WoW: Gegeurtenis

Gegeurtenis: iets heeft plaatsgevonden en daarvan zit nog steeds een geur aan de herinnering vast. Ook: bij het ruiken van een geur denken aan een persoon, een plek of een moment dat iets plaats vond.

Bijna-synoniem: begeurtenis. Hierbij vindt iets plaats in je leven waarna je een geur aan dat moment koppelt. Een begeurtenis gaat dus vooraf aan een gegeurtenis.

© Rick Ruhland 2019

 

Advertisements

Niets van waar, iets van onwaar

Het is voor velen slecht te begrijpen als ik zeg dat ik ‘in ongeveer 20 procent van al mijn uitingen de waarheid spreek, en in de overige (ongeveer) 80 procent lieg’. Want is die opmerking dan een uiting van die 20 % of juist van die 80%? Het is een variant op de logische paradox van Epimenides (zoek zelf even op wat die filosofoof van Kreta ooit beweerde).

Ik geloof heilig in de leugen. Het menselijke liegen is als smeerolie, als kruipolie. Wij willen niet altijd de ongemakkelijke waarheid horen. Als ik het boekje Cijfers zijn als whisky lees, een boekje dat ik mocht ontvangen naar aanleiding van een prijsvraag van de website www.cijfers.net (ga even kijken op die site: leuke feitjes en cijfers over zo goed als alles van deze wereld), dan schijnt 1 op de 7 mensen altijd de waarheid te spreken. Kan dat echt? Kan iemand altijd de waarheid spreken? Ongelofelijk.

Waarom ik geloof in de leugen, is dat de leugen en het liegen de soms harde werkelijkheid iets mooier maakt. Een leugen is per definitie datgene wat we zeggen of schrijven dat niet strookt met de werkelijkheid. Daarbij is het gezegde of geschrevene bewust gedaan. Als er geen opzet is, dan noemen we het geen leugen maar fantasie of vergissing, of overdrijving (zie ook alternative facts, hoewel die net zo goed bij de categorie leugens horen).

Ik lieg overigens niet om indruk te maken. Nee, mijn werkelijkheid en waarheid zijn al spectaculair genoeg. Ik lieg soms om te kijken of degene die mij hoort spreken de onwaarheid herkent. Ik lieg ook om de verfraaiing. Jaar of 20 geleden had ik de eer Elisabeth Loftus te ontmoeten (is dit waar of niet? Maakt dat wat uit?). Haar werk is leuk omdat zij de plooibaarheid van ons menselijk geheugen heeft onderzocht. Haar bevindingen maken duidelijk dat we van nature geen robuust stel hersenen hebben die precies vastleggen wat werkelijk is en wat werkelijk is gebeurd. ‘Werkelijk’ is een term die in zichzelf al een false positive is. Een term als ‘werkelijk’ is, net als ‘waarheid’, wat de gek en wijze er voor geeft.

Al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt hem wel.

Het enige gevaar van de leugen is als mensen de leugen misbruiken. Als mensen liegen over hun leugens. In zulk een tijdsgewricht leven we anno 2019. De waarheid, wat die ook is, zal de mens niet klein krijgen. De leugen wel. Op naar de ondergang, op naar de apocalyps. Hier met de avonturen, hier met de entropie.

Wat waar is, is gekte met een goudlaagje.

© Rick Ruhland 2019

 

Een doorwaadbare plaats: 6. Zwemmen 2

Zwemmen is een bezigheid die niet alleen met overleven te maken heeft. Zwemmen is ook plezier, vooral als dat zwemmen buiten is. Buiten zwemmen betekent aangename temperaturen, buiten zwemmen betekent afkoeling, buiten zwemmen betekent zomer (ik tel de idioterie van ’s winters de zee in duiken bij wijze van nieuwsjaarsduik niet mee).

Buiten zwemmen is voor mij pas goed begonnen in een vooroorlogs openluchtbad. De warme zomer van 1976 is daarbij het anker waaraan mijn goede gevoelens van zwemmen in de open lucht hangen. Een hete zomer, en ik heb net anderhalf jaar eerder mijn A en B diploma gehaald, dus met mijn jaarabonnement ben ik bijna dagelijks in het bad te vinden.

