Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

Mijn eerste keer: visioen

Het klinkt middeleeuws. Het woord visioen. Maar dat is het om de drommel niet. Het is een levend verschijnsel. Helaas, zo is mijn overtuiging, heeft visioen vooral een betekenis in religieuze contexten. Daar betekent visioen zoiets als een droombeeld of verschijning hebben die ervaren wordt als bovennatuurlijk of mystiek. Aan die beelden wordt vaak ook een voorspellend vermogen toegeschreven. Dat zal wel zo zijn, maar ook gewone mensen als ik hebben visioenen.

Ik ben niet monotheïstisch religieus, ik ben geen overtuigd aanhanger van een leven na de dood, ik denk niet dat er een hemel is, en zo kan ik nog wel even door gaan. Als ik al een geloof aanhang, dan is het een geloof in mensen. In menselijkheid. In mijn dagelijkse doen en laten ben ik misschien een beginnend boeddhist, of een agnosticus. Ik kom vaak niet verder dan ‘Ik weet het niet’.

Wat ik wel weet is wanneer ik mijn eerste visioen had. Ik was student, en op een windstille zondagmiddag zat ik in de leren stoel in mijn studentenkamertje en keek naar buiten. Ik voelde opeens dat ik uit mijn stoel opstond zonder dat ik opstond. Toen ik dat besefte, klommen mijn lichaam en geest terug zijn mijn lijf. En toen gebeurde het: ik was terug in mijn lichaam en zag toen een andere werkelijkheid. Ik zag mezelf en onbekende mensen die in een ruimte waren waar zij spraken over onderwerpen die ik niet snapte. Nog niet snapte, moet ik zeggen, want ruim zeven jaar later had ik een déjà vu van wereldformaat. Ik was werkelijk in die ruimte die ik in mijn visioen had gezien. Ik hoorde de woorden van weleer. En ik wist: in die stoel op die zondagmiddag jaren eerder heb ik een visioen gehad. Een beeld uit de toekomst. Mijn eigen toekomst.

Ik heb die visioenen vandaag de dag nog. Maar net als over tijdreizen en tijdreiziger zijn kun je beter maar niet spreken over die zaken die andere mensen niet snappen, die andere mensen afwijzen, die niet passen in het tijdsgewricht.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het paargedrag van de groengerande mestkever in zuidoost Australië tussen 1820 en 1840: een casestudie. Auteur: Icke van Yke.

Samenvatting: Het mag geen verbazing wekken dat we van het gedrag van dieren die al 100 of 200 jaar dood zijn niet tot nauwelijks weten wat en hoe ze deden. Denk aan de quagga, de Tasmaanse tijger, de dodo. Om een mijns inziens nog aansprekender voorbeeld te geven: we hebben geen idee hoe dinosauriërs klonken. Jankten ze als honden, brulden ze als leeuwen, loeiden ze als koeien, blaften ze als hyeana’s?
Van Yke heeft een onderwerp van die orde bij de kop gepakt. De voortplanting van kevers in het verleden. Haar onderzoeksobject is wel zeer specifiek: de mestkever. Het gevaar van de studie zit echter elders: de periode waarover het onderzoek gaat. Waarom die jaren: 1820 tot 1840? Alsof er toen al genoeg mest was in Australië!

Eindoordeel: Niet best. Geen DNA-onderbouwing. Selectieve dataverzameling. En waarom zuidoost Australië? Daar kwam de kever destijds helemaal niet voor!

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

Op de derde zaterdag voor Pasen…

Wat ik mij afvraag, al sinds ik op een christelijke school zat, was dat als Adam en Eva inderdaad de eerste mensen waren en de bijbel is de enige ware schrift waarin alles staat dat juist is en zonder uitzondering de geschiedenis van de aarde en de mensheid beschrijft, zoals beweerd wordt door Ken Ham the man, een christenfundamentalist die in een museum poppen van Adam en Eva in een en dezelfde ruimte plaatst met dinosauriërs en dat die dus samengeleefd hebben, terwijl die beesten helemaal niet genoemd worden in de bijbel…; ja, of misschien wel, maar dan heb ik een andere bijbel gelezen; als ik dan toch de juist bijbel heb gekozen, dan is Ken Ham aan het liegen en de bijbel aan het verdraaien…; kortom…,

Of in het kort:

<Life of Brian toontje> Blasphemy! </Life of Brian toontje>

[… waar was ik?? Oh ja] en Eva en Adam hadden twee zonen, waar hebben die dan mee geneukt zodat nu op de wereld ruim zeven miljard mensen rondlopen? Met hun moeder? Was er bij de eerste mensen al sprake van incest? Had Eva dus niet alleen kinderen bij Adam, maar ook bij haar twee zonen? Dat zijn overdenkingen waar je een religieus gelovige zelden over hoort spreken. Dat zijn overdenkingen die je ook hedentendage op de virtuele brandstapel kunnen brengen.

Ik denk dat ik weet wat het geval is. Dat is waarschijnlijk de wonderbaarlijke vermenigvuldiging, die per ongeluk in het Nieuwe Testament is terecht gekomen. Of waren er toch meer mensen gemaakt door God? Maar dat staat niet in de bijbel. Dat is dus niet waar. Als God toch meer mensen heeft gecreëerd, dan kan de bijbel letterlijk niet waar zijn gebeurd. Of waren er meer goden? Die allemaal mensen maken.

