Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

Illusies: Troxler

We kunnen niet zien wat er werkelijk is. Werkelijkheid is een construct. Een constructie. Een reconstructie.

Als we denken dat we de werkelijkheid kunnen waarnemen, met onze ogen bijvoorbeeld, dan moet ik iedereen teleurstellen. Onze ogen en onze bijbehorende hersencellen (die achter in ons brein zitten, en die samen de zogenaamde visuele cortex vormen) zijn slecht toegerust om de waarheid of zelfs de werkelijkheid te doorgronden.

Dat blijkt wel het beste uit het zogenaamde Troxler-effect. Kijk eens naar het volgende plaatje. Focus in het midden van het plaatje. Laat je niet afleiden. Beweeg je ogen niet.

En? De kleuren verwateren als je je te veel focust. Het bewijs dat zintuigen als de ogen niet goed waarnemen als je op een enkel punt focust. De reden om homo universalis te zijn. Of in ieder geval te proberen.

Meer weten? Lees. Verwonder.

 © Rick Ruhland 2018

Geheugenafbouw

Een jaar of 20 geleden ontmoette ik Elisabeth Loftus. Zij was in Nederland voor een lezing aan de universiteit waar ik toen werkte (als onderzoeker en docent op het gebied van taal & ontwikkeling) en op de dag dat ze de lezing hield, checkte ze op mijn computer haar email. Boeiende vrouw om naar te kijken. Niet in de laatste plaats door haar ontspannen uitstraling.

Maar belangrijker dan haar fysieke voorkomen was en is haar wetenschappelijke werk. Als een jaar of 40 houdt zij zich bezig met de werking van het geheugen. Nou interesseert me de werking van het geheugen bovenproportioneel, maar waar zij echt stappen gezet heeft in het begrip van het onthouden, is het “misinformation effect”. Dat houdt in dat wij mensen achteraf onze herinneringen vervormen. Actief en passief, dat doet er niet toe. Feit is dat wij niet echt zeker kunnen zijn van ons geheugen. Ander onderzoek van Loftus is naar het geheugen van ooggetuigen en valse herinneringen. Alles bij elkaar genomen: ons brein is qua herinneren en geheugen niet alleen plooibaar, het is makkelijk te ver- en misvormen.

Wat mij zo boeit, nu in deze tijd van computers, tablets en smart phones, is dat ons geheugen steeds minder hoeft te doen. We kunnen alles wat we zien en horen ergens op vastleggen. We kunnen geuren en smaken nog niet zo goed bewaren in de digitale vorm (bijvoorbeeld als we ergens eten en de smaak en geur van de gerechten), maar ons omringende klanken en beelden wel.

Al een tijd zie ik dat het niet hoeven onthouden van informatie leidt tot het niet kunnen onthouden. Bij het geven van les aan studenten – enkele jaren geleden – viel me op dat bij zo goed als elke vraag van mij over feitjes of berekeningen het merendeel naar hun digitale slaaf greep.

Ik moest aan Loftus en aan de lekkende geheugens van studenten denken toen ik dit artikel las. Door mobiele computers hoeven we niet alleen weinig meer te onthouden, ons brein wordt ook nog eens afgeleid door deze apparaten waardoor het vastleggen van informatie (even kort door de bocht gezegd: herinneren en leren) slecht of zo goed als niet lukt.

Mooi citaat als het gaat om foto’s nemen en niet meer om ons heen kijken:

When we’re hunting for the perfect Instagram shot, we’re not listening, we’re not smelling, we’re not always paying attention to the beautiful, complex minutiae that make up the moment.

We raken het contact met, het benul van en de waardering voor de werkelijkheid kwijt.

Erger: de emoties die ons maken tot wie we zijn, namelijk mens, verdwijnen naar de achtergrond. Wat we hebben vastgelegd, is waar. Wat we hebben ervaren en gevoeld is tweederangs geworden. Soms is die ervaring en dat gevoel afwezig.

Al met al: wat echt is, is alleen dat wat is vastgelegd. Het rare: vastleggen maakt het geheugen zwakker, terwijl we misschien denken dat we een deel van ons leven bewaren. Wie wat bewaart, heeft wat, zegt het spreekwoord, maar wie bewaart op een digitaal geheugen, bewaart niet perse een waarheid die waarde heeft.

