De Fulmar Inn: Dodenherdenking 2

Nadat de Duitsers de gracht over waren gejaagd, en Gerrit nog zo nodig een steen moest gooien waarbij zijn schouder verrekte, ging het in ganzenpas terug naar de kroeg.

Iedereen had een rood hoofd, buiten Maartje zweette elke stamgast als een otter, en op Jonneke en Maartje na was iedereen buiten adem. Eenmaal terug in de kroeg ging men, zeer tevreden over de jacht op de vijand, aan de bar zitten. Met een vol glas, rondje van Koos, proostte iedereen met iedereen. Iedereen klopte elkaar op de schouders. De saamhorigheid was al in jaren niet zo groot geweest.

Natuurlijk duurde dat zo lang als een kruik die te water gaat en barst.

‘Hebben we die moffen toch maar mooi even de straat uitgejaagd.’

Hannes sloeg Gerrit op de schouders.

‘Jij ging voorop in de strijd, makker.’

‘We hadden ze over de kling moeten jagen.’

‘Zo kan die wel weer.’

Koos was nooit zo blij met opjuttende gasten, zelfs niet als dat stamgasten waren.

‘Hoezo? Die kutduitsers verdienen niet beter.’

‘We zijn 75 jaar verder. Jij bent van na de oorlog. En er zijn ook goede Duitsers.’

Gerrit was even stil, zat stokstijf op zijn kruk, keek naar de muur achter Koos, en draaide zich toen met een knalrood hoofd om.

‘BEN JIJ NOU HELEMAAL HORENDOL GEWORDEN?’

Gerrit spuugde de woorden zijn uit. Speeksel viel als een bommentapijt op de tapkast neer.

‘Goede Duitsers?? GOEDE DUITSERS? We hadden ze over de kling moeten jagen.’

Het werd doodstil in de kroeg.

‘En dat zou jij mogen doen? Omdat jij een van die vele Nederlanders was die in de tweede wereldoorlog in het verzet heeft gezeten en joden als onderduikers hebt gehad?’

Gerrit keek boos naar Sjoerd.

‘Jij, Sjoerd, heult met de vijand.’

‘Hallo, kan het ook wat minder?’

Toen zelfs Berend zich ermee bemoeide, was de geest uit de fles.

‘Kom op zeg, stelletje deugmensen, jullie zouden in staat zijn om bij een nieuwe oorlog alle onderduikers zelf dood te schieten.’

‘Gerrit, nu is het genoeg.’

Koos’ ogen lichtten extreem fel op.

Maar Sjoerd was er nog niet klaar meer.

‘Jij staat laf aan de zijlijn als tegenwoordig alle morele bodems worden weggeslagen door onderbuikmensen. Onderbuikers. Niet te verwarren met onderduikers.’

Normaal glimlachte minstens een van de stamgasten, maar nu niet.

‘Waarom wil jij zo graag tot dat harteloze volkje behoren? Tot de onderbuikers?’

Sjoerd kwam van zijn kruk en ging op een halve meter van Gerrit staan, die daar een beetje van schrok en licht achteruit deinsde.

‘Mensen met een hart kunnen ploertigheden van onbeschofte mensen als jij een halt toeroepen. Dat moeten we doen.’

Gerrit had zijn mond al weer open, toen Maartje op stond en schreeuwde:

‘NONDEJU, nu is het godverpielekes afgelopen met jullie.’

Ze pakte het boek over de oude kroeg van achter de bar en liep daarmee naar Gerrit en Sjoerd. Ze sloeg beiden met het ingebonden boek keihard op het hoofd. Toen de twee hun handen op het hoofd legden om te wrijven, sloeg ze nog een keer, en nu op de handen van de stemmingmakers.

‘Ophouden!’

Alle mannen keken naar Maartje. Jonneke was naast haar komen staan.

‘Jullie voeren hier een mini-oorlog in onze stamkroeg. Een stamkrieg, als je Duits-Nederlandse woordspelingen. Maar allejezus, moet dat op de dag dat we doden herdenken die in oorlogen zijn gevallen?’

Niet alleen Sjoerd en Gerrit bogen het hoofd, de andere mannen aan de bar voelden zich medeschuldig.

‘Al jullie mannen kijken nu schuldbewust. Terecht. Want wie niets doet tegen onrecht, laat de ellende voort etteren.’

Sjoerd wilde nog wat zeggen, Berend stak een vinger op, maar de vrouwen waren resoluut.

‘Nee, geen gezeik meer. Ophouden. Nu!’

Vreemd hoe een vrouw haar woorden als een angel in het hoofd van een man kan steken, daar haar verzoenende zaad kon lozen, waarna alleen de meest vulgaire man nog zijn punt wil maken.