Wat doe ik in het openluchtbad? Baantjes zwemmen? Ben je gek! In het water, uit het water. Bommetje. 1-meterplank, 3-meterplank. Duiken naar de bodem. Ik was vanaf het begin een vis in het water. Het moet ook die zomer zijn geweest dat ik zintuiglijk wakker werd. Dat ik zintuiglijk uit mijn kindertijd los kwam.

De belangrijkste zintuiglijke ervaring was misschien wel het visueel bewust worden van meisjes. Ik keek maar wat graag naar die wezens die rond hun borsten een extra stuk stof hadden. Bij de meeste meisjes van die leeftijd, 10 a 11, was dat nog volslagen overbodig. Maar die meisjes die mijn aandacht opeisten, begonnen al datgene te krijgen wat een jongen van die leeftijd met veel testosteron in de dop buitengewoon nieuwsgierig maakte, zoals bredere heupen en kleine borsten in kleine bikini-bh’tjes. Het zou niet lang meer duren voor ik het eerste meisje zou zoenen, maar dat was die zomer nog niet aan de orde.

Ik keek alleen maar. Verder was ik niet veel meer aan het doen dan zwemmen. En na het zwemmen: tweekleurige druivensuikerlollies eten. Lolly’s met een boven- en onderdeel, met twee verschillende smaken. Als ik meer honger had, en de geur van heet vet en gebakken snacks trok mijn aandacht (en dat was bijna elke dag dat ik zwom), dan at ik een frikandel met een flinke klodder mayonaise. Hoewel ik zulk eten nauwelijks meer eet, vraag ik mij nog steeds af waarom ik dat zo lekker vond. Ik geef mijn moeder de schuld: als kind geboren net voor de oorlog had ze in haar eerste jaren niet genoeg eten en als ze na de oorlog de kans had veel, vet en goedkoop eten te verorberen, dan deed ze dat. Ik ben genetisch verpest, en mijn opvoeding van goedkoop en veel en vaak vet eten was ook niet behulpzaam.

De eerste periode van zwemmen in het buitenbad had een eindpunt, ofschoon ik nog jaren in dat zwembad kwam. Die periode werd afgesloten in de juni voor ik naar de middelbare school ging. Voor mijn gevoel was het een abrupt eindpunt. Ik was wederom in het zwembad, dit maal met mijn moeder en broer. Het was vroeg in de avond, en we koelden wat af. Ik deed daarbij natuurlijke de clowneske dingen die ik altijd deed in het zwembad. Ergens die avond sprong ik als een dwaze in het ondiepe en trok mijn knieën op. Sneller dan gedacht waren mijn voeten op de bodem. Met een lugubere klap sloeg mijn onderkaak op mijn rechterknie, en snel daarna sloegen mijn boventanden op de stilstaande onderkaak. Ik zag sterren, ik was even van de wereld. Toen ik terug kwam, proefde ik stukjes tand in mijn mond. De paar dagen erna had ik een beurse kaak, maar dat was het minste dat in het verschiet lag. Een jaar later, tijdens de tweede of derde vakantie in Bottenhorn, Duitsland (die vakanties lijken allemaal op elkaar), kreeg ik helse pijnen in mijn kaak. Mijn ouders brachten mij naar een arts, enkele tientallen kilometers verderop. Hij schreef een paardenmiddel voor, antibiotica die na twee pillen al het gewenste effect gaven. Om dit verhaal hier even snel af te maken (die verhaal is veel groter want het heeft me een groot deel van mijn leven bezig gehouden): achteraf bleek dat mijn vier ondertanden allemaal stuk waren na die klap en dat ik jaren later een geheel nieuwe set snijtanden (in de vorm van kronen) in mijn ondergebit kreeg.