© Rick Ruhland 2018

Waarheid is meestal warheid

Ik wilde eigenlijk vooral schrijven aan mijn roman vandaag (en tussendoor ook nog op mijn bas spelen ter voorbereiding van een gig komend weekend), maar wie schrijft, moet minstens net zoveel lezen als schrijven. Om ideeën op te doen, om te zien hoe anderen schrijven, om zoveel meer redenen. Het houdt de geest verser en frisser dan wanneer je alleen je eigen verhaal gelooft en opschrijft.

Wat dat laatste betreft las ik zojuist een artikel met de volgende zin:

We tend to remember the cases that fit our narrative.

Het onderwerp van het artikel is niet echt belangrijk (het was iets wetenschappelijks, over de relatie tussen gebeurtenissen in de digitale wereld en gebeurtenissen in de analoge wereld), maar deze zin trof mij in het hart. Ik denk dat het idee van de zin klopt. De meeste mensen zullen datgene wat ze zien, horen, en algemener: denken, willen inpassen in wat ze al weten, wat ze geloven. Wat men al gehoord heeft moet door het nieuwe te horen verhaal worden bevestigd.

Dat leidt er altijd toe dat mensen bevestiging zoeken. Als iets anders is dan wat je dacht, dan is het waarschijnlijk niet waar. Of minder waar dan wat je eerst dacht. Mensen zijn behoorlijk vasthoudend in het blijven geloven in hun eigen gelijk. Hoe ongelijk zo ook hebben.

Schrijvers, wetenschappers, denkers, het liefst ook journalisten (maar die vergeten meer en meer hun taak) hebben de taak de wereld in een ander daglicht te zetten. Zij, en ik ook, moeten altijd blijven hameren op die andere kanten van welk verhaal ook.

© Rick Ruhland 2018

Wijsheid op woensdag: religiegoïsme

Ik heb een goede verstandhouding met filosofische vraagstukken. Elk vraagstuk is interessant want filosofisch, elke vraag mag gesteld worden, en in principe is alles filosofie. Vragen over werkelijkheid (ik denk dat een film als The sixth sense – ook ik zie dode mensen, maar daar praat ik weinig over – of de trilogie The Matrix heel dicht bij mijn perceptie van de werkelijkheid komen; perceptie is daarbij een woord dat mogelijk met zintuigen te maken heeft, maar vooral ook met iets buiten mijn brein…) en waarheid zijn elementair.

Waarom? Werkelijkheid en Waarheid zijn niet eenduidig. Eigenlijk zijn die twee woorden in het enkelvoud onzin. Werkelijkheid is altijd meervoud, zelfs vanuit het idiosyncratische perspectief. Ook Waarheid is nooit alleen.

Maar ergens in de geschiedenis van de mens is iemand, of een groep van mensen, gaan groepen dat het gevaarlijk is zelf na te denken. Op dat moment is religie geboren. En let wel: elke dag wordt wel een nieuwe religie geboren. Zoveel gekken, zoveel waarheden, zoveel religies.

Mijn punt van vandaag (ik ben de laatste dagen behoorlijk debiel en geklutst): op het moment dat religie ontstaat, eigent die denkstroming (meer is religie niet) zich toe dat alles wat de mens is, onder de vlag van die geloofsstroming moet vallen. Is (en doet) de mens goed? Dat komt door het geloof, door God, etc. Is (en doet) de mens slecht? Dan zal het geloof er alles aan doen dat uit te gummen. Zoals de nazi’s joden probeerden ‘aus zu radieren’.

Dat is religiegoïsme. Het toe-eigenen van menselijk (= dierlijk) gedrag als zijnde iets gelovigs, als iets van god. Nonsens. Humbug. ‘Zijn’ is niet te duiden. Waarheid ook niet. Werkelijkheid evenmin. Als je dat wel kunt, heb je een pathetisch leven.

