Steeds een stap vooruit

Wat iemand in het verleden bereikt en gepresteerd heeft, geeft geen garanties voor het heden. Wat iemand in het verleden niet heeft gedaan, is evenmin een garantie voor het heden. Wat ik wil zeggen: zelfs al zou een mens nog nooit iets hebben gepresteerd, dan kan het zo maar zijn dat die persoon in de toekomst, alle tijd na nu en tot aan de dood, wel van alles presteert. Iets maakt dat heel veel anderen plezier geeft. Of een oplossing voor een probleem bedenkt.

Omgekeerd komt ook voor: iemand heeft in het verleden iets gepresteerd en daarna nooit meer iets. Datgene wat iemand ooit heeft gedaan in het verleden kan best bijzonder zijn geweest. Maar er zijn mensen die dat aan de lopende band doen. Benadrukken wat zij ooit hebben gedaan. Dat is dan ook vaak het enige waar die persoon op kan terugvallen als het gaat om zijn of haar succes. Sommige mensen doen dat uit den treure. Blijven hameren op een ooit bereikt iets. En hoe groot of klein dat ook is, blijven hameren is stilstand.

Wat een mens ook heeft gedaan, is eigenlijk irrelevant. Wat iemand nu doet, en gaat doen, dat is relevant. Dat is voor mij een waarheid als een koe. Wat ik zeker niet wil en niet moet doen is wachten tot het leven voorbij is en dan maar niets doen.

Dat eerste – ik heb ooit iets gedaan en daarmee is de kous van mijn leven af – wil en zal ik nooit doen en dat niet doen is dan ook een van de uitgangspunten van mijn leven. Ik wil en mag ook niet denken dat ik iets in het verleden heb gedaan dat ik altijd kan aandragen als mijn roemmoment. Mijn 15 minuten. Een eigenschap die veel 15-minuters tot in den eeuwigheid uitdragen: ik was ooit beroemd (als in de spotlights) en dat zal ik altijd noemen. Los van dat noemen: roem en ook geld / bezit zijn bijzaken van het leven.

Dat beroemen op een roemmoment zal ik niet doen. Ik wil verder dan waar ik was. Het telkens weer noemen van een succesje uit het verleden zal aanleiding geen stap verder te komen. Dat heeft een reden: teveel onrust om het te houden bij wat ik heb gedaan, te veel onrust om uit te zoeken wat ik nog ga doen.

Ik zeg met regelmaat dat ik een beginnend boeddhist ben. Beginnend, omdat menig boeddhistische opdracht nog niet vervuld is. Een daarvan is: Verlichting vinden door niet steeds te blijven zoeken. Een van mijn persoonlijke mantra’s die maar moeilijk in de praktijk te brengen is. Niet meer zoeken is altijd een angstbeeld geweest. Voorlopig lukt dat slecht. Ik moet schrijven. Ik moet muziek maken.

Maar wat wel een boeddhistische snaar raakt: een enkele stap tegelijk. Geen springen, geen rennen, niet huppelen, niet hinkelen. Geniet bij elke stap van uitzicht of inzicht die die stap je brengt.

Het nastreven van roem en geld is als een cirkel naar een in-zichzelf-gekeerdheid die steeds op een ander punt lijkt uit te komen, maar steeds een herhaling van zetten is. Het nastreven is uitholling van het eigen standpunt, de eigen standplaats. Het is een diepgaand lijden zonder dat iemand beseft dat het lijden door diegene zelf wordt veroorzaakt.

Overtref jezelf en het leven wordt leuker, trachten anderen te overtreffen en de kans is groot dat de valstrik van verdriet e te pakken krijgt. Overtref jezelf, als overtreffen je ding is. Maar alleen dan als dat rust geeft en het lijden niet meer is.

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

Praktische oplossingen 6: dennennaaldenbezem

In de kersttijd staat de kerstboom, punt natuur natuurlijk, na een paar weken in de woonkamer er uitgedroogd bij. De naalden liggen als een stralenkrans rond de stam. Het is natuurlijk zonde om die naalden weg te gooien, en dat geldt ook voor de stam. De stam en takken zijn goed te verzagen tot haardvuurhout, maar de naalden, dat is een ander verhaal. Mijn eerste idee was om ze als vulling voor een hoofdkussen te gebruiken, maar dat ligt niet lekker, zo bleek.

Ik heb een betere oplossing. Ik veeg de naalden op een hoop en leg ze dan als een reeks naalden naast elkaar. Vervolgens zaag ik een plankje van 30 cm bij 3 cm. Bijzonder duurzaam: uit de stam van de kerstboom. In dat plankje frees ik vijf zeer dunne groeven. In die groeven lijm ik dan stuk voor stuk naalden. Uiteindelijk heeft de plank een vijftal borstels, die samen een bezem vormen.

© Rick Ruhland 2019

Dode duif

Er lag een duif op de weg. Plat gereden. Dood ook.

Spontaan barstte ik in zingen uit.

‘Death is all around me, and so the feeling grows.’

En voor ik het wist, bedacht ik liedjes met love in de titel. Ik verving love door death.

