Proefschrift van de week

Titel: Contrabassen in de tuin: lage tonen en de groei van wortels. Auteur: Bard Moud de Zong.

Samenvatting: Er is meer tussen hemel en aarde dan wij mensen beseffen. Dat lijkt een beetje het uitgangspunt van Contrabassen in de tuin. Het onderzoek is mooi van opzet, net als de omslag van het proefschrift. De opzet is als een canon van Bach, en dat nekt ook tegelijkertijd de kwaliteit. Literair, maar niet wetenschappelijk.
Wat is Zongs punt? De menselijke zintuigen bevatten veel meer dan de vijf die normaal worden onderscheiden. We weten eigenlijk nauwelijks, gezien de definitie van de term zintuig die we normaal gesproken hanteren, iets van hoe organismen zoals zoogdieren de werkelijkheid waarnemen. Van planten weten we misschien nog wel minder.
Moud de Zong doet een poging ons gapende gat van plantenzintuigen te dichten. Uitgangspunt van zijn studie is het idee dat lage tonen (met de bijbehorende trillingen) de groei van wortels bevordert. Hij heeft daarbij ook gekeken naar hoe blessures van achillespezen van sporters worden behandeld met lage trillingen.
In verschillende settings (in een kas versus buiten, bloemen versus planten, inheemse planten versus exoten) zijn experimenten gedaan.

Eindoordeel: Wat een nonsens. Veel meer woorden maak ik er niet aan vuil. Resultaten zijn er niet, onderzoeksgelden zijn verspild, en wetenschappelijk noch praktisch heeft het onderzoek nut. In de compostbak ermee.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Een doorwaadbare plaats: 5. Varen

De plassen en rivieren rond de doorwaadbare plaats zijn ’s zomers goed voor veel waterplezier. De drie rivieren, waarover later meer, zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water. Verder zijn er grachten van de binnenstad, de plassen in de buurt, veelal zandafgravingen voor de nieuwbouw van de uitdijende stad, maar verder weg ook de zogenaamde ‘wiedes’, Beulakerwiede en Belterwiede. Al dat water is ideaal voor pleziervaart, surfen, zeilen, kanoën, zwemmen.

Het eerste varen op die wateren was met jeugdvriendje P. Hij woonde een flat verder, en vanuit het zijraam van ons huis kon ik het balkon zien van zijn huis. Hij zat op dezelfde lagere school, en we speelden van jongs af aan in de zandbak. Zijn ouders hadden een boot van een meter of zeven lang, niet genoeg om lang mee op het water te vertoeven want geen kooien, maar wel een kleine kajuit om een nachtje in te slapen en een plek om wat eten te maken op een butagasfles. Een paar zomers lang, in de middelste jaren van de lagere school, mocht ik af en toe een weekend of een dag mee. Ik herinner mij weinig van het varen zelf, maar op het moment dat we in een van de grotere kolken langs het Zwarte water voor anker gingen, terwijl de zon naar de horizon daalde, haalden we onze hengel tevoorschijn en op de aanlegsteiger hingen we onze bamboestok boven het water en keken naar de dobber. Misschien wel de mooiste herinnering aan die zomers was dat we op een gegeven moment merkten we dat kleine voorntjes zich zonder aas lieten vangen. Gewoon visdraad met haak en dobber in het water hangen en binnen enkele minuten had een vis zich vastgebeten. Van dat varen is dat eigenlijk het enige wat ik mij herinner. Warme avonden moeten het zijn geweest, maar daar herinner ik mij ook weinig van.

Op de middelbare school kwam het varen (het surfen niet meegerekend) terug in de vorm van punteren en kanoën. In de buurt van de doorwaadbare plaats is er een plek bij uitstek waar beide vaarmogelijkheden uitermate goed kunnen: de Belter- en Beulakerwiede. Destijds had ik een vriendenkring met kinderen van allerhande scholen: Atheneum, havo, mavo, lbo. Een goed gezelschap van mensen die van spelletjes hielden (old skool, zoals kaarten en bordspellen). De avonden met hen gingen veelal voorbij met bier en spa met een sterke borrel erin. De groep, met daarin een broer en zus, een tweeling, een geadopteerde Molukker, en een spijker, een jongen zo iel dat als hij stil stond je twee keer moest kijken om hem te zien  Met hen was ik vaak samen. Weekenden, of avonden als bij een van ons de ouders niet thuis waren.

Een van de ouders van het gezelschap was in het bezit van een stacaravan die ergens in de jachthavens tussen Zwartsluis en Giethoorn stond. We waren daar niet zo vaak, maar als, dan in de zomer en als, dan werden spelletjes gespeeld. En gekanood. Ik moet zeggen, ik heb geen prettige herinneringen aan stacaravans in combinatie met jachthavens. Ik zal nog eens uitzoeken waarom. Instinctief zeg ik: mensen op boten zijn niet zo schoon. Ze douchen zich minder, en als ze zich wassen, dan is het in het vervuilde water van een kanaal, rivier of meer. Kleine bootjes in jachthavens zijn ook nog eens ‘sneu’. Ja, sneu. Zeker een kano is sneu. Een kano is geen boot. Het is een te smalle kuip waar je niet kunt relaxen. Dat zal het zijn. En op die wiedes bij Giethoorn: het water was ondiep. Als je kano omsloeg, stond je met je voeten in de modder