En ja, het is best lastig om door te dringen bij gelovigen. Om een gelovige op andere gedachten te brengen. Niet omdat die andere gedachte klopt of waar is, maar omdat er een andere gedachte is. Probeer ik een gelovige aan het denken te krijgen, dan loop ik het risico vermoord te worden. En het is lastig om duidelijk te maken aan gelovigen dat het niet mogelijk is om te bewijzen dat iets wat niet bestaat, niet bestaat.

Een dag vol waanzin gewenst. En kom even langs in mijn hoofd vandaag. Kopje neurotransmitters drinken.

Skpritozussie!

© Rick Ruhland 2015

Op naar Pasen

Zo, de kerstboom is de deur uit. Waarschijnlijk vinden we tot ver in de zomer nog dennennaalden ergens in een hoek van de woonkamer. Of onder een of andere bank.

Ik wil niet negatief doen, maar Kerstmis is geen feest van mijn jeugd meer. Toen kon ik zelfs in de zomer, als bijvoorbeeld ik in een dorp in Groot-Brittannië of de Verenigde staten was waar ze een xmas-shop hadden, genieten van het idee dat niet veel maanden later de boom opgetuigd werd, dat kaarsjes aangingen, dat koekjes werden gebakken, dat op alle radiozenders kerstliedjes te horen waren, dat je cadeautjes zou krijgen.

Nu ik de boom heb afgetuigd (ik heb hem er flink van langs gegeven), is het wel weer goed. Laat maar even de komende 11 maanden. Maar misschien bent u ook een van die vrouwen (mannen mogen natuurlijk ook bekennen dat ze nu al denken aan de volgende boom en versieringen en kaarsen) die begin januari al nadenken over de volgende kerst. U bent niet alleen. Ik heb begrepen dat 1 op de 7 a 8 vrouwen dat doet.

Kerst begint bij mij pas met de eerste advent, dan begint pas het denken aan en denken over de komende kerst. Maar nu even niet. Ik kan me wel verheugen op Pasen. Overigens ben ik nog niet bezig met paaseitjes kopen. Ben wel benieuwd wanneer die in winkels liggen. Voor of na Valentijnsdag? Het is niet om de eieren dat Pasen toch wel zo fijn is. Het is dan bijna zomer. Ik ben bijna jarig en het is voorjaar. Het warme weer nadert. Elke dag heeft meer licht. Vakantie. Buiten zijn.

Waarom is Kerstmis ook al weer zo leuk? Of is het alleen maar leuk omdat de zomer is geweest? Of zal ik de boom gewoon weer binnenhalen en kerstmis tot en met Maria-Lichtmis (40e dag na kerst) verlengen? Misschien heb ik gewoon meer tijd nodig om aan de kerststemming te wennen. Wat vroeger zo eigen gemaakt was, moet nu door een dikke laag van cortex en levenservaring heen.

© Rick Ruhland 2015

Drie breinen

Ik heb drie breinen. Niet fysiek. Nee, dan zou mijn hoofd nog groter zijn dan het al is. Maar ik heb drie breinen. Drie werkende geesten. Drie bronnen van gedrag en denken. Drie soms samenwerkende, soms elkaar tegenwerkende, maar vaak los van elkaar opererende entiteiten in mijn lijf (lijf, niet schedel, want ik denk dat mijn drie breinen meer zijn dan de klont boven aan mijn ruggemerg).

Het eerste is mijn impulsieve kleurloze brein. Mijn brein dat meteen klaar staat om een mening te geven. Een mening waaruit meestal blijkt dat ik niet heb nagedacht. Uit de andere twee breinen blijkt dat nadenken wel tot de mogelijkheden behoort. Of nadenken: er is meer dan mijn impulsieve brein.

Het tweede brein is mijn creatieve en kleurrijke brein. Daarin sta ik los van de zintuiglijke werkelijkheid. Daarin bedenk ik romans en liedjes.

Het derde is mijn logische brein. Die zorgt met behulp van de zintuigen dat de input samenhang krijgt. Die maakt van alles wat het waarneemt en alles wat de andere breinen doen een wiskundig, of een semantisch-syntactisch geheel.

Mijn breinen hebben constant ruzie. Ik neem er dagelijks afstand van.

© rick ruhland 2014.

De psychiater is niet helemaal goehoed!

