Partij voor planten XV

Al een relatief lange tijd horen we van Goor en soortgenoten niets anders dan hoe het niet moet. We horen niet hoe het dan wel moet. Eenzijdig, zo kun je hem en zijn plantgenoten wel noemen. Warrig, dat is misschien ook wel een woord dat van toepassing is. Zit dat in zijn genen? Dat verwarde, dat monomane? Is het nature?

Of is het een kwestie van opvoeding, een kwestie van nurture?  Ik heb een aanwijzing dat het misschien dat is: opvoeding en achtergrond. Ik kwam er namelijk vandaag achter dat Goor eigenlijk helemaal niet Wildkrijt of Waskruid of Wildkruid (al dan niet met een t, dus Wildkruit of Wiltkruit of Wiltkruid) heet. Nee, Goor is namelijk van oorsprong geen Nederlandse plant.

Duits. Dat is hij. Wildes Wachskraut is zijn echte achternaam. Dat verklaart meteen ook waarom zijn taalgebruik lichtelijk slissend en vol grammaticafouten zit, en ook nog eens archaïsch klinkt. Sterker, zijn taalgebruik is oud, en zijn gedachtegoed moet daar wel een gevolg van zijn.

Nu het gekke aan het verhaal, en ik laat daar graag mijn intello-briljante licht over schijnen: GW is dus van twee culturen. Maar hij brandt steeds planten af die tweeculturig zijn.

Terwijl, als hij zich wat breder zou ontwikkelen, hij had kunnen weten dat mensen met twee talen en twee culturen zich makkelijker aanpassen, een betere cognitieve ontwikkeling hebben, flexibeler denken in onbekende situaties, en van een betere concentratie zijn voorzien.

Niet dat voor elke tweetalige en tweeculturige geldt. Goor is dus een van die uitzonderingen.

Als Goor ergens hard om roept, dan is het wel: MONOCULTUUR!!!

Ik droom wel eens weg en zie dan Goor zijn grootste gelijk halen, namelijk het verwijderen van alle allochtone planten en elke plant die afwijkt. Niet alleen de vetplanten, de moerasplanten, of de planten die hier al eeuwen zijn maar van nature uit Zuid-Amerika of Azië komen, maar elke plant die afwijkt van het beeld van groene, bloemdragende zonder ziektes en genetische fouten. Pas dan zal het hier erg goed toeven zijn. Dan houdt alle ellende op. Het punt is: Goor maakt de kolossale fout te denken dan monoculturen tot grootse culturen leiden. Wat ook zijn gedachte is, wat ook zijn motivatie is, het komt vanuit het negatieve.

Als monoculturen iets duidelijk hebben gemaakt, en zullen blijven maken, dan is dat deze culturen van binnenuit rotten. Monocultuur is goed voor inteelt, en planten in een monocultuur zijn gevoelig voor ziektes. Monoculturen zullen altijd het onderspit delven. Gemengde culturen zijn veel weerbaarder voor veranderingen die er altijd zullen zijn.

Ik denk dat Goor, en natuurlijk heb ik dit ook aan hem geschreven (nee, nog geen reactie tot nu toe), de volgende analogie niet begrijpt, maar hij is van toepassing. De analogie van de ratten en de de pest. Hij maakt de fout te denken dat de pest werd over gebracht door ratten. Kul. Humbug. De pest werd door vlooien overgebracht, en vooral ook: door intermenselijk contact.

© Rick Ruhland 2018

PS Waar je mee omgaat, wordt je door besmet. Ik heb moeite met normaal denken, nu ik veel met Goor communiceer. Maar ik kan toch niet stoppen met communiceren? Want dan wint Goor zijn pleit. Zonder tegenspraak en weerwoord is elk ongelijk waarheid.

Advertisements

Een doorwaadbare plaats: 3. Zwemmen (1)

Als rechtgeaarde Nederlander leerde ook ik zwemmen. Dat hoort bij de Nederlandse opvoeding. Ons platte land met sloten, beken, meren, plassen, vijvers, kanalen: je overleeft beter, meer, vaker, als je kunt zwemmen.

Hoewel ik het nooit zo gemerkt als jongetje, is water een bedreiging. Het is geen natuurlijke habitat. Wie in het water ligt, wie drijft, wie zijn hoofd boven water houdt: hij overleeft. Maar ten onder gaan is zo gebeurd. Je moet echt aan het werk wil je boven water blijven. Het is een best angstige omgeving als je niet kunt zwemmen. Ik heb nooit een angst voor water gehad, voor zover ik mij kan herinneren, terwijl ik ergens toch een angst heb moeten overwinnen. De angst van het ten onder gaan, van niet meer kunnen ademhalen. Van het uitstellen van verdrinken. Dat is voldoende motivatie te willen blijven drijven.

