Ja, ik maak mij druk om deze inflatie van betekenissen. Het is net alsof we het woord magnifiek gebruiken voor een gebeurtenissen als ‘poepen in het bos’. Alsof dat een prestatie van wereldformaat is. Ik moet heus wel lachen om deze inflatie, het is ergens, ver weg, humor om te zien dat in deze tijden mensen en organisaties zichzelf belangrijker maken dan ze zijn, maar het is lachen en humor met tranen in de ogen en pijn in het hart.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Partij voor planten IX

Oei, dat was niet de bedoeling. Toen ik de vorige keer had geschreven over andere vruchten dan appels en peren, had ik binnen geen tijd een mailbox vol met mail. Haatmail vooral. Hoe ik op het onzalige idee, en zelfs gevaarlijke idee, kwam om een papaja te eten. Ik kan daar nu natuurlijk niet op reageren op een zodanige wijze dat die GW-aanhangers en GW zelf snappen wat er zo lekker is aan een papaja. Of kiwi. Of ananas. Zij vinden bij voorbaat een vrucht van vreemde bodem verdacht. Die hoort hier niet. Of iemand als ik dan wel met zulk fruit mag omgaan, was een vraag die bij mij opkwam.

Ik heb dat ook gevraagd in een mail terug. Want is het idee van het leven niet dat we vooral genieten? Dat we met elkaar mooie momenten proberen te hebben. Dat we een vruchtbaar bestaan hebben. Dat we er iets van maken. En ook: planten zijn er voor hun eigen genot, maar het is natuurlijk ook zo dat de ene plant niet perse beter is dan de ander. In diezelfde mail vroeg ik me af of sommige planten nuttiger zijn dan andere.

Nou, dat heb ik geweten. Ik moest worden opgesloten in een concentratiekamp, zei de een in een mail. Opblazen die gast, stond op een forum.

Het erge en enge: bijna iedereen in die mails en op internetfora vindt dat de opperplanten zijzelf zijn. Niemand steekt de hand in eigen boezem, of de meeldraad in eigen bloemblad, en durft te stellen dat er onder de oorspronkelijke planten, de aanhangers van GW, wel erg veel klaplopers en poepverkopers rondzwalken. De wat slimmere planten, die net als GW ternauwernood hoger administratief fauna-onderwijs (HAFO) hebben genoten, spreken zelfs van faunavervalsing. Het is me wat.

Het is natuurlijk blabla van de bovenste plank. Want wie bepaalt wat exoot is en wat niet? Alles wat hier al lang groeit? De familie van GW kwam ook pas 148 jaar geleden naar Nederland, dus dat is recent. Wat is recent? Wanneer is iemand wel een exoot en wanneer niet? Wie heeft wel het recht op de blanke toppen van Neerlands duinen te groeien? Volgens de stamboom is GW dus eigenlijk geen natuurlijke bewoner van onze velden en bossen. Eng wordt het wanneer een enkeling vindt dat we met DNA aan de slag moeten gaan als een plant moet worden buitengesloten. Alsof je daarmee iemand ontzegt dat hij mag groeien en bloeien. Dat neigt naar eugenetica. En dan heb je een probleem bij mij, als plant van Duitsen bloed. Want ik heb geleerd van de plantengeschiedenis van mijn volk. Nie wieder.

Ik heb er een nacht over geslapen. In mijn nachtmerries vol triffid-achtige schepsels hoorde ik steeds weer mijn eigen vraag: wat doe je met die planten, fruit of groente, die van oudsher overal groeien?

In die zelfde nachtmerries riep iemand: REFERENDERUM! Ik denk dat ze bedoelde referendum, maar het was een van die hafisten die dat riep. Een ander schermde ermee dat zelfs de grote Kruis van Bessenbroek had gesteld dat een plant van vreemde bodem niet op onze constitutie moest worden geënt. Badend in het zweet werd ik wakker nadat in de laatste nachtmerrie miljoenen planten hun rechtertak gestrekt omhoog staken.