Mijn intuïtie zegt nu, nu ik over de helft van mijn leven ben: goden bestaan en zij maken elke dag nieuwe mensen. Voortplanting is ook een manier van nieuwe mensen maken, maar de goden voegen af en toe mensen toe, of halen mensen weg. Dat zou past echt goddelijk zijn.

Zoals het nu staat: slechts een oermoeder en slechts een oervader moet een verzinsel zijn. Net als kunst. En sport. En wetenschap.

De mens bestaat niet eens. God daarentegen?  Zij wel.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Sandy iglo’s: urban legends of the Inuit. Auteur: Claudia Meerzang.

Samenvatting: In de folklore van de Inuit spelen de verhalen die van generatie op generatie worden doorverteld een grote rol. Opvallend in deze verhalen, die vooral ‘s winters werden en worden verteld, is dat de wens van zon, zand en zee een grote rol speelt. Vooral de ‘iglo’s van zand’ zijn opmerkelijk, aldus de auteur. De hypothese die Meerzang opwerpt, is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk: de Inuit hebben in de 16e eeuw geprobeerd de Sahara te koloniseren.

Eindoordeel: Intrigerende studie, maar niet geheel overtuigend.

© Rick Ruhland 2018

Fascinating Friday: Pope lick monster

For a great deal of my live, I have hold a fascination for local stories in which a person or animal plays a role that is somewhat scary, but where evidence for the person of animal is scarce. Such animals / persons have a mythical element, not only because of their shape or appearance, or their rare sightings, but also because of the aural nature of these stories and the lack of clear other, mainly visual, proof.

The likes of Bigfoot and Nessie (the creature that supposed to live in Loch Ness, Scotland) are pretty well known, and altough it’s hard to believe they are real, they constitute an important aspect of us humans: we want to hear stories. Those legends, if you can call them that, contain – in general – messages and specific morals. Archetypes, if you will. A lot of these legends are a little frightening, we don’t understand these stories completely, and more over, we want them to be ‘real’. Real here means ‘a magical touch’. We humans apparently need that kind of stories.

One of these stories – I don’t like the term urban legend, because most of these persons or anmimals are not urban, but rural – is the Pope Lick Monster. This animal is a part-man, part-goat creature that lives near a train track in Louisville, Kentucky, United States. Here is one of those vague photo’s of the creature:

POPE-LICK-MONSTER-PROVED-IT-IS-REAL

Is it real? That is not the issue. Important is what we want to see, what we want to believe. And since the evidence is not conclusive, even in these times of technical progress, there is still room voor Pope Lick Monsters. Bigfoot. Nessie. God.

Or whatever creature. Because every country or even province or state has its fair share of rural legends. Take for instance this overview of United States:

Monsters in the us

If you want to read more about the Pope Lick Monster, there is wikipedia and an article about a woman killed on the train track (but not by the monster…).

© Rick Ruhland 2018

Wijsheid op woensdag: religiegoïsme

Ik heb een goede verstandhouding met filosofische vraagstukken. Elk vraagstuk is interessant want filosofisch, elke vraag mag gesteld worden, en in principe is alles filosofie. Vragen over werkelijkheid (ik denk dat een film als The sixth sense – ook ik zie dode mensen, maar daar praat ik weinig over – of de trilogie The Matrix heel dicht bij mijn perceptie van de werkelijkheid komen; perceptie is daarbij een woord dat mogelijk met zintuigen te maken heeft, maar vooral ook met iets buiten mijn brein…) en waarheid zijn elementair.

Waarom? Werkelijkheid en Waarheid zijn niet eenduidig. Eigenlijk zijn die twee woorden in het enkelvoud onzin. Werkelijkheid is altijd meervoud, zelfs vanuit het idiosyncratische perspectief. Ook Waarheid is nooit alleen.

Maar ergens in de geschiedenis van de mens is iemand, of een groep van mensen, gaan groepen dat het gevaarlijk is zelf na te denken. Op dat moment is religie geboren. En let wel: elke dag wordt wel een nieuwe religie geboren. Zoveel gekken, zoveel waarheden, zoveel religies.

Mijn punt van vandaag (ik ben de laatste dagen behoorlijk debiel en geklutst): op het moment dat religie ontstaat, eigent die denkstroming (meer is religie niet) zich toe dat alles wat de mens is, onder de vlag van die geloofsstroming moet vallen. Is (en doet) de mens goed? Dat komt door het geloof, door God, etc. Is (en doet) de mens slecht? Dan zal het geloof er alles aan doen dat uit te gummen. Zoals de nazi’s joden probeerden ‘aus zu radieren’.

Dat is religiegoïsme. Het toe-eigenen van menselijk (= dierlijk) gedrag als zijnde iets gelovigs, als iets van god. Nonsens. Humbug. ‘Zijn’ is niet te duiden. Waarheid ook niet. Werkelijkheid evenmin. Als je dat wel kunt, heb je een pathetisch leven.

En ja, het is best lastig om door te dringen bij gelovigen. Om een gelovige op andere gedachten te brengen. Niet omdat die andere gedachte klopt of waar is, maar omdat er een andere gedachte is. Probeer ik een gelovige aan het denken te krijgen, dan loop ik het risico vermoord te worden. En het is lastig om duidelijk te maken aan gelovigen dat het niet mogelijk is om te bewijzen dat iets wat niet bestaat, niet bestaat.

Een dag vol waanzin gewenst. En kom even langs in mijn hoofd vandaag. Kopje neurotransmitters drinken.

Skpritozussie!

© Rick Ruhland 2015