Vroege en / of late herfstzon

Stel: je hebt een beeld voor ogen. Dat beeld is een visuele voorstelling. Anders dan deze tekst is zo’n voorstelling geheel en al zonder woorden. Maar je wilt dat beeld uiteindelijk in woorden omzetten. Welke woorden kies je dan? Zoals uit de titel van deze blogtekst (b)lijkt, gaat het om de zon, iets met herfst en iets met vroeg en / of laat.

Oké, concreet:

Het beeld dat ik voor ogen heb, en dat ik wil gebruiken in een kort verhaal (misschien wordt hier al duidelijk waar een van de schoenen van een tekst versus een beeld gaat wringen), is dat van een zon in de herfst. Een voorbeeld – onderstaande foto is gemaakt door mij, in de herfst, maar nog niet ver – of diep of laat – in de herfst, aangezien de bladeren nog groen zijn:

IMG_9085.jpg

Klein beetje informatie over deze foto. De foto is genomen begin oktober. Zowel meteorologisch als astronomisch en gastronomisch is oktober net als november een herfstmaand, en ‘begin oktober’ is vroeg in de herfst. De foto is daarnaast een foto van de zon die door de bomen schijnt. De foto tenslotte is genomen in de ochtend, vroeg op de dag dus.

Goed, deze uitweiding was nodig om het probleem te schetsen. Als je spreekt over een vroege herfstzon, is dat dan een zon die vroeg in de herfst schijnt? Zoals op de foto? Of is een vroege herfstzon een zon die vroeg op de dag schijnt, ergens in de herfst? Zoals op de foto?

Misschien is er een uitweg, en is het één ‘een vroege herfstzon’ en het andere ‘een vroege-herfstzon’. Ik heb natuurlijk die oplossing overwogen, maar die maakt het probleem niet kleiner.

Nog een stap verder: wat nou als je een foto maakt, van een bos, waarachter in de verte de zon schijnt? Wat nou als die foto is gemaakt op de namiddag op Sint Andreas Dag (de naamdag van de patroonheilige, 30 november)? Is dat dan een foto van een late late-herfstzon? De overige drie voorbeelden – laat vroeg, vroeg laat, vroeg laat – zijn van dezelfde orde en grootte.

En snapt iedereen meteen wat een ‘late vroege-herfstzon’ is? Of een vroege late-herfstzon?

En nu de crux:

Ik denk dat er iets anders aan de hand is: een Fregiaanse (hier staat wat meer informatie over Frege) botsing der betekenissen. Een botsing waarbij betekenissen, semantische tokens en feitelijke, morfologische bouwstenen in elkaar verstrengeld raken en niet meer zijn te ontwarren. Dat is uitermate prettig. Dat is namelijk de plek waar werkelijkheden los komen te staan van de werkelijkheden. Waar poëzie wordt voorbij gestreefd door poëzie.

Dat is waar ik nu graag vertoef. Daar waar woordspelingen hun waarde verloren hebben, daar waar woorden niet los staan van zichzelf of elkaar, daar waar talige solidariteit uit en tegelijkertijd in het soldeertin van het solipsistische Dasein is opgenomen.

Ik kan ook weer eens mijn psychiaters een bezoek gaan brengen. En met hen praten over de koele meeren des doods.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Scenes from a thesis: research question

“If some theories on human development propose discontinuity and others assume continuity as the quantitative pattern in development, and under the assumption that underlying properties of UG and principles are either available to a child from birth on or they become available during development, what are the sorts of change in language development in terms of a relationship between a change on the time-axis and a change on the score-axis?”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #1

Waarom draag jij altijd twee verschillende sokken?