Beter in kwaliteit en daarmee mijn herinnering was het varen toen mijn leven in de doorwaadbare plaats naar een einde neigde en ik mijn geboortestad zou gaan verlaten. In die laatste jaren in mijn geboortestad was ik menige dag in de week te vinden in de middeleeuwse centrum. Dat centrum wordt omsloten door een gracht, en zelfs doorsneden door een gracht. Kijk je op een landkaart, dan zie je dat de gracht de vorm heeft van een BB-8 avant la lettre. Rond met een dwarsgracht. In die dwarsgracht lag sinds begin jaren 80 een rondvaartboot. Een platte schuit, een praam. Achter een lichte motor, geen opbouw laat staan kajuit op de boot, want de bruggen over de Zwolse grachten zijn uiterst laag. De praam was een ding van niks, nauwelijks charme, geen flitsende bedoening. Maar waar niks alles is wat er is, is iets wat er is, alles. De praam werd door mijn oudste neef gevaren. En als hij het okee vond, voer ik de schuit door de grachten en vertelde over de geschiedenis van de stad. De ontstaansgeschiedenis van die doorwaadbare plek in de IJssel, de rivieren die de stad omcirkelen, de restanten van de stadsmuren, de moderne devotie, de geschiedenis als Hanzestad, de herkomst van de naam Blauwvingers, het verdedigingswerk, de oude gasfabriek op een van de bolwerken die al lang weg was, de laatste stadspoort De Sassenpoort, de brede brug waarover ooit een snelweg door de stad zou worden aangelegd, ik had verhalen genoeg.

Ik was ook vaak aan de kade van de rondvaartboot te vinden als mijn neef gewoon moest werken. Op een van die namiddagen zat ik op de kant, en keek naar de mensen die een tochtje wilden maken. Even tussen neus en lippen door: ik was toen net 18 geworden en mijn eerste verkering liep op zijn einde, maar dat wist ik nog niet. Hoewel… Ik wilde het niet weten. Achteraf had ik die dag goed in mijn oren en ogen moeten knopen. Die dag was een teken aan de relatiewand. Wat gebeurde die dag? Ik zat op de kade en was niet bij mijn vriendinnetje. Mijn neef stond op het punt de praam door de grachten te varen, en terwijl ik de vaargasten in mij opnam, bleef mijn blik hangen op een oudere, stijlvolle dame die richting rondvaartboot kwam gelopen en naast haar zweefde een van de mooiste meisjes die ik tot dan toe had gezien in mijn leven. Zo gracieus, zo verfijnd. Ik keek naar haar, we lachten elkaar aan, en ik voelde bijna schaamte dat ik me liet toelachen, en erger, dat ik terug lachte. Nu weet ik: dat was weltschmerz, spleen, pre-liefdesverdriet en niet kunnen krijgen wat je op dat moment zou willen hebben. Op dat moment wist ik dat ik haar zou willen spreken, zou willen ruiken en misschien zelfs proeven. Ik keek naar mijn hand en zag daar een vriendschapsring die ik een jaar eerder had gekocht – omdat het zo hoorde, weet ik nu, niet omdat ik het echt wilde – voor mijn verkering en mij. Ik keek van het mooie meisje naar die ring en spijt borrelde sluipend als giftig gal omhoog. Ik wist op dat moment – ik was zeventien a achttien jaar oud – niet dat het spijt was. Maar dat was het. Spijt van het feit dat ik verbonden was aan een vriendin, verkering, die ik niet meer liefhad. Een meisje die ik had gehad om te achterhalen waar het mannetje-vrouwtje-verhaal omdraaide. Ik kreeg natuurlijk meer van en met die eerste vriendin, maar feitelijk was het na het tongzoenen, het vingeren in de gang, het pijpen en beffen en neuken – met klaarkomen op haar weelderige schaamhaar, waarover in ander verhaal meer – het grote willen en verlangen wel weg. Het moet gezegd: ik heb nog wel met veel plezier een tijd lang dat neuken volgehouden. Dat ‘bij een vrouw blijven’ was niet uniek voor haar, ik ben bij menig vrouw / vriendin / relatie gebleven omdat ik zo van seks hield en ik te lui was een nieuwe vrouw te zoeken.

Van al die dagen op de praam in de stadsgracht van mijn geboortestad is die lome, voorzomerse avond in april eerste helft jaren 80 mij het meest bij gebleven. Ik denk nu nog steeds dat het moment aan de gracht, dat ik besefte niet vrij te zijn als de wereld daar wel de ruimte voor vroeg, mij tot in de diepste vezels heeft gevormd.

Eén vrouw voor altijd? En niet mogen kijken of verlangen naar een tweede of derde? Nooit meer flirten en opgewonden raken door andere borsten of billen, of een andere kleur ogen of haar? Nee. Dat was eens maar nooit weer. Ik vaar mijn eigen koers, niet de koers van de goegemeente.

Als ik al vaar. Ik ben liever op de kant en kijk naar bootjes op de rivier. Of maak mijn eigen bootje van hout of papier. Heerlijk. Maar mijn verlangen om steeds op de scheiding van land en water – en als ik water zeg dan bedoel ik toch vooral zee – te zijn, zoals in Schotland, op eilanden, in Italië, Japan, is niet voor niets.