In de jaren na de lagere school zwom ik nog steeds. Ik was inmiddels gestopt met reddend zwemmen, en als ik nog in het zwembad kwam, dan was dat in de zomer.
In die jaren van de middelbare school zwom ik steeds vaker met mijn oog op de meisjes in het zwembad. Het kon niet uitblijven. ik denderde de pubertijd in! Ik kreeg erecties tijdens schooltijd (terwijl de meester voor zich uit kletste, zorgde ik zelf voor een lichte bevrediging door met een wijsvinger over mijn dieppaarse eikel te strelen die net boven de rand van mijn corduroy broek uitstak), mijn kruis kreeg schaamhaar en op mijn kin groeide baardharen, en ik was nou niet bepaald een scharminkel met mijn door het zwemmen gespierde en brede lichaam. Mijn lijf was klaar voor seks. Ik werd geil van nauwelijks iets. Wat de geilheid versterkte: de meisjes in zwembaden waren steeds minder meisje en steeds meer vrouw.

Een van deze meisjes in transitie was de Duitse C.. Zij kwam uit het Roergebied, en ook zij vierde met haar ouders een paar jaar lang vakantie in het reeds genoemde Bottenhorn. Dat is een dorpje in het midden van Duitsland, in de bondsstaat Hessen. Mooie omgeving om te wandelen, veel steenhouwerijen, veel bronnen van riviertjes als de Lahn, Sieg, Dill, Aar, Eder. We sliepen in Pension Becker; het huis is geen pension meer, het is inmiddels verkocht en alleen nog op ansichtkaarten (op internet te vinden) is nog een afbeelding te zien van het pension.

C. was net als ik een jaar of 13 toen we in die bosrijke omgeving met ons gezin vakantie vierden. Het pension was niet bijzonder, maar het eten was goed, ze hadden een grote tuin en: een semi-overdekt zwembad. Semi wil zeggen: het zwembad zat driekwart in de grond, en het had een dak dat open kon. Dan kon je uit het zwembad klimmen en in de tuin in het gras liggen. Ik heb dat dak weinig omhoog gezien. Het was ook geen groot zwembad: misschien een meter of 8 lang en 4 meter breed. Vaak was het rustig in het zwembad, en was dobberen het enige wat er viel te doen.

Op een van de vakantiedagen (het was het jaar na de onfortuinlijke sprong in het ondiepe waarbij ik mijn snijtanden in één klap stuk maakte) waren zij en ik in het zwembad. Verder was er niemand. We zwommen, kletsten ins Blaue hinein, deden heel gewoon. Maar de wijze waarom we keken en het besef dat we wel spraken maar nog meer niet zeiden, dat was goed voor zinderende erotiek die ik niet eerder had gevoeld. Ik was niet geheel onbekend met meisjes, ik had op dat moment al vier meisjes gezoend, ik had borsten gestreeld, maar dat was steeds met anderen erbij. Dit was nieuw: C. en ik waren met ons tweeën. Man, wat was ik opgewonden. Ik wilde zelfs niet het water uit. Bang dat zij zou zien HOE opgewonden.

Toen we uiteindelijk gingen omkleden, ben ik – denk ik, heel precies weet ik het niet meer – met een handdoek in mijn handen, nonchalant voor mijn kruis houdend, naar de omkleedruimte gegaan. Zij kleedde zich om in de kleine kleedkamer, ik op de wc. Toen ik naakt daar stond, kwam ik niet van de erectie af, anders door beide handen om de inmiddels keiharde lul te sluiten en flink over van ballen tot eikel te wrijven en het zaad te laten gaan.

Nee, ik heb haar nooit gezoend of zelfs maar aangeraakt. Zo gaat dat met geestvernauwende geilheid en zich voor het eerst openbarende verliefdheid.

