Bladzijdeverbranding

Op beelden uit Amerika in een documentaire zijn mensen te zien die platen – LP’s en singles – op een stapel gooien en vervolgens die stapel in brand steken. Die beelden zijn niet van recent, maar van 50 jaar geleden. Mensen van toen wilden niets meer te maken hebben met die platen. En eigenlijk was die plaatverbranding het gevolg van maar een opmerking: “We’re more popular than Jesus.” Voor wie niet weet wie die opmerking maakte: dat was John Lennon. Zanger, gitarist, componist van de grootste band ooit, The Beatles. Hij had gelijk: zeker op dat moment waren de Beatles zo populair dat Jezus er niet aan kon tippen. Hoe juist ook, het leidde bij velen in de VS tot een woede-uitbarsting. Dat een muzikant zomaar zoiets durfde te beweren: dat kon niet. Of zoals een meisje zei: ‘Stel je voor dat mensen, jongeren vooral, zoiets horen.’

30 jaar daarvoor waren volksstammen bezig met iets vergelijkbaars: het verbranden van boeken. Destijds ging het om boeken van een religieuze minderheid die moest worden geëlimineerd. Boeken, kunst, synagogen, en uiteindelijk mensen moesten worden verbrand. Ook voor hen die kunst en daarmee ook mensen op de brandstapel en in gaskamers gooiden geldt: de angst was groot want tja, wie weet zou de eigen cultuur wel eens bedreigd kunnen worden. Angst, altijd een slechte raadgever.

In onze tijd zijn om weer andere redenen andere volksstammen bezig met het kapot maken van alles wat niet past in het beeld dat die die stammen hebben van wat juist is en wat niet. Beelden en andere overblijfselen van oude culturen worden vernietigd, zelfs als die beelden geen enkele schade aan het huidige denken en handelen van die volksstammen kunnen aanbrengen. Die uitingen van andere geloven, van anders denken, moeten vernietigd worden. Ausrotten, ‘iibadatan, annihilate. De mens is nou eenmaal een kwaadaardig wezen.

Ja, de mens is ook een scheppend wezen, maar na het scheppen vooral een destructief wezen. Ik ook? Ik ben in mijn diepste zijn geen destructief wezen. Ik kan wel dingen stuk maken. Een krant stuk scheuren om als aanmaakpapier voor de open haard te gebruiken, om maar wat te noemen. Maar wat nou als je geen krant in huis hebt, maar nog wel een boek? Een boek dat je gelezen hebt, dat je niet geweldig vond, dat je zou willen doorgeven aan een vriend maar dat niemand wil hebben, en dat zelfs de kringloopwinkel niet wil hebben. Gooi je dat boek in een papierbak? Ik kan dat niet.
Dan nu de hamvraag: mag je een pagina uit dat boek scheuren om te gebruiken als aanmaakpapier, als je ver geen enkel papier meer hebt? Ja, want dan heeft het boek nog nut. Mag 2 pagina’s ook? Of 10? 20 dan? 20 mag ook. Nou had ik een boek dat 20 pagina’s groot was. Ik heb eerst alle pagina’s gebruikt, en de kaft was ook wel te gebruiken als aanmaakpapier. Ik heb dus een boek verbrand om een haardvuur aan te krijgen. Heiligt het haardvuur de middelen?

Ben ik nu van dezelfde orde als zij die platen van de Beatles verbrandden, als de nationalisten die enartetete Bücher naar de brandstapel brachten, en de religieuzen die kapot maken wat van een ander geloof is?

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

Tijdreizen is niet voor iedereen

Ze worden weggehoond. Ze worden niet geloofd. Wat hun boodschap ook is. Vooral als het niet paste in de tijd waarin zij hun uitspraken deden.

Maar ik geloof ze, want het is waar. Waar, zeg ik, want ze bestaan. De tijdreizigers die ons steeds vaker bezoeken.

Laten we even duidelijk stellen: de gasten in de volgende filmpjes zijn geen tijdreizigers maar aandachtsgeilerds. Luister naar de inconsequenties, het gebrek aan antwoorden (die er overigens wel zijn), en de lukrake opmerkingen over de toekomst. Deze baardmans die een tekst opleest, is wel de minst geloofwaardige.

Michael Phillips, nog zo’n fake. Over 2 jaar weten we of de Derde Wereldoorlog begonnen zal zijn. #not.

Edward met het geblurde gezicht.