Ik heb het GW maar meer voorgelegd. Moeten we dus alles afwijzen wat niet van oorsprong hier voorkomt?

© Rick Ruhland 2018

Partij voor Planten IV

 

Het was een paar maanden merkwaardig stil aan het plantenfront. Al een week of zelfs maand of wat. Heb een paar een keer mail gestuurd naar de groep onder leiding van een plant met de (schuil?)naam Goor Waskruid. Kreeg vandaag een mail terug van de zelfbenoemde (partij?)voorzitter gekregen.

Ik dacht eerst dat hij een cactus met lange stekels en korte wortels was, maar zo schreef de man of vrouw (het geslacht is me niet duidelijk): z/hij heeft slappe bladeren in de kleur ‘week groen’. GW wilde verder zijn of haar origine niet prijs geven, en ik weet ook niet of planten namen geven aan zichzelf of aan anderen. In de mail staat dat de radio- en mediastilte niet zomaar is. “We zijn bezig met een enquête onder de leden. We zijn een democratische partij, en we doen wat de leden willen. En jij, Rick, bent onze spreekbuis. Ik ben de leider, maar jij geeft ons een stem.”

Ik zie dat niet zo. Ik vind het belangrijk dat stemmen gehoord worden in onze en eigenlijk elke maatschappij. Wat je ook te zeggen hebt, het moet gezegd worden. Absolute vrijheid van meningsuiting. Voeg er wel fatsoen en respect aan toe. Met die twee woorden gaan velen aan de haal om te laten zien dat ze het echt goed bedoelen; dat is echter maar zelden het geval omdat de meesten dat tweetal ‘fatsoen en respect’ in de mond nemen om daarna ongebreideld en onbeschoft mensen af te maken. Met woorden, dat dan weer wel. Ik heb daar een schijthekel aan. Dat kan zo ver gaan dat mijn sympathie voor iemand omslaat in weerzin, ook al ben ik het hartgrondig met die persoon eens.

[En terwijl ik dit schrijf krijg ik weer een email…]

Waar GW het ook al mis heeft: ik ben niet zijn spreekbuis (ik weet nu dat hij een hij is, want hij heeft het over pissen in het urinoir; een vrouw denkt daar niet aan). Zeker niet als iemand dat tegen mij zegt, of mij opdraagt. Daar gaat het altijd mis: als mensen andere zeggen dat iemand moet volgen, ontstaat de grootste ellende. Politieke, religieuze, economische en andere ideologieën die enkel tot waanzin leiden. Goor Waskrijt heeft me eerder eens gezegd dat hij en zijn volgelingen (ik dacht alle planten gelijk waren, of minstens gelijkgezind, maar sommigen zijn dus gelijker dan anderen) streven naar een brede, Europese stroming. Maar dan niet waarbij andere Europeanen de dienst gaan uitmaken in de florawereld van Nederland.

Maar, zo vervolgt hij, ‘wel vanuit mijn grote ideeën en mijn standpunten. Laten we niet vergeten, zo schrijft hij, ik en mijn volgers zijn toch goed voor minstens 6 % van alle planten. En dan tel ik alle zwijgende sympathisanten nog niet eens mee’. Hij gaat verder met zijn verbale waterval – zonder enige alinea-indeling, waardoor de tekst als een blok letters op het scherm staat en nauwelijks duidelijk is waar de ene zin begint en de andere eindigt, ook al omdat deze plant nou niet echt van interpunctie heeft gehoord – dat de Nederlandse plant meer voorop moet staan in de natuur van Nederland. Wat hij me niet duidelijk maakt, is waarom hij dat allemaal wil. Dat weren van planten. Zijn sommige planten nuttiger? Beter? Mooier? Ik heb die vraag en veel meer aan hem gesteld in een mail terug. Zodra ik weer iets hoor, meld ik me weer.

© Rick Ruhland 2015

Mijn roman spreekt de waarheid

In een nog uit te geven roman is een van de uitgangspunten dat Nederland in de tweede wereldoorlog zo goed als geen verzetshelden kende, maar dat ons land een lichaam van een collaborateur was. Hetzij uit fascistische overtuiging, hetzij vanwege de oer-Hollandse koopmansgeest.