Als terzijde: ik vermoed dat ouders hun kroost niet wil (laten) leren zwemmen om de reden dat zwemmen zo leuk is, maar omdat het belangrijk is voor het overleven.
Laat mij dat even heel duidelijk in het centrum van de aandacht stellen: zwemmen is zeer leuk. Voor mij wel. Ik duik nog steeds met veel plezier zwembad of rivier of zee in. In mijn stoutste dromen heeft dat de geilste reden van alle redenen: bijna naakt en zonder sociale weerstand samen zijn in het water waar wij vele miljoenen jaren uit zijn ontsnapt. Back to the roots van ons menszijn. Geen schaamte (bijna dan, want helemaal naakt zwemmen is toch voor veel mensen te stap te ver). Geen kleren (bijna dan, want die zwembroek of bikini moet aan van de samenleving).

Ja, ik denk echt dat wij ons in water willen begeven omdat het een omgeving is waarin we weliswaar niet kunnen ademen, maar als water ons omsluit, verdwaalt onze geest weer in de prehistorische herinnering; met andere woorden, ‘in water zijn’ wordt door onze geest herkend als een moment dat verre voorouders als ‘natuurlijke habitat’ had. Ik denk dat het nog verder gaat: we voelen ons thuis in water als herinnering aan ons meest oorspronkelijke moment. De tijd van ons leven in de baarmoeder.

Voor wie nu roept: is dat niet wat ver gezocht? Natuurlijk, het kan vergezocht zijn, maar dat is het punt niet. Het is een mooi verhaal. Mooi startpunt. Voor nu: meer niet.

Maar de waarheid van mijn goed voelen is veel banaler.

Wat zwemmen voor mij het allerfijnste maakt, in minder filosofische en psychoanalytische zin, en meer in praktische zin is dat water minder zwaar maakt. Dat doet mij goed voelen. Zwemmen maakt niet gewichtsloos, maar wel veel lichter. Bewegen gaat dan weliswaar moeilijker, want lucht geeft minder wrijving, maar hangend, drijvend in het water is het hele lijf bijna licht. Het lichaam voelt veel minder de zwaartekracht.

De tweede reden van mijn goed voelen begon in de hete zomer van 1976 (zie ook het verhaal Zwemmen 2). Ik had twee jaar eerder, op mijn achtste, in een maand tijd zowel diploma A als B gehaald. De foto’s van die tijd laten een onschuldige ik zien die samen met ca. tien kinderen die op de rand van het ondiepe badje in het Stilo-zwembad zitten. Ik herinner niets van die zwemlessen, behalve dat er dus die foto bestaat van mij en een vriendje. De rest van de kinderen zegt me niets. Wie weet woonden ze toen bij mij in de wijk, of wonen ze nu bij mij in de straat. Ik leerde dus zwemmen en ik vond het leuk. Sterker, kunnen zwemmen terwijl de zon die zomer op Nederland neersloeg, dat was een stukje hemel.

De derde en de wellicht belangrijkste reden van mijn zwemgenot gaat aan dat alles voorbij. En dat heeft met het woord genot zelf te maken. Na mijn diploma’s a en b bleek ik een goed zwemmer te zijn. Ik wilde dan ook meer. Dat meer kreeg ik in de vorm van vier jaren en vier diploma’s reddend zwemmen. Pop duiken, een onwillige drenkeling naar de kant brengen (die, mocht de drenkeling de redder in nood in gevaar brengen en onder water trekken, met een klap flinke k.o. mocht worden geslagen…), vele meters maken, met een reddingstouw of -boei gooien, allemaal goed. Elke donderdagavond fietste ik door de stad naar het Stilo-bad; Stilo staat voor STIchting Lichamelijke Oefening. Het bad, het eerste overdekte zwembad in Zwolle (geopend: 1933) dat tot doel had de lichamelijke oefening van de ‘mensch’ te stimuleren, was van een vooroorlogse kwaliteit. Hoekig, veel wit, veel glanzende plavuizen en witte buizen. Nieuwe zakelijkheidsarchitectuur, een beetje Amsterdamse School. Om een idee te krijgen (foto’s zijn van Henriet Kornelis). Dit zijn foto’s van vlak voor de sloop in 1991. Op de eerste foto hangt achterin de hoek een tegeltableau, een kunstwerk dat was gered en in het Hanzebad in Zwolle heeft gehangen. Kunsthistorisch had het tableau weinig waarde en inmiddels is het vernietigd.