Laat ik meteen een misverstand uit de weg ruimen hier. Het is niet ‘altijd’. Wel meestal. Waarom niet altijd? Als ik twee dezelfde sokken draag, dan heeft te maken met de dikte of soort stof. Het loopt namelijk niet lekker als je een dikke sok links draagt, en een dunne sok rechts. Helemaal niet bij het sporten, of een lange wandeling. En er is nog een reden waarom ik soms twee dezelfde sokken draag: als die sokken gloednieuw zijn. Je komt ze in de winkel en dan zitten ze nog aan elkaar: met zo’n stukje karton, of met zo’n plastic draadje dat aan de uiteindes een dwarsstukje heeft en dat lastig los te krijgen is; je hebt altijd een schaar of een mes nodig. ALS ik die Siamese sokken gescheiden dan eindelijk heb, ga ik ze niet meteen uit elkaar halen. Dat zou sokonterend zijn. Die eerste keer houd ik de twee sokken als paar bij elkaar en draag die dag dus dezelfde sokken.

Dat ik voor het overige wel twee verschillende sokken draag, heeft redenen. Het begon lang geleden. Ik was in die tijd erg druk met van alles en nog wat, en tijd om te wassen had en nam ik vaak niet. Ik kocht eerder een paar nieuwe sokken dan dat ik ging wassen. Als ik dan toekwam aan een was draaien, dan had ik naderhand een enorme hoeveelheid ongesorteerde sokken. Ongesorteerd wil zeggen: heel veel paren sokken die niet bij elkaar lagen. Ik begon aan het sorteren, maar al na korte tijd stoorde ik me aan de handeling. Ik legde de sokken weg die ik in de hand had, en dacht na over sokken en sorteren. Een van de eerste vragen die ik mezelf stelde: waarom sorteer ik eigenlijk? Waarom zouden twee verschillende sokken niet bij elkaar kunnen horen? Laat je niet zo in de maling nemen. Dat die sokken hetzelfde zijn als je ze koopt, is misschien nog tot daar aan toe, maar om nou steeds de symmetrie te handhaven… Nee!

Daar kwam bij dat ik me extreem stoorde aan het feit dat van de twee sokken steevast een sok eerder een gat had, of eerder versleten was, dan de andere sok. Een gat maken, dat ging nog. Maar als een sok aan zijn levenseinde was, dan moest hij naar de sokkenhemel. Moest de andere sok dan dus ook het loodje leggen? Nee, sokverdorie. Natuurlijk niet. Give sock a chance. Lennon zong het al.

Een laatste reden waarom ik twee verschillende sokken draag? Ik wil niet volgen. Omdat iedereen twee dezelfde sokken draagt, wil ik dat niet hoeven doen. Ik hoef ook niet steeds af te wijken van de goegemeente, de massa. Maar ik wil zeker niet steeds hoeven meedoen met de massa. Ik en mijn sokken, wij doen wat wij willen.

© Rick Ruhland 2018

Praktische oplossingen 5

Het nadeel van verbruiksgoederen die je gebruikt in de douche of op het toilet is dat ze in geur opgaan. Ze zijn na korte tijd verdwenen. Neem nou toiletverfrissers. Die hang je in de wc-pot, maar ze zijn binnen de kortste keren op. Ik heb een verdraaid handige oplossing om lang plezier te hebben van deze verfrissers. Deze:

IMG_8917.jpg

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 2.Vissen

Mijn vader zaliger, hij is zo goed als op de kop af drie jaar geleden overleden, was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken, België, naar het oosten en van Zurich, Zwitserland, naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau, net onder Frankfurt am Main. Gross-Gerau: de hoofdstad van een Kreis. Nummerborden uit die streek, dat Kreis, beginnen met GG. Dus als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, maakt mijn hart altijd een huppelsprongetje. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin  asperges worden geteeld. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder even verderop ook veel zand. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn moeder, mijn oma, had vier kinderen gebaard. Zijn vader, mijn opa die ik niet heb gekend, was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille en hij is verdwenen in vermoedelijk 1944. Verhalen doen de ronde dat hij is weggebombardeerd terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland. Die opa heb ik dus nooit leren kennen. Toen de oorlog voorbij was, lag de stad in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.
Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De dingen die hij, een elektricien, mij leerde hadden te maken met stroom, met name hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Maar ik viste wel, door mijn Nederlandse opa. En waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli, terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet hebben of zelf een vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel van een waterplant op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.
Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