Niet veel later, ik was net 16 geworden, kreeg ik mijn eerste verkering. Zij, J., kwam uit een cerebraal gezin. Kunst, muziek, kennis stonden voorop. J. was daardoor vol van kennis en feite en liefde voor muziek. Dat trok me dan ook erg in haar aan. Toen we een half jaar verkering hadden, begon naast het voorzichtig zoenen en handje vasthouden ook het opzoeken van elkaars lichaam. Niet alleen thuis, in de gang of later in de werkkamer van haar vader, maar ook (en dat verbaasde mij) in het openluchtzwembad. We zoenden elkaar zo geil in het diepe water, met verder niks aan dan zwemkleding. Onze lijven drukten hard tegen elkaar, en mijn hand gleed in haar zwembroek, en mijn vingers drukten tussen de hete schaamlippen in het koele water… Ik kwam er bijna van klaar. Bijna onbeschaamd hoe geil we waren en ons niet van wie dan ook aan trokken. Nog meer, gezien het feit dat ze schijnbaar iets preuts over zich had. Nog steeds verbaas ik mij over het gemak van de geilheid in het zwembad. Het gemak waarmee zij toestond dat we elkaar wild opgeilden.

Ik heb beide vrouwen, C. en J., nooit meer gezien na mijn tijd in de doorwaadbare plaats. Maar ik dank ze nog steeds. Dat C. met mij in dat zwembad een spelletje van bijna naakte lijven en smachtende blikken wilde spelen. En J. bracht nog meer in mijn leven; ik kwam voor het eerst in het bijzijn van een ander klaar (zie het verhaal Neuken, dat eind 2019 zal worden gepubliceerd), in een buitenwijk in dat geboortedorp, dat toch echt een gat was, een klein burgerlijk en klein-christelijke gemeente die – als het ware – een kuisheidsgordel droeg, maar pronkerig rondliep in de bontmantel van een stad. Ik dank beide meisjes tot op vandaag de dag dat zij, die meisjes van toen, mijn eerste geilheid wisten op te roepen en te beantwoorden. Dat zij in het zwembad hun bijna naakte lijf lieten bekijken.

Pas jaren later, toen ik nog sporadisch in mijn geboorteoord was, heb ik geneukt in het water, in de zomer, buiten. Dat was met M. in de Hoornse plas, niet ver van de stad Groningen. Het was een hete zomer, vol drugs, drank, seks. De studie die ik deed lag op zijn gat. Alles was gericht op genot. En wat ik al had willen doen, al toen ik elf jaar was en in het zwembad van het reddend zwemmen met het blonde meisje zoende en niet verder kwam dan zoenen, of later met J. die zich wel liet vingeren in het water maar die ik niet neukte, dat ging nu gebeuren. Ik had seks  in het water, buiten, bij mooi weer. En hoe: draaikolken omsloten ons terwijl wij ons niets aantrokken van mensen die ons die dag, vroeg in de avond op die warme julidag, konden zien en horen.

Want die seks moest. Jezus, wat moest die geilheid zich een weg naar buiten vinden en in haar naar binnen. Eindelijk, eindelijk sloot ik mijn kleine jeugd af. Eindelijk was zwemmen in een zwembad niet meer nodig.

Misschien dat ik zo dus een goed gevoel bij seks heb. Wat begon met ontdekken van monden, borsten en schaamlippen, werd uiteindelijk geilheid en seks die in mijn geboortedorp en tot ver daarna steeds genieten was, een constant ontdekken.

De basis van mijn leven, dus:

Ik en genot, ik en ontdekkingen.

© Rick Ruhland 2019

Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

Illusies: Troxler

We kunnen niet zien wat er werkelijk is. Werkelijkheid is een construct. Een constructie. Een reconstructie.

Als we denken dat we de werkelijkheid kunnen waarnemen, met onze ogen bijvoorbeeld, dan moet ik iedereen teleurstellen. Onze ogen en onze bijbehorende hersencellen (die achter in ons brein zitten, en die samen de zogenaamde visuele cortex vormen) zijn slecht toegerust om de waarheid of zelfs de werkelijkheid te doorgronden.

Dat blijkt wel het beste uit het zogenaamde Troxler-effect. Kijk eens naar het volgende plaatje. Focus in het midden van het plaatje. Laat je niet afleiden. Beweeg je ogen niet.