Die gedachtegang, een hypothese, was lange tijd een voorlopige conclusie. Echter, de wijze waarop dit lage land zich sinds jaren 80, toen de Centrumpartij het gajes van de samenleving verenigde, en voor het eerst sinds 1945 zo extremistisch en extreem uit tegen alles wat hier niet vandaan komt, dat is het bewijs dat er sinds die wereldoorlog niets veranderd is.

Zelfs de oer-Hollandse koopmansgeest is aan het verdwijnen, terwijl die armoedzaaiers die oorlogsgebieden ontlopende gelukszoekers prima als slaaf ingezet kunnen worden op onze velden. Wij, het superieure ras van de kleiige laaglanden, zouden toch dat voordeel kunnen uitbuiten door zulke klaplopers voor ons gewin in te zetten. Maar zelfs dat wordt afgewezen.

Uiteindelijk zal dat natuurlijk ook niet gaan: het inzetten van buitenlanders als goedkope arbeidskrachten zal op weerstand inzetten. De meeste van de inheemse ophitsers en schreeuwers zijn werkloze nietsnutten met een WW-uitkering. Vluchtelingen zullen die uitkering komen opeisen. Of erger: de van kabeldikke nekpezen voorziene en frustratie uitkotsende kinkels raken hun laaggeschoolde baan kwijt aan die verdwaalde vreemdelingen.

Het zal niet anders gaan dan begin Wereldoorlog II: we houden de grenzen dicht voor vreemdelingen met een ander geloof dan het calvicynisme. Wat elders misgaat, is niet ons pakkie-an.

Hoe is ons land anders groot geworden?

© Rick Ruhland 2015

Citaat van de dag: beu

In de krant werd een politicus geciteerd. Hij zou gezegd hebben (het staat wel in de krant, maar de krant is net als ‘statistics, more statistics and…’):

“Ik ben die politieke spelletjes zo beu.”

Zijn zij nou zo dom, of ben ik nou zo slim? Ja, of u het nou goed of fout raadde: beide.

Hij zou een mooi statement kunnen maken, als voorbeeld voor alle politici: verlaat dat pluche. Haal die Ivoren Toren omlaag.

© Rick Ruhland 2015

Economessias

Iemand die door de arrogante blablaters van handel en economie als god en genie wordt beschouwd, maar die feitelijk niets anders doet dan ideetjes in de lucht werpen en dan wel ziet of een van die uit de lucht gegrepen manifesten past bij de huidige economische situatie, waarna zijn mede-geloofsgenoten zijn uitlatingen beschouwen als waar (voor zolang het duurt, want er staat binnen de kortste keren weer een andere handelsheilige op) en hem als monetair mirakel aanbidden.

© Rick Ruhland 2015

Zo dus niet, overheid

Stel je krijgt een brief van de lokale overheid (gemeente) met daarin de oproep om het paspoort van je kind te komen vernieuwen. In de brief staat wat je moet meenemen: je kind, het oude identiteitsbewijs en een (nieuwe) pasfoto. Logisch. De brief zelf hoeft niet mee, maar voor de zekerheid stak ik die ook bij me. Je weet maar nooit.

Vol goede moed trokken we naar het stadsdeelkantoor dat niet ver van ons huis is. Ik vroeg mijn koter of we lopend, met de fiets, de tram of de auto gingen. Het werd de auto. Het was kort na drieën, immers, je kind was naar school en hij moest wel mee. Een man bij de deur vroeg, heel vreemd, of wij een afspraak hadden. Nee, ik kom een paspoort verlengen dus ik ben hier met… Nee, dat kan niet meer, aldus deze man met een V op de borstzak van zijn slechtzittende donkerblauwe colbert. Huh, zei ik vrij intelligent. Het stadsdeelkantoor, aldus de man, is niet meer open na 15.00 uur.

Alleen als je een afspraak hebt, is men genegen je te helpen, blijkbaar.