‘All you need is death.’

‘Can’t help falling in death.’

‘Crazy little thing called death.’

‘Death is a battlelfield.’

‘Whole lotta death.’

Ik werd er blij van. De dood is waarder dan de liefde. Niet iedereen leert liefde kennen, maar de dood? Ja, de dood is belangrijker dan de liefde.

© Rick Ruhland 2019

 

 

 

Scenes from a thesis: competence & performance

“The idea of an underlying structure is a crucial element of generative grammars. This idea makes it plausible that language is more than just a string of sounds and sentences. Furthermore, complementary evidence for underlying structures can be found in a discussion on competence and performance. When adults are asked to, they can perfectly well say which utterances are and which utterances are not grammatical. Apparently, we humans have inbuilt knowledge of language, usually referred to as competence. Even children (at the age of 4) seem to have a knowledge of language when they are offered incorrect sentences that they have to repeat (Ruhland, 1991)*. In daily life, we do not use all language knowledge we can [use], for practical reasons. Performance is what we use everyday in communication: it is our competence hampered by factors like memory and abilities of the hearer or the reader to understand language.”

© Rick Ruhland 2018

* De acquisitie van ‘hoeven’ / Rick Ruhland’, In: Tabu. Jaargang 21, 1991.

Proefschrift van de week

Titel: Contrabassen in de tuin: lage tonen en de groei van wortels. Auteur: Bard Moud de Zong.

Samenvatting: Er is meer tussen hemel en aarde dan wij mensen beseffen. Dat lijkt een beetje het uitgangspunt van Contrabassen in de tuin. Het onderzoek is mooi van opzet, net als de omslag van het proefschrift. De opzet is als een canon van Bach, en dat nekt ook tegelijkertijd de kwaliteit. Literair, maar niet wetenschappelijk.
Wat is Zongs punt? De menselijke zintuigen bevatten veel meer dan de vijf die normaal worden onderscheiden. We weten eigenlijk nauwelijks, gezien de definitie van de term zintuig die we normaal gesproken hanteren, iets van hoe organismen zoals zoogdieren de werkelijkheid waarnemen. Van planten weten we misschien nog wel minder.
Moud de Zong doet een poging ons gapende gat van plantenzintuigen te dichten. Uitgangspunt van zijn studie is het idee dat lage tonen (met de bijbehorende trillingen) de groei van wortels bevordert. Hij heeft daarbij ook gekeken naar hoe blessures van achillespezen van sporters worden behandeld met lage trillingen.
In verschillende settings (in een kas versus buiten, bloemen versus planten, inheemse planten versus exoten) zijn experimenten gedaan.

Eindoordeel: Wat een nonsens. Veel meer woorden maak ik er niet aan vuil. Resultaten zijn er niet, onderzoeksgelden zijn verspild, en wetenschappelijk noch praktisch heeft het onderzoek nut. In de compostbak ermee.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: De omkeerbaarheid van vuur. Auteur: Agnes Følkæn.

Samenvatting: Filosofie en natuurkunde. Ik denk dat van alle proefschriften die ik gelezen heb op het vlak van fysica, astronomie en aanverwante gebieden, de rol van de filosofie niet onderschat moet worden. Ook al omdat een enkele goede vraag of verandering van denkwijze zoveel meer waarde heeft dan duizend slechte antwoorden.
Følkæn heeft een achtergrond als fysiochemicus en als filosoof, in het bijzonder cross-culturele wetenschapsfilosofie. Ze kan derhalve in haar onderzoek een zowel experimentele denkrichting inslaan als een onderzoeksmatige of filosofische aanpak kiezen. Dat pleit voor haar. Kern van haar vraag is of entropie van vuur, uitgedrukt in de richting van de tijd (in termen van kwantummechanische bifurcaties) en in de zin van de algehele thermodynamica, in alle opzichten een eenrichtingsverkeer is. Hoewel ze geen eensluidend antwoord geeft, is de belofte van het onderzoek – een mogelijk ja over een aantal decennia, als de wetenschap is voortgeschreden – buitengewoon plezierig.

Eindoordeel: Ik houd wel van dit soort proefschriften. Onderzoek in de letterlijke zin doet Følkæn niet, maar ze snijdt een hoogst intrigerend onderwerp aan, en komt met prikkelende gedachtegangen, stellingen, en redeneringen. Ik kan niet alles volgen (ze schrijft in het Deens, en dat kan ik prima lezen, maar ze hanteert een stijl die tamelijk compact, tegen de cementstijl van o.a. Grooters (tijdgenoot van Newton) aan), maar wat een pracht qua wetenschap. Wetenschap zoals wetenschap bedoeld is.

© Rick Ruhland 2018

Salonfähgetarisch

Ik ben een van de laatste personen die mensen zal bekritiseren op hun niet vlees eten. Sterker, geen of zelfs minder vlees eten vind ik aanmoedigingswaardig. Overigens zullen vegetariërs omgekeerd niet zo snel hetzelfde doen: die moeten vleeseters bekritiseren. Die moeten soms te vuur ende zwaard vlesetariërs bestrijden.