De mannen gingen zitten, namen hun glazen in de hand en staarden naar hjn versnapering.

‘Mooi, laat ik jullie dan eens iets vertellen van deze kroeg. En Koos, jij moet me hier en daar bijlichten en aanvullen.’

Koos knikte.

‘Het boek hier in de kroeg gaat over de verkeerde kroeg. Of beter: dit is het verkeerde boek.’

Ze haalde uit haar werktas een map, met daarbij ook een dun boek. Als laatste kwam een mapje van de gemeente uit haar tas tevoorschijn. Daarmee wapperde ze even.

‘Hierin staan administratieve feiten, over de jaren vanaf de oorlog tot nu.’

De laatste oprisping van Gerrit kwam als een ongemakkelijk boer die iedereen opluchtte behalve de boerlater zelf:

‘Ik ga nog steeds niet naar Duitsland. Never. Ik wil er niet eens overheen vliegen, want er staat waarschijnlijk nog steeds afweergeschut.’

De vrouwen kreunden, de mannen schudden hun hoofd.

‘Goed, de kroeg. In zijn huidige staat is grotendeels het gevolg van de geschiedenis. Eigenlijk is de kroeg zelf, de ruimte er boven en de zolder zijn van na de tweede wereldoorlog. Onze fijne buren…,’

‘Die oorlogzuchtige Germanen…’

Gerrit keek tevreden over zijn opmerking.

‘….hebben er een paar jaar gewoond, en toen de geallieerden eind 1944 dichterbij kwamen, hebben ze de kroeg opgeblazen. De Duitsers, dat is.’

Koos zei: ‘ Klopt. Na de oorlog heeft de kroeg een paar jaar half verkrot en zwartgeblakerd leeg gestaan. Mijn opa en mijn vader bouwden de kroeg op.’

Koos slikte een keer.

‘Hij vertelde mij keer op keer, elke winter wel minstens drie keer, hoe hij in de eerste vrije winter van 1945 – 1946, in de kelder de leiding moest ontdooien, en dat hij toen de grond los moest bikken, grond waar nog steeds de restanten van de verdieping van de oude kroeg lagen, en dat hij in die zwartgeblakerde stenen, het oude … het oude…’

Koos snotterde.

‘Het oude wat?’

Maartje was niet zo sentimenteel als de meeste mannen aan de bar.

‘Het oude uithangbord dat door de Duitsers kapot geschoten.’

‘Zie je wel,’ schreeuwde Gerrit, ‘De schoften.’

‘Gerrit, die tijd is voorbij.’

‘Never.’

‘Voor jou niet, voor de rest van Nederland wel. Haat de Duitsers, als je zo nodig moet, maar de oorlog is voorbij.’

En een ieder dacht er het zijne van. Die dodenherdenking ging de boeken in als de dag waarop duidelijk werd dat de Germaanse strijdbijl nog lang niet bot was.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Terug naar Schotland 2: Jura

De Hebriden. Een groep eilanden ten westen van het vasteland van Schotland. Van de meer dan 100 eilanden en rotsen zijn vijftien eilanden bewoond. Sommige eilanden, zoals Skye en Mull, zijn groot en naar Schotse begrippen toeristisch, andere, zoals Colonsay, zijn klein en leeg.

27 jaar geleden was ik voor het eerst op de Hebriden. Een andere keer zal ik van die eerste keer verhalen (ik zag toen Skye, North Uist, Harris, en Lewis). Ik heb sindsdien elke keer dat ik in Schotland was, op eilanden vertoefd. Niet noodzakelijkerwijs de Hebriden, maar van de tien reizen naar Schotland was ik één keer niet op een eiland, namelijk mijn eerste keer Schotland in 1987.

Ik heb de Hebriden lief. Proberen dat in woorden om te zetten, waarom dat liefhebben en wat die liefde dan behelst, is onbegonnen werk. Elke liefde die zo diep gaat als die van mij en de Hebriden / Schotland kan alleen goed gezien en misschien begrepen worden in de blik in mijn licht vochtige ogen (ja, de overdrijving moet), en het kippenvel op mijn armen als ik op de ferry ben en het vasteland heb losgelaten.

Als je naar de Isle of Jura wilt, en daar was ik nog niet eerder geweest, dan kun je daar op twee manieren komen. De ene manier is via Tayvallich, op het vaste land. Van daar vaart een kleine veerboot die alleen passagiers, fietsen en huisdieren meeneemt, en die in Craighouse aanmeert. De andere manier is via Islay. Aangezien ik al op Islay was, was dat de logische weg om naar Jura te gaan. Van Port Askaig vaart een kleine ferry naar de overkant.