Maar dat is toch van de ratten besnuffeld? Ik zei het niet hardop, maar het was te zien aan mijn gezicht. Je staat als stadsdeel, overheid, gemeente, in dienst van de “burger”. van een stad van 800.000 mensen, en je gaat om 15.00 al aan de prosecco? Wat hebben jullie verder nog te doen zo’n namiddag? Met je poten op de balie en verder niks? Ben je nou helemaal belatafeld!!! Ga eens aan het werk, ambtenaar (in deze context is dat een scheldwoord).

De man met V opperde toen: 5 kilometer verder weg is een kantoor – in de wijk Osdorp – dat wel open is en dat ook het paspoort kan verlengen. Zo gezegd, zo gedaan. Wij togen naar de auto en reden een enkele centiliters benzine stuk om in de middag, het was inmiddels net na vieren, bij het verder weg gelegen maar geopende kantoor aan te komen. We trokken een nummer uit het nummertjesapparaat en gingen zitten. Mijn zoon kletste over school, we lachten wat af en steels keek ik af en toe naar de plusminus 15 mensen achter de balies.

En toen? Toen begon het grote wachten. Niemand bewoog. Het leek een snikhete dag waarop alle dieren in het veld er het zwijgen toe doen. Met dit verschil: het was koel en zelfs koud in het kantoor. De ambtenaren keken schaapachtig om zich heen. Verder gebeurde er niets. 20 minuten lang. Geen balie ging open, niemand werd geholpen, de “burgers” bleven binnenkomen. Er is blijkbaar geen intrinsieke of excentrieke aansporing aanwezig om mensen te helpen, mensen die echt wel andere en dringende bezigheden hebben, zoals werk of zorg voor kinderen.

Zelfs de veiligheidsman in het Osdorper stadsdeelkantoor leek zich te schamen. Hij ging bij mensen lang om te vragen welk nummer iedereen had en dat het inderdaad wel lang duurde. Na een minuut of 20 van schurende indolentie ging de teller van de wachtlijst weer een omhoog en kon de volgende “burger” zich vervoegen bij een van de balies waar een koning der ambtenarij kon worden aanbeden.

Na een half uur kwamen wij aan de beurt. Met onze gegevens en papieren in de hand zei ik dat ik voor mijn zoon een nieuw paspoort kwam aanvragen. Ik had de brief goed gelezen en zelfs op internet gekeken of we alles bij ons hadden. Maar vooral de brief was zo uitgesproken qua vereiste documenten e.d. dat ik goed voorbereid dacht te zijn verschenen aan het loket van koning ambtenaar.

“Nee, dat is niet voldoende.”

Ik kijk hem ongelovig aan. Eerst kom ik in een kantoor dat om 15.00 al sluit (en waar je alleen terecht kunt als je een afspraak maakt, dus belt met hun gouden telefoon), dan kom ik in een kantoor waar indolentie, een ander woord voor onder andere laksheid / luiheid / apathie / loomheid / onverschilligheid / futloosheid, een enige richtlijn is waar men zich aan houdt.

“U moet ook een verklaring van de moeder hebben.”

Pardon? Ik ben de vader. Ik heb destijds aangifte van geboorte gedaan zonder de moeder. Ik heb al voor zijn geboorte mijn kind erkend. Ik heb zelfs een identiteitsbewijs van mijzelf bij me om te laten zien wie ik ben, en dat mijn zoon dezelfde achternaam heeft, dat hij in het systeem staat als mijn zoon. Ik heb een pasfoto van hem, ik heb zijn huidige identiteitsbewijs.

Ik lees de brief nog eens door. Nee, staat er niet in. Als dat zo belangrijk is, dan zet je dat er in. Je verwijst niet naar een algemene pagina op een website van de gemeente (wie geen internet heeft, en die zijn er, is helemaal het haasje). Nee, je meldt duidelijk en in gewoon Nederlands dat een verlenging van een paspoort vaagt om het oude paspoort, een foto, EN een verklaring van de partner dat zij / hij instemt met het aanvragen van een nieuw paspoort. Sterker, en dat is een briljant idee dat niet uit de koker van de ambtenarij komt, maar uit mijn superbe geest: voeg zo’n formulier meteen toe bij de brief waarin je meldt dat het paspoort van je kind verlengd moet worden.