Maar dan nu de hamvraag (ja ja, zo’n woordgrap moet in een ultrakort essay over vlees eten versus groente uitroeien): moet je salonfähgetarisme aanmoedigen? Mensen die om wille van de maatschappelijke veranderingen geen aardappels, groente en een stukje vlees als avondeten op tafel zetten, maar iets zonder dier, een vleesarme of vleesloze maaltijd?

Als ik kijk naar mijn eigen leven kijk, dan speelt ‘geen vlees eten’ zeker een rol. Er was een periode dat ik een jaar of wat bijzonder bot ageerde tegen de bio-industrie, een bedrijfstak die mij deed besluiten om geen vlees meer te eten. Daar ben ik van teruggekomen. Ik vind vlees namelijk niet perse zielig of overbodig. Hoeveel vlees je eet en wat voor soort vlees (geen bio-shit), dat vind ik relevanter dan extremistisch worden en totaal geen vlees meer eten.

Ik eet nu op menige dag geen vlees. Dat maakt mij nog geen salonfähgetariër. Dat zijn mensen die geen vlees eten om dat het bon ton is geen vlees te eten. Ik eet geen vlees omdat ik geen systeem in mijn geest heb dat zegt dat een maaltijd zonder vlees een slechte maaltijd is. Ik eet soms wel vlees vanwege een gerecht dat beter smaakt met vlees dan zonder.

Laten we wel zijn: als de gewoonte vlees eten stopt, maar een keuze wordt, een die je steeds opnieuw kunt maken (en dus ook de keuze betekent dat je wel vlees eet), dan wordt de wereld beter. Daar blijf ik in geloven.

Dus, vooruit, salonfähgetariërs ter wereld, weest bon ton en slacht vanavond een preitje  meer en een kippetje minder. Een kip, een kip, een prei voor een kip.

© Rick Ruhland 2018

Vroege en / of late herfstzon

Stel: je hebt een beeld voor ogen. Dat beeld is een visuele voorstelling. Anders dan deze tekst is zo’n voorstelling geheel en al zonder woorden. Maar je wilt dat beeld uiteindelijk in woorden omzetten. Welke woorden kies je dan? Zoals uit de titel van deze blogtekst (b)lijkt, gaat het om de zon, iets met herfst en iets met vroeg en / of laat.

Oké, concreet:

Het beeld dat ik voor ogen heb, en dat ik wil gebruiken in een kort verhaal (misschien wordt hier al duidelijk waar een van de schoenen van een tekst versus een beeld gaat wringen), is dat van een zon in de herfst. Een voorbeeld – onderstaande foto is gemaakt door mij, in de herfst, maar nog niet ver – of diep of laat – in de herfst, aangezien de bladeren nog groen zijn:

IMG_9085.jpg

Klein beetje informatie over deze foto. De foto is genomen begin oktober. Zowel meteorologisch als astronomisch en gastronomisch is oktober net als november een herfstmaand, en ‘begin oktober’ is vroeg in de herfst. De foto is daarnaast een foto van de zon die door de bomen schijnt. De foto tenslotte is genomen in de ochtend, vroeg op de dag dus.

Goed, deze uitweiding was nodig om het probleem te schetsen. Als je spreekt over een vroege herfstzon, is dat dan een zon die vroeg in de herfst schijnt? Zoals op de foto? Of is een vroege herfstzon een zon die vroeg op de dag schijnt, ergens in de herfst? Zoals op de foto?

Misschien is er een uitweg, en is het één ‘een vroege herfstzon’ en het andere ‘een vroege-herfstzon’. Ik heb natuurlijk die oplossing overwogen, maar die maakt het probleem niet kleiner.

Nog een stap verder: wat nou als je een foto maakt, van een bos, waarachter in de verte de zon schijnt? Wat nou als die foto is gemaakt op de namiddag op Sint Andreas Dag (de naamdag van de patroonheilige, 30 november)? Is dat dan een foto van een late late-herfstzon? De overige drie voorbeelden – laat vroeg, vroeg laat, vroeg laat – zijn van dezelfde orde en grootte.

En snapt iedereen meteen wat een ‘late vroege-herfstzon’ is? Of een vroege late-herfstzon?

En nu de crux:

Ik denk dat er iets anders aan de hand is: een Fregiaanse (hier staat wat meer informatie over Frege) botsing der betekenissen. Een botsing waarbij betekenissen, semantische tokens en feitelijke, morfologische bouwstenen in elkaar verstrengeld raken en niet meer zijn te ontwarren. Dat is uitermate prettig. Dat is namelijk de plek waar werkelijkheden los komen te staan van de werkelijkheden. Waar poëzie wordt voorbij gestreefd door poëzie.

Dat is waar ik nu graag vertoef. Daar waar woordspelingen hun waarde verloren hebben, daar waar woorden niet los staan van zichzelf of elkaar, daar waar talige solidariteit uit en tegelijkertijd in het soldeertin van het solipsistische Dasein is opgenomen.

Ik kan ook weer eens mijn psychiaters een bezoek gaan brengen. En met hen praten over de koele meeren des doods.

© Rick Ruhland 2018