En? De kleuren verwateren als je je te veel focust. Het bewijs dat zintuigen als de ogen niet goed waarnemen als je op een enkel punt focust. De reden om homo universalis te zijn. Of in ieder geval te proberen.

Meer weten? Lees. Verwonder.

 © Rick Ruhland 2018

Geheugenafbouw

Een jaar of 20 geleden ontmoette ik Elisabeth Loftus. Zij was in Nederland voor een lezing aan de universiteit waar ik toen werkte (als onderzoeker en docent op het gebied van taal & ontwikkeling) en op de dag dat ze de lezing hield, checkte ze op mijn computer haar email. Boeiende vrouw om naar te kijken. Niet in de laatste plaats door haar ontspannen uitstraling.

Maar belangrijker dan haar fysieke voorkomen was en is haar wetenschappelijke werk. Als een jaar of 40 houdt zij zich bezig met de werking van het geheugen. Nou interesseert me de werking van het geheugen bovenproportioneel, maar waar zij echt stappen gezet heeft in het begrip van het onthouden, is het “misinformation effect”. Dat houdt in dat wij mensen achteraf onze herinneringen vervormen. Actief en passief, dat doet er niet toe. Feit is dat wij niet echt zeker kunnen zijn van ons geheugen. Ander onderzoek van Loftus is naar het geheugen van ooggetuigen en valse herinneringen. Alles bij elkaar genomen: ons brein is qua herinneren en geheugen niet alleen plooibaar, het is makkelijk te ver- en misvormen.

Wat mij zo boeit, nu in deze tijd van computers, tablets en smart phones, is dat ons geheugen steeds minder hoeft te doen. We kunnen alles wat we zien en horen ergens op vastleggen. We kunnen geuren en smaken nog niet zo goed bewaren in de digitale vorm (bijvoorbeeld als we ergens eten en de smaak en geur van de gerechten), maar ons omringende klanken en beelden wel.

Al een tijd zie ik dat het niet hoeven onthouden van informatie leidt tot het niet kunnen onthouden. Bij het geven van les aan studenten – enkele jaren geleden – viel me op dat bij zo goed als elke vraag van mij over feitjes of berekeningen het merendeel naar hun digitale slaaf greep.

Ik moest aan Loftus en aan de lekkende geheugens van studenten denken toen ik dit artikel las. Door mobiele computers hoeven we niet alleen weinig meer te onthouden, ons brein wordt ook nog eens afgeleid door deze apparaten waardoor het vastleggen van informatie (even kort door de bocht gezegd: herinneren en leren) slecht of zo goed als niet lukt.

Mooi citaat als het gaat om foto’s nemen en niet meer om ons heen kijken:

When we’re hunting for the perfect Instagram shot, we’re not listening, we’re not smelling, we’re not always paying attention to the beautiful, complex minutiae that make up the moment.

We raken het contact met, het benul van en de waardering voor de werkelijkheid kwijt.

Erger: de emoties die ons maken tot wie we zijn, namelijk mens, verdwijnen naar de achtergrond. Wat we hebben vastgelegd, is waar. Wat we hebben ervaren en gevoeld is tweederangs geworden. Soms is die ervaring en dat gevoel afwezig.

Al met al: wat echt is, is alleen dat wat is vastgelegd. Het rare: vastleggen maakt het geheugen zwakker, terwijl we misschien denken dat we een deel van ons leven bewaren. Wie wat bewaart, heeft wat, zegt het spreekwoord, maar wie bewaart op een digitaal geheugen, bewaart niet perse een waarheid die waarde heeft.

© Rick Ruhland 2018

Waarheid is meestal warheid

Ik wilde eigenlijk vooral schrijven aan mijn roman vandaag (en tussendoor ook nog op mijn bas spelen ter voorbereiding van een gig komend weekend), maar wie schrijft, moet minstens net zoveel lezen als schrijven. Om ideeën op te doen, om te zien hoe anderen schrijven, om zoveel meer redenen. Het houdt de geest verser en frisser dan wanneer je alleen je eigen verhaal gelooft en opschrijft.