Maar ik blijf op het liefst op het land. Wel land dat aan water grenst. Land dat aan zee grenst. Niet in de bergen bij een lullig bergbeekje. Of een meer in de binnenlanden van Afrika of Azië.

En varen? Varen is een manier om van land naar land te gaan. Varen is een middel voor een doel. Voor mij geen dobberen op het water. Ik zie liever de schepen voorbij gaan. En als het moet: ik verbrand liever schepen achter mij.

© Rick Ruhland 2018

Voornemens

Vandaag, de 26e november, is een mooie dag om te beginnen met voornemens. Januari is een totaal ongeschikt moment voor gedragsverandering. Die eerste maand van het nieuwe jaar volgt op uitbundige weken van drank en eten. Na de lichten en voedselrijkdom is januari eigenlijk een en al somberheid. De kerstboom met lichtjes gaat de deur uit, oliebollen en champagne zijn op, januari is de tijd voor oer-Hollandse, gortdroge en druilerige alledaagsheid.

Nu, eind november, moeten die lastige weken, die veel mensen aangrijpen voor het kweken van wat ‘vakantievet’ op de heupen, voor het drinken van een delirium of twee a drie en voor het opsteken van menige sigaret, nog komen. Ik heb besloten dat ik vandaag zeg: Gelukkig nieuwjaar! Ik stop met me kut voelen.

Ik weet heus wel, zo werkt het niet in mijn brein. Maar je kunt het je wel voornemen. Niet mokken, wel openstaan voor de wereld.

Wat het fijne is? Je kun je nog steeds een onganse beroerte vreten en jezelf een delirium drinken de komende weken, maar de voornemens, die zijn er. Vooraf, niet achteraf.

© Rick Ruhland 2018

Spiegelzwijn en de volgzame ezel 2: De bostuin

[Wat vooraf ging, staat hier]

Ija Ezel had de hele nacht na zijn bezoek aan Spiegelvarken (die heette eigenlijk Zeug Spiegelzwijn, maar Ija, Egel, noemde beestjes als Zeug niet graag bij de naam) in verwarring doorgebracht. Niet door wat Spiegelvarken had gezegd. Die zei wel vaker iets waaraan geen touw viel vast te knopen.

Nee, het ging om wat hij *over wie* gezegd had. Voor de duidelijkheid: Spiegelvarken was een van die zoogdieren die graag andere de maat nam, omdat hij meende dat hij het beter wist. Die andere dieren bovendien graag onder zich hield.

Hij had zich uitgelaten over Wylde Egel. Die was geen vriend van Spiegelvarken. Wylde Egel werd beschouwd als een profiteur, als een crimineel, als een klaploper. Hij was tot voor kort de deelsecretaris van Oude Woud.

Wylde was daarenboven ook nog eens een einzelgänger. Een dier dat zich niet liet kooien. Spiegelvarken was daar niet van gecharmeerd. Die zag Egel als een zelfverrijker. Bij de behandeling van de jaarlijkse begroting voor de tuin in het bos, waar elk dier een stukje mocht bebouwen voor de eigen consumptie.

Het bleek dat Wylde tijdens de laatste bosvergadering zich nogal denigrerend had uitgelaten over de dieren die hun stukje land vooral mooi wilden maken. Wylde meende dat dat niet kon, dat daar de subsidies niet voor bedoeld waren.

Spiegelvarken, niet vies van een onderhands dealtje met iedereen die hem rijker kon maken zonder dat hij er iets voor hoefde te doen, werd een beetje pissig.

‘Je bedoelt toch niet dat je meent dat er sprake is van corruptie bij de toekenning van subsidies?’

‘Nou..’ weifelde Wylde.

Spiegelvarken had Egel indringend aangekeken.

‘En hoe staat dat in verhouding tot vele integriteitskwesties die uw partij plagen? Dat moet toch wel te maken hebben met de gerichtheid van uw partij op het bedrijfsleven, van de schoorstenen uit de stad.’

Wylde slikte een keer, keek naar zijn persvoorlichter en kreeg een briefje aangereikt. Na kort lezen sprak hij de legendarische woorden, woorden die als vervuilde modder aan het plafond van Spiegelvarkens moraal bleven hangen:

‘Ik ben twee jaar deelsecretaris van bosbouw geweest. Daar zie je een grote vermenging tussen politici en tuindersverenigingen. Dan gaat het over subsidies. Iets waarvan je kunt zeggen: dat is misschien nog wel erger, want dat is belastinggeld waarmee geschoven wordt, in clubjes die daarover besluiten. Maar het lijkt wel alsof dat soort contacten geaccepteerd zijn en contacten met het bedrijfsleven niet of in mindere mate.’

Spiegelvarken sloot uit zijn slof, die hij vervolgens oppakte en in zijn hand hield. Hij sprak toen de legendarische woorden die nog steeds het bos in vele kampen verdeelden:

‘U geeft geen antwoord op de vraag. U verlegt corruptie in eigen kring naar iets ongerelateerds. Terwijl u vergeet vermelden dat het geld in het bos wordt verdeeld op basis van geoorloofde, op beleidskeuzen gebaseerde structuren. Terwijl uw partij vooral baat heeft bij de schoorsteensmeerpijperij van de stad. En als het al zo is dat er bij de tuinsubsidies om ongeoorloofde zaken ging, waarom heb je als staatssecretaris nooit keihard opgetreden? Als het inderdaad zo is dat bij de subsidietoekenning sprake was van de foute vermenging van politici en misschien misbruik van gemeenschapsgeld, dan heb jij je werk niet goed gedaan. Dan keur je het toekennen van kleine subsidiepotjes af door de aanklachten van het Openbaar Tuinisterie aan uw adres, zoals fraude en omkoping, af te doen als noodzakelijke contacten met de gifmakers die de fabrieken van de stad runnen. Ik zou deze slof naar uw hoofd kunnen gooien. Maar dat doe ik niet. Want ik ben een fatsoensmens.’