csm_zwolle-138_3104d05b20

csm_zwolle-140_06db6bfec2

In dit STILO-zwembad leerde ik zwemmen. Maar dat niet alleen. Hier werd ook de man in het jongetje gewekt. In de laatste jaren van mijn reddend zwemmen, ik was 11 a 12, werd het leven spannender. Een paar van mijn medezwemmers, een lang, dun meisje met donker haar en kort, stevig meisje met blond haar, en een jongen die ik mij verder niet herinner behalve dat er nog een jongen was, zag ik toen steevast in de fietsenstalling. Wat ik daar deed? Roken. Kletsen. Puberaal gedrag, ook al was ik pas 11 of 12. Dat puberale gedrag nam een keer half-seksuele vormen aan doordat ik in de ruimte voor de kleedhokjes…,

Hier dus:

csm_zwolle-143_8460900e0d

… supergeil tongzoende met de blondine, met om ons heen allerlei kinderen met hun ouders die afkeurend keken naar de geile stoot en mij en wij elkaar volstopten met elkaars spuug.

Ik voelde geen enkele schaamte, toen al niet. Als ik de kans had gezien, in het zwembad en na dat zoenen, dan had ik haar geneukt in het diepe. Ja, ik was pas 11. Maar ik was er klaar voor. Helaas letten de badmeesters, onze docenten zwemmend redden reddend zwemmen, iets te goed op om daar echt werk van te maken.

Het zwembad is inmiddels gesloten en gesloopt. Er staan nu lelijke appartementen en alleen de naam van de straat, de Stilobadstraat, herinnert aan het feit dat daar bijna 60 jaar een zwembad heeft gestaan. Voor mij is dat bad een van die plekken waar bijna naakte meisjes, ontluikend en lustopwekkend, met mij ronddreven, en die ik vast mocht pakken als onderdeel van leren reddend zwemmen. De kopgreep, de polsgreep, de schoudergreep, die had ik vrij snel onder de knie. Saai.

Maar een greep deed ik graag en steeds weer: de zeemansgreep. Zeker bij meisjes mijn favoriet. Met mijn arm onder haar oksel door en haar pols vasthouden terwijl mijn onderarm op haar ontwakende borsten leunde.

Zwemmen is geilheid. Terug naar de baarmoeder, terug naar het vruchtwater.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 2.Vissen

Mijn vader zaliger, hij is zo goed als op de kop af drie jaar geleden overleden, was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken, België, naar het oosten en van Zurich, Zwitserland, naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau, net onder Frankfurt am Main. Gross-Gerau: de hoofdstad van een Kreis. Nummerborden uit die streek, dat Kreis, beginnen met GG. Dus als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, maakt mijn hart altijd een huppelsprongetje. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin  asperges worden geteeld. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder even verderop ook veel zand. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn moeder, mijn oma, had vier kinderen gebaard. Zijn vader, mijn opa die ik niet heb gekend, was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille en hij is verdwenen in vermoedelijk 1944. Verhalen doen de ronde dat hij is weggebombardeerd terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland. Die opa heb ik dus nooit leren kennen. Toen de oorlog voorbij was, lag de stad in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.
Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De dingen die hij, een elektricien, mij leerde hadden te maken met stroom, met name hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Maar ik viste wel, door mijn Nederlandse opa. En waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli, terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet hebben of zelf een vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel van een waterplant op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.
Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

Mijn eerste keer: visioen

Het klinkt middeleeuws. Het woord visioen. Maar dat is het om de drommel niet. Het is een levend verschijnsel. Helaas, zo is mijn overtuiging, heeft visioen vooral een betekenis in religieuze contexten. Daar betekent visioen zoiets als een droombeeld of verschijning hebben die ervaren wordt als bovennatuurlijk of mystiek. Aan die beelden wordt vaak ook een voorspellend vermogen toegeschreven. Dat zal wel zo zijn, maar ook gewone mensen als ik hebben visioenen.

Ik ben niet monotheïstisch religieus, ik ben geen overtuigd aanhanger van een leven na de dood, ik denk niet dat er een hemel is, en zo kan ik nog wel even door gaan. Als ik al een geloof aanhang, dan is het een geloof in mensen. In menselijkheid. In mijn dagelijkse doen en laten ben ik misschien een beginnend boeddhist, of een agnosticus. Ik kom vaak niet verder dan ‘Ik weet het niet’.