Maar het is nog erger: je moet het identiteitsbewijs van de partner ook bij je hebben. Geen kopie, nee, het feitelijke bewijs. Dat moet ik dus meenemen naar het gemeentehuis. Dat betekent dat diegene (mijn partner) op dat moment strafbaar is en zeker niet naar buiten kan als zij of hij geen ander identiteitsbewijs heeft. Met de lange wachttijden in gemeentelijke wedkantoren is dat een levensgevaarlijke situatie. De partner kan zo maar opgepakt worden, de gederfde inkomsten zijn ook niet mals en zelfs ik, die met het identiteitsbewijs van een ander rondsjouw, ben eigenlijk strafbaar bezig.

Kafkaëske bureaucratie heeft een nieuwe invulling gekregen en is te vinden in de stadsdeelkantoren van Amsterdam. Ik ben al geen vriend van de overheid die niets anders is dan een bonte verzameling verborgen werklozen. Maar dit slaat helemaal als een tang op een varken. Stadsdelen is eigenlijk een werkwoord: het is een moderne versie van verdeel en heers.

Mijn zoon gaat voorlopig niet naar het buitenland. Ik moet eerst een afspraak maken met een ambtelijk persoon (het is niet vreemd dat een van de betekenissen van ambtelijk is: bureaucratisch), als die tenminste er is en de telefoon op gaat nemen. Dan moet ik alles meenemen, natuurlijk meer dan in de brief staat vermeld. En dan moet ik ook nog geld betalen voor een bewijs dat eigenlijk moet worden betaald door de overheid omdat zo’n vodje door de apparatsjik geëist wordt. Sterker, dat paspoort is geenszins iemands persoonlijke eigendom, maar is en blijft van de staat; raar: je betaalt voor iets wat nooit en te nimmer jouw eigendom wordt.

Ik en machthebbers: beroerde combinatie. En dan zeker met iets als een ambtenaar. Met de nadruk op de laatste lettergreep.

Wat een verspilde middag. Gelukkig was het wel leuk met mijn zoon. Als ie maar geen ambtenaar wordt, want dan schopt hij iemand geestelijk dood.

(c) Rick Ruhland 2015

Meer voorlopige aanslagen

Het is bizar hoe een bericht in de media mijn hersens volledig op het verkeerde been zetten. Ik wijt dat aan de moderne tijd. En de media natuurlijk, want die hebben het altijd gedaan.

Ik las dat iemand meer voorlopige aanslagen verwachtte. Daarbij dacht ik in eerste instantie aan geweld.

Voorlopige aanslag? Wat weet die persoon? Dat er binnenkort weer doden gaan vallen? Wat natuurlijk raar is, dat er iets als een voorlopige aanslag is. Wat is een voorlopig aanslag? ‘Ja, we hebben een zelfmoordenaar en een hoop bommen. Nee, we weten nog niet wanneer we de boel gaan opblazen.’

Nog intrigerender: het ‘meer’. Ik wist niet dat er al iets als een voorlopige aanslag is, laat staan dat het niet bij één blijft. Maar als een overheidsdienaar praat over ‘meer voorlopige aanslagen’, dan weet hij misschien niet wanneer die aanslagen komen, maar wel dat er meer komen.

Maar toen gingen mijn hersenen werken. Heeft dit wel met de strijd tussen religies en ideologieën te maken?

Nee, het was een opmerking van een dienaar van het volk die het over meer belastingaanslagen had. Nou is een belastingaanslag niet iets leuks, en soms ook dodelijk, maar het geeft wel te denken dat een woord als aanslag bij mij niet meer de eerste betekenis heeft die met belastingen of typen te maken heeft.

Het zijn andere tijden. Ik word oud. Meer. Voorlopig.

(c) Rick Ruhland 2015