Wylde lachte de opmerkingen weg.

‘U bent een slecht verliezer, Spiegelvarken.’

Maar dat was het enige dat Egel kon zeggen.

Ezel kwam een dag na die aanvaring in de vergadercentrum, dat op de tra in het midden van het bos stond, bij Spiegelvarken over de vloer. Een maand later moest Wylde Egel vertrekken en sindsdien is onduidelijk wat van de voormalig deelsecretaris is geworden.

Ezel lag in zijn bed en dacht aan de woeste blik in de ogen van zowel Spiegelvarken als Wylde Egel. ‘Waar was de samenhang tussen ons dieren gebleven?’ Hij zuchtte. Hij had van zijn opa het muilpaard verhalen gehoord over de strijd tussen de werkpaarden en dressuurezels, zoals hij die noemde. En hoe de wereld bijna ten onder ging aan de strijd tussen het dorp en de stad. Opa had niets met solidariteit, maar voor iedereen was er een plek, zo meende hij. Behalve voor Wylde en Spiegelvarken, dacht Ezel grimmig.
Dat zou hij Spiegelvarken eens voorhouden de volgende keer.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 4. Surfen

Goudbruine, bronstige jongens in spierwitte broekjes en Hawaï-shirts, gebronsde, volgzame meisjes met een Colgate-smile. Verwaand volk uit de buurt met vrijstaande villa’s van ouders die aan bezit de hoogste menselijke waarde toekenden. Volk dat kinderen uit andere wijken neerbuigend behandelde alsof ze minderwaardig waren. Dat volk van jongens en meisjes leverde opdrachten voor schoolvakken in die zij nooit zelf kunnen hebben gemaakt, zoals opstellen voor Nederlands. Opstellen die door hun vader moeten zijn geschreven, gegeven het haast arrogante taalgebruik en woorden die geen puber ooit in zijn mond zou nemen. Deze kinderen, daar zat ik mee op school.

Deze kinderen zijn – 35 jaar later – kinderen gebleven omdat zij in mijn hoofd niet ouder zijn geworden. Deze kinderen zijn gekoppeld aan tennis, hockey, windsurfen, geld, leegheid. Deze kinderen misten wat ik wel had. Souplesse in het leven, doorzettingsvermogen, creativiteit in muziek en acteren, extreem hoge intelligentie, met een gezond fanatisme om de beste te zijn in mijn sport basketbal, en ga zo maar door. Deze kinderen waren niet mijn volk.

Ook een reden voor de enorme afstand tussen mij en deze ontaarde, emotie-arme Ikarussen was hun lege blik. Ik snapte niet hoe deze mensen überhaupt, als ze al nadachten over andere kwesties dan geld en bezit en pochen, dachten over de wereld. Over de wereld buiten hun blikveld. De lege blik in de ogen ging gepaard met een vernauwd blikveld. Ze speelden geen muziek, behalve misschien verplichte pianolessen, maar dat alleen omdat pippa dat wilde. Ze tennisten en hockeyden omdat hun omgeving dat deed. Ze gingen alleen om met mensen die ook atheneum of gymnasium deden. Nog meer dan welk uiterlijk vertoon ook, was het dragen van dubbele polo’s, natuurlijk van Lacoste want dit waren de jaren 80, met de kraag omhoog. Die dubbele kraag omhoog was hun forte.

Ik chargeer, maar de werkelijkheid was nog extremer. De werkelijkheid was een aaneenschakeling van incidenten die de ontaarde ontgroeningen van studieverenigingen tot een picknick in het park lieten zijn.

Het voorwerp dat zo ongeveer alles in zich had om mij superieur te maken aan die mentale speknekken: een Seiko-horloge. Hoe dat zo kwam? Het was 1983, ik zat in een klas met boven beschreven jongetjes en meisjes met laatdunkendheid als eerste natuur. Ik kwam na een vakantie weer op school en droeg mijn digitale Seiko-horloge dat ik die zomer van mijn Duitse oma had gekregen. Tweedehands, meen ik, maar daarom niet minder mooi. Zeker een kwaliteitshorloge. Ik liep er niet mee te koop perse, maar een van de jochies uit die klas zag het horloge.

Terzijde: ik heb vanwege dit verhaal die klasgenoot van toen op internet opgezocht. De foto van hem nu is als een foto van hem toen. Geen biet veranderd. Dat jochie, ik noem hem Kleine Boy (naar zijn initialen), had ook toen een streep als mond. Een lege blik in de ogen. Een tweedimensioneel karakter uit een strip, een plat personage dat voor iedereen de neus ophaalde.