Wat dat laatste betreft las ik zojuist een artikel met de volgende zin:

We tend to remember the cases that fit our narrative.

Het onderwerp van het artikel is niet echt belangrijk (het was iets wetenschappelijks, over de relatie tussen gebeurtenissen in de digitale wereld en gebeurtenissen in de analoge wereld), maar deze zin trof mij in het hart. Ik denk dat het idee van de zin klopt. De meeste mensen zullen datgene wat ze zien, horen, en algemener: denken, willen inpassen in wat ze al weten, wat ze geloven. Wat men al gehoord heeft moet door het nieuwe te horen verhaal worden bevestigd.

Dat leidt er altijd toe dat mensen bevestiging zoeken. Als iets anders is dan wat je dacht, dan is het waarschijnlijk niet waar. Of minder waar dan wat je eerst dacht. Mensen zijn behoorlijk vasthoudend in het blijven geloven in hun eigen gelijk. Hoe ongelijk zo ook hebben.

Schrijvers, wetenschappers, denkers, het liefst ook journalisten (maar die vergeten meer en meer hun taak) hebben de taak de wereld in een ander daglicht te zetten. Zij, en ik ook, moeten altijd blijven hameren op die andere kanten van welk verhaal ook.

© Rick Ruhland 2018

Wijsheid op woensdag: religiegoïsme

Ik heb een goede verstandhouding met filosofische vraagstukken. Elk vraagstuk is interessant want filosofisch, elke vraag mag gesteld worden, en in principe is alles filosofie. Vragen over werkelijkheid (ik denk dat een film als The sixth sense – ook ik zie dode mensen, maar daar praat ik weinig over – of de trilogie The Matrix heel dicht bij mijn perceptie van de werkelijkheid komen; perceptie is daarbij een woord dat mogelijk met zintuigen te maken heeft, maar vooral ook met iets buiten mijn brein…) en waarheid zijn elementair.

Waarom? Werkelijkheid en Waarheid zijn niet eenduidig. Eigenlijk zijn die twee woorden in het enkelvoud onzin. Werkelijkheid is altijd meervoud, zelfs vanuit het idiosyncratische perspectief. Ook Waarheid is nooit alleen.

Maar ergens in de geschiedenis van de mens is iemand, of een groep van mensen, gaan groepen dat het gevaarlijk is zelf na te denken. Op dat moment is religie geboren. En let wel: elke dag wordt wel een nieuwe religie geboren. Zoveel gekken, zoveel waarheden, zoveel religies.

Mijn punt van vandaag (ik ben de laatste dagen behoorlijk debiel en geklutst): op het moment dat religie ontstaat, eigent die denkstroming (meer is religie niet) zich toe dat alles wat de mens is, onder de vlag van die geloofsstroming moet vallen. Is (en doet) de mens goed? Dat komt door het geloof, door God, etc. Is (en doet) de mens slecht? Dan zal het geloof er alles aan doen dat uit te gummen. Zoals de nazi’s joden probeerden ‘aus zu radieren’.

Dat is religiegoïsme. Het toe-eigenen van menselijk (= dierlijk) gedrag als zijnde iets gelovigs, als iets van god. Nonsens. Humbug. ‘Zijn’ is niet te duiden. Waarheid ook niet. Werkelijkheid evenmin. Als je dat wel kunt, heb je een pathetisch leven.

En ja, het is best lastig om door te dringen bij gelovigen. Om een gelovige op andere gedachten te brengen. Niet omdat die andere gedachte klopt of waar is, maar omdat er een andere gedachte is. Probeer ik een gelovige aan het denken te krijgen, dan loop ik het risico vermoord te worden. En het is lastig om duidelijk te maken aan gelovigen dat het niet mogelijk is om te bewijzen dat iets wat niet bestaat, niet bestaat.

Een dag vol waanzin gewenst. En kom even langs in mijn hoofd vandaag. Kopje neurotransmitters drinken.

Skpritozussie!

© Rick Ruhland 2015