Jarengeleden zei ik voor de gein “Protest hiertegen, protest!” tegen een kleine artsin de inrichting waar mijn broer had verbleven en daarna ook mijn moeder. Wijzaten in zijn muffige kamer, waar het naar oud okselzweet rook, keken elkaardiep in de ogen en deden een halve minuut het spelletje “Wie kijkt als eersteweg?”

Ikwon natuurlijk. We hadden er al een uur praten op zitten, en het was ook nietde eerste keer dat ik hem sprak. Wij waren geen vrienden geworden. Volgens die man was ik een enge man, omdatonbeschroomd duidelijk zei wat ik dacht. Natuurlijk was er al het een en anderaan voorafgegaan voor hij dat zei. Ik kwam eens in de zoveel weken bij hemlangs, en dan gaf hij mij een overzicht van de therapieën en pillen die ze inde weken sinds mijn laatste bezoek over mijn moeder hadden heen gestort. Ik wasdan niet de beroerdste hem de lastigste vragen te stellen. Als natuurlijkeoverlevingsstrategie had hij, als alle zenuwartsen, altijd wel een slotsomklaar liggen als een mens, zoals ik, zo uitgesproken en onverdroten zijn meninggaf. Artsen als hij meenden, een van zijn collega”s had het zelfs hardopgezegd, dat ik dacht dat ik gelijk had en misschien ook hulp nodig had. Tuurlijkniet. Ik wilde alleen maar weten. Wisten die artsen veel. Gelijk hebben wasnooit een doel of reden van mijn spreken en denken geweest en zou het ook nooitworden. Ik was hooguit bang voor het leven en met kennis wilde ik die angstvoor zijn. Zeker was wel dat ik nieuwsgierig was naar alles in het leven. Alsik hardop zei wat ik dacht, schiep ik ogenblikkelijk ruimte in mijn geheugen engedachten. Kon ik mijn energie en denkruimte voor nieuwe creaties gebruiken.

Enfin,ik was gekomen om mijn moeder te bezoeken. Zij zat toen weer eens in de inrichting.Ik vroeg de man in de smoezelige witte jas hoe het met mijn moeder ging. Hijnam mij apart in zijn koude werkkamer, we spraken over zijn patiënt en voor ikhet wist stelde hij mij vragen over hoe ik dacht dat mijn moeder er aan toewas. Die man, met een hoornen bril met vierkante glazen op een hoekig gezicht,speurde met zijn kubusogen de wereld af naar mensen die hij kon beoordelenvolgens een ingenieus schema van vragen.

Hijzei dat ik bang was. Ik had ja gezegd, en voor hij kon kuchen om het gesprek tevervolgen, vervolgde ik met:

“En?Als ik geen angst meer ken, dan is mijn lol in het leven stuk. Als je angstkent, dan heb je nog wat te leren. Ik ben ook bang dat het niet goed of zelfs maarbeter gaat met mijn moeder. Wat ik wil weten, is hoe u die angst van mijinperkt. Kortom, wat heeft u voor ogen bij de behandeling van mijn moeder?”

Datgesprek ging hortend en stotend verder. Een opmerking herinner ik me nog: ik zeihem dat een mens aan het einde van de dag de kans had gehad om iets nieuws teweten te komen. Misschien leerde ik niet elke dag iets nieuws, elke dag kwam ikwel tot een nieuwe ordening of samenhang van wat ik wist. Ik vroeg hem of hijal wat geleerd had die dag. Hij reageerde door te zeggen dat ik een narcistwas, waarschijnlijk alleen maar omdat ik vragen stelde die hem bang maakten. Ikwas geen narcist in mijn dagelijkse leven, daarvoor had ik te veel interesse inandere mensen. Mijn naasten stelden juist alles in het werk, zonder dat ze hetwisten, om mijn natuurlijke neiging naar een kluizenaarsleven in een vijver vangoedmoedigheid en vrijgevigheid te verdrinken. Ik wist toen al dat ik nog nietklaar was met hem. Mijn moeder zat nog een half jaar in de inrichting, toenbesloten mijn broers haar te bevrijden.

xa9 rick ruhland 2010.