© Rick Ruhland 2018

Bladzijdeverbranding

Op beelden uit Amerika in een documentaire zijn mensen te zien die platen – LP’s en singles – op een stapel gooien en vervolgens die stapel in brand steken. Die beelden zijn niet van recent, maar van 50 jaar geleden. Mensen van toen wilden niets meer te maken hebben met die platen. En eigenlijk was die plaatverbranding het gevolg van maar een opmerking: “We’re more popular than Jesus.” Voor wie niet weet wie die opmerking maakte: dat was John Lennon. Zanger, gitarist, componist van de grootste band ooit, The Beatles. Hij had gelijk: zeker op dat moment waren de Beatles zo populair dat Jezus er niet aan kon tippen. Hoe juist ook, het leidde bij velen in de VS tot een woede-uitbarsting. Dat een muzikant zomaar zoiets durfde te beweren: dat kon niet. Of zoals een meisje zei: ‘Stel je voor dat mensen, jongeren vooral, zoiets horen.’

30 jaar daarvoor waren volksstammen bezig met iets vergelijkbaars: het verbranden van boeken. Destijds ging het om boeken van een religieuze minderheid die moest worden geëlimineerd. Boeken, kunst, synagogen, en uiteindelijk mensen moesten worden verbrand. Ook voor hen die kunst en daarmee ook mensen op de brandstapel en in gaskamers gooiden geldt: de angst was groot want tja, wie weet zou de eigen cultuur wel eens bedreigd kunnen worden. Angst, altijd een slechte raadgever.

In onze tijd zijn om weer andere redenen andere volksstammen bezig met het kapot maken van alles wat niet past in het beeld dat die die stammen hebben van wat juist is en wat niet. Beelden en andere overblijfselen van oude culturen worden vernietigd, zelfs als die beelden geen enkele schade aan het huidige denken en handelen van die volksstammen kunnen aanbrengen. Die uitingen van andere geloven, van anders denken, moeten vernietigd worden. Ausrotten, ‘iibadatan, annihilate. De mens is nou eenmaal een kwaadaardig wezen.

Ja, de mens is ook een scheppend wezen, maar na het scheppen vooral een destructief wezen. Ik ook? Ik ben in mijn diepste zijn geen destructief wezen. Ik kan wel dingen stuk maken. Een krant stuk scheuren om als aanmaakpapier voor de open haard te gebruiken, om maar wat te noemen. Maar wat nou als je geen krant in huis hebt, maar nog wel een boek? Een boek dat je gelezen hebt, dat je niet geweldig vond, dat je zou willen doorgeven aan een vriend maar dat niemand wil hebben, en dat zelfs de kringloopwinkel niet wil hebben. Gooi je dat boek in een papierbak? Ik kan dat niet.
Dan nu de hamvraag: mag je een pagina uit dat boek scheuren om te gebruiken als aanmaakpapier, als je ver geen enkel papier meer hebt? Ja, want dan heeft het boek nog nut. Mag 2 pagina’s ook? Of 10? 20 dan? 20 mag ook. Nou had ik een boek dat 20 pagina’s groot was. Ik heb eerst alle pagina’s gebruikt, en de kaft was ook wel te gebruiken als aanmaakpapier. Ik heb dus een boek verbrand om een haardvuur aan te krijgen. Heiligt het haardvuur de middelen?

Ben ik nu van dezelfde orde als zij die platen van de Beatles verbrandden, als de nationalisten die enartetete Bücher naar de brandstapel brachten, en de religieuzen die kapot maken wat van een ander geloof is?

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018