Terug naar toen. Destijds droeg hij zo’n poloshirt met krokodil en een dubbele kraag rond zijn immer stijve nek, en op de bewuste Seiko-dag zaten we in de schoolbanken en keek hij met dedain naar mijn pols. Hij zag het cadeau van mijn oma en het enige wat hij uitkraamde was: “Zeker een heel goedkoop horloge.” Kleine Boy keek beter en zag toen Seiko. Hij slikte, zei ‘Oh” en keek snel en stuurs een andere kant op.

Vanaf dat moment verdween het laatste, kleine beetje respect dat ik voor zulke kartonbordjongens had, als aceton uit de benauwde lucht tussen mij en de papjongens.

Hoe anders dan zij was ik. Ik deed wat goed voelde, zonder dat ik me liet beperken door wat mijn omgeving aangaf dat kon of mocht of wat hoorde. Ik speelde in het schoolbasketbalteam, met jongens van alle schoolniveaus. Ik speelde met mijn band Jerkin, bestaande uit drie jongens die op respectievelijk mavo, havo en vwo zaten en met wie vanaf mijn 14e op de culturele avonden van mijn school en later zelfs op feestjes van schoolgenoten optrad. Ik had een vriendenkring met niet alleen schoolgenoten of alleen kinderen van mijn eigen buurt, van mijn eigen schooltype, van mijn eigen sport maar ook daarbuiten.

Alles wat organisch in mijn leven kwam en paste, dat bleef. Bij de KB’s van die wereld toen, leek alles van hun leven mechanisch, anorganisch, van te voren ingevuld. Welk schoolniveau zij kozen: niet zelden zag ik zulke kinderen met moeite het VWO doen, en ze deden alleen dat niveau omdat hun omgeving en vooral hun ouders aanspoorden dat niveau te halen;  dat lukte hen niet door hun intelligentie zo zeer, niet door intrinsieke motivatie, maar door extrinsieke pushes. Het mechanische zat in veel meer: welke vrienden zij hadden, welke sport zij kozen. En erger: de omgang met hun ouders.
Hun leven en de invulling daarvan was niet een gevolg van zelf nadenken, van zelf kiezen, maar van wat de omgeving wilde. Wat hun vrienden deden, wat hun ouders wilden.

Wat dat laatste betreft: die band tussen kakkers (want dat waren zij: kakkers tussen boeren, alto’s, en dan nog de eenlingen als ik) en ouders was onmiskenbaar. De drang van de ouders tot het kind naar hogere niveaus te brengen, om te gaan studeren was steeds aanwezig. Mijn ouders hadden dat niet. Mis ik die band die zij wel van hun vader kregen? De logica van gaan studeren? Van een baan met veel salaris en aanzien? Van extrinsieke motivatie? Gek genoeg is het antwoord nee. Nee! Niet op die manier. Wel op de manier zoals ik nu met mijn eigen zoon erin sta. Helpen zijn eigen weg vinden, meedenken over paden inslaan die je leuk vindt, aanbieden van het leven zoals je dat vindt in kunst, landen, talen, eten, drinken, sport, muziek, dansen, etc. etc. De ruimte bieden om alles anders te doen, als je maar blijft geloven in jezelf en jezelf weet te verbeteren. En: helpen steeds je best te blijven doen, om niet op te geven. Buiten de lijntjes kleuren.

Terug naar toen, 35 jaar geleden. Er was in mijn klas een jongen die ergens thuishoorde in die groep van dubbele kragen, die zoals velen ouders had die ondernemer waren, maar die toch op een aangename manier afweek. Hij was zo iemand die open en eerlijk was, niet pochte, en gewoon genoot van de dag.

Hij, ik noem hem maar even Beste Knul – naar zijn initialen –, heeft iets in gang gezet dat mijn transitie betekende van gewoon mannetje met de beperktheden van thuis naar een ventje dat alles zal omarmen dat goed en fijn voelt. Dus niet: doen niet omdat je omgeving zegt dat je dat niet moet doen, of wel doen omdat je omgeving zegt dat je dat moet doen. Ook niet: alles doen wat thuis niet wordt gedaan.

Nee, de durf te doen wat goed voelt, te doen wat je nog niet kent, en je niet laten beperken omdat men (die fucking men) zegt dat het niet mag, kan, hoort.

Enfin. Ik kwam graag bij hem thuis: een groot huis in een buitenwijk van mijn stad en niet ver van de Brinkenbuurt, de plek waar de speknekken, dubbele kragers en vale snoevers woonden. Niet ver van die buurt, en toch lichtjaren verwijderd. Voor snoeven, opscheppen, huichelachtig zijn had BK gewoon te veel rust, te veel relativeringsvermogen. Was het dan dat hij enigst kind was dat hij ruimte had om zichzelf te blijven, ondanks het geld in de familie? Ik zal het niet weten, en misschien wilde ik hem aardig vinden omdat hij niet bij die kliek hoorde, en toch weer wel, maar het hem niet uitmaakte dat iemand niet was als hij. En niet alleen hij was dik in orde, ook zijn ouders lieten me zijn wie ik was. Ook zij hadden dat aangename van genieten, van een BBQ in de tuin, kersen eten en dan de pitten de tuin in schieten. Ik voelde me welkom daar.

Hij stelde op een warme voorjaarsdag voor om mee te gaan naar de zandafgravingsplas om daar te gaan surfen. Een sport die ik tot dan associeerde met brabrabra, irritante hete-aardappel-in-de-keel, overtrokken zelfbewustzijn, minachting voor wie anders was. En toch, ik was nieuwsgierig. Dus zei ik ja.