Wat ik wel weet is wanneer ik mijn eerste visioen had. Ik was student, en op een windstille zondagmiddag zat ik in de leren stoel in mijn studentenkamertje en keek naar buiten. Ik voelde opeens dat ik uit mijn stoel opstond zonder dat ik opstond. Toen ik dat besefte, klommen mijn lichaam en geest terug zijn mijn lijf. En toen gebeurde het: ik was terug in mijn lichaam en zag toen een andere werkelijkheid. Ik zag mezelf en onbekende mensen die in een ruimte waren waar zij spraken over onderwerpen die ik niet snapte. Nog niet snapte, moet ik zeggen, want ruim zeven jaar later had ik een déjà vu van wereldformaat. Ik was werkelijk in die ruimte die ik in mijn visioen had gezien. Ik hoorde de woorden van weleer. En ik wist: in die stoel op die zondagmiddag jaren eerder heb ik een visioen gehad. Een beeld uit de toekomst. Mijn eigen toekomst.

Ik heb die visioenen vandaag de dag nog. Maar net als over tijdreizen en tijdreiziger zijn kun je beter maar niet spreken over die zaken die andere mensen niet snappen, die andere mensen afwijzen, die niet passen in het tijdsgewricht.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het paargedrag van de groengerande mestkever in zuidoost Australië tussen 1820 en 1840: een casestudie. Auteur: Icke van Yke.

Samenvatting: Het mag geen verbazing wekken dat we van het gedrag van dieren die al 100 of 200 jaar dood zijn niet tot nauwelijks weten wat en hoe ze deden. Denk aan de quagga, de Tasmaanse tijger, de dodo. Om een mijns inziens nog aansprekender voorbeeld te geven: we hebben geen idee hoe dinosauriërs klonken. Jankten ze als honden, brulden ze als leeuwen, loeiden ze als koeien, blaften ze als hyeana’s?
Van Yke heeft een onderwerp van die orde bij de kop gepakt. De voortplanting van kevers in het verleden. Haar onderzoeksobject is wel zeer specifiek: de mestkever. Het gevaar van de studie zit echter elders: de periode waarover het onderzoek gaat. Waarom die jaren: 1820 tot 1840? Alsof er toen al genoeg mest was in Australië!

Eindoordeel: Niet best. Geen DNA-onderbouwing. Selectieve dataverzameling. En waarom zuidoost Australië? Daar kwam de kever destijds helemaal niet voor!

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

Op de derde zaterdag voor Pasen…

Wat ik mij afvraag, al sinds ik op een christelijke school zat, was dat als Adam en Eva inderdaad de eerste mensen waren en de bijbel is de enige ware schrift waarin alles staat dat juist is en zonder uitzondering de geschiedenis van de aarde en de mensheid beschrijft, zoals beweerd wordt door Ken Ham the man, een christenfundamentalist die in een museum poppen van Adam en Eva in een en dezelfde ruimte plaatst met dinosauriërs en dat die dus samengeleefd hebben, terwijl die beesten helemaal niet genoemd worden in de bijbel…; ja, of misschien wel, maar dan heb ik een andere bijbel gelezen; als ik dan toch de juist bijbel heb gekozen, dan is Ken Ham aan het liegen en de bijbel aan het verdraaien…; kortom…,

Of in het kort:

<Life of Brian toontje> Blasphemy! </Life of Brian toontje>

[… waar was ik?? Oh ja] en Eva en Adam hadden twee zonen, waar hebben die dan mee geneukt zodat nu op de wereld ruim zeven miljard mensen rondlopen? Met hun moeder? Was er bij de eerste mensen al sprake van incest? Had Eva dus niet alleen kinderen bij Adam, maar ook bij haar twee zonen? Dat zijn overdenkingen waar je een religieus gelovige zelden over hoort spreken. Dat zijn overdenkingen die je ook hedentendage op de virtuele brandstapel kunnen brengen.

Ik denk dat ik weet wat het geval is. Dat is waarschijnlijk de wonderbaarlijke vermenigvuldiging, die per ongeluk in het Nieuwe Testament is terecht gekomen. Of waren er toch meer mensen gemaakt door God? Maar dat staat niet in de bijbel. Dat is dus niet waar. Als God toch meer mensen heeft gecreëerd, dan kan de bijbel letterlijk niet waar zijn gebeurd. Of waren er meer goden? Die allemaal mensen maken.

Mijn intuïtie zegt nu, nu ik over de helft van mijn leven ben: goden bestaan en zij maken elke dag nieuwe mensen. Voortplanting is ook een manier van nieuwe mensen maken, maar de goden voegen af en toe mensen toe, of halen mensen weg. Dat zou past echt goddelijk zijn.

Zoals het nu staat: slechts een oermoeder en slechts een oervader moet een verzinsel zijn. Net als kunst. En sport. En wetenschap.

De mens bestaat niet eens. God daarentegen?  Zij wel.

© Rick Ruhland 2018