Zoals al vaker opgemerkt zijn de meeste breinreizigers blank, man en zijn ze angstig. Zie ook dit artikel.

Daar zit een reden achter. Iets met DNA en iets met de gevolgen van tijdreizen (op het niveau van neuronen en dendrieten). Maar ik kan daar niet meer over zeggen. Dat zou mij ook de kop kunnen kosten.

Wat tijdreizen lastig maakt, is dat andere tijden vast zitten in hun eigen hier en nu. De menselijke geest komt daar niet makkelijk uit. Tijdreizigers zelf niet, maar ook de mensen vast in hun tijd zit niet. Wie zijn tijd vooruit is, of achteruit, die wordt niet serieus genomen, of zelfs opgeknoopt. Aan de geestelijke schandpaal of aan de echte galg.

En dan nog: dat ze zelfs in hun eigen tijd niet worden geloofd, is geen voorwaarde te geloven dat iemand tijdreiziger is.

Ik ben ervaringsdeskundige. Toen ik de eerste keer terug ging, of zoals wij het in onze tijd noemen, toen ik de syncronicitijd doorbrak, had ik hetzelfde te verduren. Maar ik was toen al wat ouder dan ik nu ben. Dat maakt dat mensen mij minder snel zullen afwijzen.

Ik heb mensen als John Titor, Michael Phillips, Bryant Johnson, Alexander Smith, Håkan Nordkvist nooit ontmoet, maar als zij al tijdreiziger zijn, dan schenden zij veel, te veel regels. Zij hebben dan ook meestal slechts een keer gereisd, daarna worden ze onderworpen aan het derde protocol.

En dit? Hij is gewoon een aandachtszoeker.

Een vriend van mij heeft het wel eens juist verwoord: de menselijke geest is nog niet in staat tijdreizen te begrijpen, laat staan te bedenken, laat staan uit te vinden, laat staan te doorstaan. Niet het reizen door iemand zelf, niet het reizen door iemand anders. Tijdreizigers die zeggen dat ze uit de 22e, 23e of 24e eeuw komen zijn sowieso leugenaars. Je moet eerder in termen van millennia van millennia denken.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

Mijn eerste keer: visioen

Het klinkt middeleeuws. Het woord visioen. Maar dat is het om de drommel niet. Het is een levend verschijnsel. Helaas, zo is mijn overtuiging, heeft visioen vooral een betekenis in religieuze contexten. Daar betekent visioen zoiets als een droombeeld of verschijning hebben die ervaren wordt als bovennatuurlijk of mystiek. Aan die beelden wordt vaak ook een voorspellend vermogen toegeschreven. Dat zal wel zo zijn, maar ook gewone mensen als ik hebben visioenen.

Ik ben niet monotheïstisch religieus, ik ben geen overtuigd aanhanger van een leven na de dood, ik denk niet dat er een hemel is, en zo kan ik nog wel even door gaan. Als ik al een geloof aanhang, dan is het een geloof in mensen. In menselijkheid. In mijn dagelijkse doen en laten ben ik misschien een beginnend boeddhist, of een agnosticus. Ik kom vaak niet verder dan ‘Ik weet het niet’.

Wat ik wel weet is wanneer ik mijn eerste visioen had. Ik was student, en op een windstille zondagmiddag zat ik in de leren stoel in mijn studentenkamertje en keek naar buiten. Ik voelde opeens dat ik uit mijn stoel opstond zonder dat ik opstond. Toen ik dat besefte, klommen mijn lichaam en geest terug zijn mijn lijf. En toen gebeurde het: ik was terug in mijn lichaam en zag toen een andere werkelijkheid. Ik zag mezelf en onbekende mensen die in een ruimte waren waar zij spraken over onderwerpen die ik niet snapte. Nog niet snapte, moet ik zeggen, want ruim zeven jaar later had ik een déjà vu van wereldformaat. Ik was werkelijk in die ruimte die ik in mijn visioen had gezien. Ik hoorde de woorden van weleer. En ik wist: in die stoel op die zondagmiddag jaren eerder heb ik een visioen gehad. Een beeld uit de toekomst. Mijn eigen toekomst.

Ik heb die visioenen vandaag de dag nog. Maar net als over tijdreizen en tijdreiziger zijn kun je beter maar niet spreken over die zaken die andere mensen niet snappen, die andere mensen afwijzen, die niet passen in het tijdsgewricht.

© Rick Ruhland 2018