We fietsten samen naar de plas net buiten de stad. Hij had zijn eigen plank. Letterlijk een plank. Een deur, die bleef drijven als je er op stond. Op die deur heb ik leren surfen. En dat terwijl het helemaal niet mijn sport was, gegeven het feit dat het thuis hoorde in de hoek Lacosta / tennis / hockey, en ook: Paco Rabanne. En de foute gasten.

Maar BK nam me mee naar de plas. De Wijde Aa. Op de fiets met de surfplank met mast en giek op een klein wagentje achter zich aan. Daar op de zandafgravingsplas leerde ik in een zomer plankzeilen. Zonder wetsuit, zonder trapeze, gewoon, volgens het adagium: ‘voel de wind en gebruik je spieren en weersta het water dat op druilerige dagen koud is’. Als ik mij goed herinnerde, was de plank van het merk Dufour.

Door Beste Knul leerde ik:

  • dat je niet moet doen wat iedereen in jouw omgeving doet;
  • dat niet met die mensen moet omgaan waar je omgeving van vindt waar je mee moet omgaan;
  • dat je vooral ook die bezigheden niet moet laten omdat de soortgenoten (letterlijk: soort als in op elkaar lijkende mensen die enkel en alleen van elkaar genoten) die wel laten.

Sindsdien en mede door BK is er geen rem op de wereld meer. Iets is lekker of mooi of wat ook als je hebt geprobeerd en iets goed hebt bevonden.

En ondertussen vraag ik me af: hoe zou het met die jongetjes van toen zijn? Niet alleen KB, maar ook al die anderen? De brabra’s en de bla-bla’s van de jaren 80. Uitgerangeerd? Gescheiden? Ingekakt in een Vinex-wijk? Rondbuikige patsers in vergelijkbare huizen als hun babyboom-ouders? Ik vermoedde dat zij, de speknekken met dure kleren die hen tot eenheidsworst maakten, nog steeds niet interessant zijn. Een eerste blik op een aantal van hen die ik via internet vond, bij wijze van mini-onderzoek, bevestigde mijn vermoeden want niet geheel tot mijn verbazing: ze zijn na hun studie weer teruggekeerd in de vertrouwde omgeving van hun jeugd. Terug in dat gehucht, die doorwaadbare plaats. Terug naar die kleine wereld. De wereld van zekerheden, de wereld van hebben wat je hebt, van blijven zitten waar je zit en je niet verroeren.

Zij en hun wereld staan haaks op mijn wereld van doorgroeien, uitproberen, de wereld verkennen. Op mijn wereld van creativiteit en wetenschap.

En hoe is het met BK? Zou hij nog aan mij denken? Aan het surfen, onze jaren op school, de tuin achter zijn ouderlijk huis, onze verkering met de twee zussen, en de duizend en een kleine gebeurtenissen en verhalen die ik grotendeels vergeten ben? Is BK nog steeds die jongen die in staat is om andere mensen niet af te stoten zoals KB dat heel goed kon? Dat is de eeuwige pendule: de meeste kinderen, die zoals KB zijn, moeten wel zo doen als ze doen. Omdat ze niet anders kunnen. Niet anders durven. Niet anders willen.

Omdat ze holbewoners zijn.

© Rick Ruhland 2018

Partij voor planten XV

Al een relatief lange tijd horen we van Goor en soortgenoten niets anders dan hoe het niet moet. We horen niet hoe het dan wel moet. Eenzijdig, zo kun je hem en zijn plantgenoten wel noemen. Warrig, dat is misschien ook wel een woord dat van toepassing is. Zit dat in zijn genen? Dat verwarde, dat monomane? Is het nature?

Of is het een kwestie van opvoeding, een kwestie van nurture?  Ik heb een aanwijzing dat het misschien dat is: opvoeding en achtergrond. Ik kwam er namelijk vandaag achter dat Goor eigenlijk helemaal niet Wildkrijt of Waskruid of Wildkruid (al dan niet met een t, dus Wildkruit of Wiltkruit of Wiltkruid) heet. Nee, Goor is namelijk van oorsprong geen Nederlandse plant.

Duits. Dat is hij. Wildes Wachskraut is zijn echte achternaam. Dat verklaart meteen ook waarom zijn taalgebruik lichtelijk slissend en vol grammaticafouten zit, en ook nog eens archaïsch klinkt. Sterker, zijn taalgebruik is oud, en zijn gedachtegoed moet daar wel een gevolg van zijn.

Nu het gekke aan het verhaal, en ik laat daar graag mijn intello-briljante licht over schijnen: GW is dus van twee culturen. Maar hij brandt steeds planten af die tweeculturig zijn.

Terwijl, als hij zich wat breder zou ontwikkelen, hij had kunnen weten dat mensen met twee talen en twee culturen zich makkelijker aanpassen, een betere cognitieve ontwikkeling hebben, flexibeler denken in onbekende situaties, en van een betere concentratie zijn voorzien.

Niet dat voor elke tweetalige en tweeculturige geldt. Goor is dus een van die uitzonderingen.

Als Goor ergens hard om roept, dan is het wel: MONOCULTUUR!!!

Ik droom wel eens weg en zie dan Goor zijn grootste gelijk halen, namelijk het verwijderen van alle allochtone planten en elke plant die afwijkt. Niet alleen de vetplanten, de moerasplanten, of de planten die hier al eeuwen zijn maar van nature uit Zuid-Amerika of Azië komen, maar elke plant die afwijkt van het beeld van groene, bloemdragende zonder ziektes en genetische fouten. Pas dan zal het hier erg goed toeven zijn. Dan houdt alle ellende op. Het punt is: Goor maakt de kolossale fout te denken dan monoculturen tot grootse culturen leiden. Wat ook zijn gedachte is, wat ook zijn motivatie is, het komt vanuit het negatieve.

Als monoculturen iets duidelijk hebben gemaakt, en zullen blijven maken, dan is dat deze culturen van binnenuit rotten. Monocultuur is goed voor inteelt, en planten in een monocultuur zijn gevoelig voor ziektes. Monoculturen zullen altijd het onderspit delven. Gemengde culturen zijn veel weerbaarder voor veranderingen die er altijd zullen zijn.

Ik denk dat Goor, en natuurlijk heb ik dit ook aan hem geschreven (nee, nog geen reactie tot nu toe), de volgende analogie niet begrijpt, maar hij is van toepassing. De analogie van de ratten en de de pest. Hij maakt de fout te denken dat de pest werd over gebracht door ratten. Kul. Humbug. De pest werd door vlooien overgebracht, en vooral ook: door intermenselijk contact.

© Rick Ruhland 2018

PS Waar je mee omgaat, wordt je door besmet. Ik heb moeite met normaal denken, nu ik veel met Goor communiceer. Maar ik kan toch niet stoppen met communiceren? Want dan wint Goor zijn pleit. Zonder tegenspraak en weerwoord is elk ongelijk waarheid.

Een doorwaadbare plaats: 3. Zwemmen (1)

Als rechtgeaarde Nederlander leerde ook ik zwemmen. Dat hoort bij de Nederlandse opvoeding. Ons platte land met sloten, beken, meren, plassen, vijvers, kanalen: je overleeft beter, meer, vaker, als je kunt zwemmen.

Hoewel ik het nooit zo gemerkt als jongetje, is water een bedreiging. Het is geen natuurlijke habitat. Wie in het water ligt, wie drijft, wie zijn hoofd boven water houdt: hij overleeft. Maar ten onder gaan is zo gebeurd. Je moet echt aan het werk wil je boven water blijven. Het is een best angstige omgeving als je niet kunt zwemmen. Ik heb nooit een angst voor water gehad, voor zover ik mij kan herinneren, terwijl ik ergens toch een angst heb moeten overwinnen. De angst van het ten onder gaan, van niet meer kunnen ademhalen. Van het uitstellen van verdrinken. Dat is voldoende motivatie te willen blijven drijven.

Als terzijde: ik vermoed dat ouders hun kroost niet wil (laten) leren zwemmen om de reden dat zwemmen zo leuk is, maar omdat het belangrijk is voor het overleven.
Laat mij dat even heel duidelijk in het centrum van de aandacht stellen: zwemmen is zeer leuk. Voor mij wel. Ik duik nog steeds met veel plezier zwembad of rivier of zee in. In mijn stoutste dromen heeft dat de geilste reden van alle redenen: bijna naakt en zonder sociale weerstand samen zijn in het water waar wij vele miljoenen jaren uit zijn ontsnapt. Back to the roots van ons menszijn. Geen schaamte (bijna dan, want helemaal naakt zwemmen is toch voor veel mensen te stap te ver). Geen kleren (bijna dan, want die zwembroek of bikini moet aan van de samenleving).

Ja, ik denk echt dat wij ons in water willen begeven omdat het een omgeving is waarin we weliswaar niet kunnen ademen, maar als water ons omsluit, verdwaalt onze geest weer in de prehistorische herinnering; met andere woorden, ‘in water zijn’ wordt door onze geest herkend als een moment dat verre voorouders als ‘natuurlijke habitat’ had. Ik denk dat het nog verder gaat: we voelen ons thuis in water als herinnering aan ons meest oorspronkelijke moment. De tijd van ons leven in de baarmoeder.

Voor wie nu roept: is dat niet wat ver gezocht? Natuurlijk, het kan vergezocht zijn, maar dat is het punt niet. Het is een mooi verhaal. Mooi startpunt. Voor nu: meer niet.

Maar de waarheid van mijn goed voelen is veel banaler.

Wat zwemmen voor mij het allerfijnste maakt, in minder filosofische en psychoanalytische zin, en meer in praktische zin is dat water minder zwaar maakt. Dat doet mij goed voelen. Zwemmen maakt niet gewichtsloos, maar wel veel lichter. Bewegen gaat dan weliswaar moeilijker, want lucht geeft minder wrijving, maar hangend, drijvend in het water is het hele lijf bijna licht. Het lichaam voelt veel minder de zwaartekracht.

De tweede reden van mijn goed voelen begon in de hete zomer van 1976 (zie ook het verhaal Zwemmen 2). Ik had twee jaar eerder, op mijn achtste, in een maand tijd zowel diploma A als B gehaald. De foto’s van die tijd laten een onschuldige ik zien die samen met ca. tien kinderen die op de rand van het ondiepe badje in het Stilo-zwembad zitten. Ik herinner niets van die zwemlessen, behalve dat er dus die foto bestaat van mij en een vriendje. De rest van de kinderen zegt me niets. Wie weet woonden ze toen bij mij in de wijk, of wonen ze nu bij mij in de straat. Ik leerde dus zwemmen en ik vond het leuk. Sterker, kunnen zwemmen terwijl de zon die zomer op Nederland neersloeg, dat was een stukje hemel.

De derde en de wellicht belangrijkste reden van mijn zwemgenot gaat aan dat alles voorbij. En dat heeft met het woord genot zelf te maken. Na mijn diploma’s a en b bleek ik een goed zwemmer te zijn. Ik wilde dan ook meer. Dat meer kreeg ik in de vorm van vier jaren en vier diploma’s reddend zwemmen. Pop duiken, een onwillige drenkeling naar de kant brengen (die, mocht de drenkeling de redder in nood in gevaar brengen en onder water trekken, met een klap flinke k.o. mocht worden geslagen…), vele meters maken, met een reddingstouw of -boei gooien, allemaal goed. Elke donderdagavond fietste ik door de stad naar het Stilo-bad; Stilo staat voor STIchting Lichamelijke Oefening. Het bad, het eerste overdekte zwembad in Zwolle (geopend: 1933) dat tot doel had de lichamelijke oefening van de ‘mensch’ te stimuleren, was van een vooroorlogse kwaliteit. Hoekig, veel wit, veel glanzende plavuizen en witte buizen. Nieuwe zakelijkheidsarchitectuur, een beetje Amsterdamse School. Om een idee te krijgen (foto’s zijn van Henriet Kornelis). Dit zijn foto’s van vlak voor de sloop in 1991. Op de eerste foto hangt achterin de hoek een tegeltableau, een kunstwerk dat was gered en in het Hanzebad in Zwolle heeft gehangen. Kunsthistorisch had het tableau weinig waarde en inmiddels is het vernietigd.

csm_zwolle-138_3104d05b20

csm_zwolle-140_06db6bfec2

In dit STILO-zwembad leerde ik zwemmen. Maar dat niet alleen. Hier werd ook de man in het jongetje gewekt. In de laatste jaren van mijn reddend zwemmen, ik was 11 a 12, werd het leven spannender. Een paar van mijn medezwemmers, een lang, dun meisje met donker haar en kort, stevig meisje met blond haar, en een jongen die ik mij verder niet herinner behalve dat er nog een jongen was, zag ik toen steevast in de fietsenstalling. Wat ik daar deed? Roken. Kletsen. Puberaal gedrag, ook al was ik pas 11 of 12. Dat puberale gedrag nam een keer half-seksuele vormen aan doordat ik in de ruimte voor de kleedhokjes…,

Hier dus:

csm_zwolle-143_8460900e0d

… supergeil tongzoende met de blondine, met om ons heen allerlei kinderen met hun ouders die afkeurend keken naar de geile stoot en mij en wij elkaar volstopten met elkaars spuug.

Ik voelde geen enkele schaamte, toen al niet. Als ik de kans had gezien, in het zwembad en na dat zoenen, dan had ik haar geneukt in het diepe. Ja, ik was pas 11. Maar ik was er klaar voor. Helaas letten de badmeesters, onze docenten zwemmend redden reddend zwemmen, iets te goed op om daar echt werk van te maken.

Het zwembad is inmiddels gesloten en gesloopt. Er staan nu lelijke appartementen en alleen de naam van de straat, de Stilobadstraat, herinnert aan het feit dat daar bijna 60 jaar een zwembad heeft gestaan. Voor mij is dat bad een van die plekken waar bijna naakte meisjes, ontluikend en lustopwekkend, met mij ronddreven, en die ik vast mocht pakken als onderdeel van leren reddend zwemmen. De kopgreep, de polsgreep, de schoudergreep, die had ik vrij snel onder de knie. Saai.

Maar een greep deed ik graag en steeds weer: de zeemansgreep. Zeker bij meisjes mijn favoriet. Met mijn arm onder haar oksel door en haar pols vasthouden terwijl mijn onderarm op haar ontwakende borsten leunde.

Zwemmen is geilheid. Terug naar de baarmoeder, terug naar het vruchtwater.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 2.Vissen

Mijn vader zaliger, hij is zo goed als op de kop af drie jaar geleden overleden, was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken, België, naar het oosten en van Zurich, Zwitserland, naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau, net onder Frankfurt am Main. Gross-Gerau: de hoofdstad van een Kreis. Nummerborden uit die streek, dat Kreis, beginnen met GG. Dus als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, maakt mijn hart altijd een huppelsprongetje. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin  asperges worden geteeld. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder even verderop ook veel zand. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn moeder, mijn oma, had vier kinderen gebaard. Zijn vader, mijn opa die ik niet heb gekend, was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille en hij is verdwenen in vermoedelijk 1944. Verhalen doen de ronde dat hij is weggebombardeerd terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland. Die opa heb ik dus nooit leren kennen. Toen de oorlog voorbij was, lag de stad in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.
Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De dingen die hij, een elektricien, mij leerde hadden te maken met stroom, met name hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Maar ik viste wel, door mijn Nederlandse opa. En waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli, terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet hebben of zelf een vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel van een waterplant op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.
Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018