Jura, de naam stamt af van vermoedelijk het Noors-Gaelic voor hert, Dyrøy (hoewel ook het idee bestaat dat de naam van het woord voor ‘uier’ komt, Jurøy, vanwege de Paps van Jura, de bergen van het eiland), is een leeg eiland. Dat merk je meteen als je op het eiland aankomt met de ferry vanaf Islay: er staat alleen een wachtlokaal. Het eerstvolgende huis is niet meteen om de hoek. Feitelijk is Jura dunbevolkt. Van alle bewoonde eilanden komt Jura op plek 31 qua meeste inwoners van de Hebriden.

Ik was van plan om wild te kamperen op Jura, maar toen ik een lift kreeg aangeboden die naar Craighouse ging, heb ik die aanvaard. Eenmaal in Craighouse, eigenlijk het enige dorp op Jura, wilde ik daar blijven. Wild kamperen? Een andere keer. De gemakken van een douche, wc en vers water (feitelijk was het grasveld een mini-camping), en ook nog een pub en een shop, allemaal op nog geen minuut lopen, tja, die beïnvloedden mijn keuze op nogal indringende wijze.

IMG_8652.jpg

Eigenlijk ben je dan nog steeds in de bewoonde wereld. Hoewel dat op Jura een wat vreemde term is, want er wonen mensen op Jura, maar het aantal bewoners is ergens rond de 200. Het aantal herten wordt geschat op 5000. Go figure.

Er loopt min of meer maar één weg over Jura. Hier en daar is er een zijweg zoals naar Keills, maar je kunt alleen maar van zuid naar noord en terug, aan de oostkant van het eiland.

Op Jura is wandelen dat wat je doet. Ja, je kunt een hapje en een drankje doen in het hotel, de Jura stokerij bezichtigen, even langs de shop, de townhall en de koffieshop. Maar daarna is natuur dat wat de klok slaat. Ik had deze keer alleen niet mijn wandelschoenen bij me. Dat betekende ook dat ik niet de boglands in kon. Boglands, dat zijn (net als in Ierland) velden en heuvels bezaaid met turf. Onregelmatig qua ondergrond, erg nat, en niet ongevaarlijk omdat je een enkel of knie zo verzwikt hebt. Los daarvan moet je in de heuvels en boglands van Schotland niet zonder kaart zijn, en aangezien je nauwelijks bereik hebt met je mobiele telefoon, is het raadzaam om anderen te vertellen dat je de wildernis in gaat. En: ga goed gekleed en heb water en voedsel bij je.

Ik ben dit keer op de wegen gebleven. Niet dat het dus minder mooi is:

IMG_8546

Jura is trouwens ook het eiland waarop George Orwell verbleef en hij het grootste deel van de roman 1984 schreef. Wat voor mij het bezoek des te interessanter maakt was het feit dat ik deze zomer de roman 1q84 van Murakami heb gelezen.

Ik heb genoten van de wind, de wolken, de zon, de regen. De vriendelijkheid van de mensen (die je te pas en te onpas een lift aanbieden). Wat ook een belangrijk onderdeel is van the island life: de mensen die naar Jura en andere Hebriden-eilanden reizen, zijn nou niet wat je noemt liefhebbers van het massatoerisme, van het onnadenkende doen wat anderen doen, van ranzige strandcultuur. Het zijn mensen die de rust zoeken, het goede gesprek, die verlangen naar het weer opladen van de geest en de ziel.

Ik heb voor een volgende keer nog het noordelijke deel van het eiland op het programma staan, met o.a. de draaikolken in de golf van Corryvreckan. Want dat is Schotland ook: one visit is never enough. Het land en de eilanden blijven aan me trekken.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 3. Zwemmen (1)

Als rechtgeaarde Nederlander leerde ook ik zwemmen. Dat hoort bij de Nederlandse opvoeding. Ons platte land met sloten, beken, meren, plassen, vijvers, kanalen: je overleeft beter, meer, vaker, als je kunt zwemmen.

Hoewel ik het nooit zo gemerkt als jongetje, is water een bedreiging. Het is geen natuurlijke habitat. Wie in het water ligt, wie drijft, wie zijn hoofd boven water houdt: hij overleeft. Maar ten onder gaan is zo gebeurd. Je moet echt aan het werk wil je boven water blijven. Het is een best angstige omgeving als je niet kunt zwemmen. Ik heb nooit een angst voor water gehad, voor zover ik mij kan herinneren, terwijl ik ergens toch een angst heb moeten overwinnen. De angst van het ten onder gaan, van niet meer kunnen ademhalen. Van het uitstellen van verdrinken. Dat is voldoende motivatie te willen blijven drijven.

Als terzijde: ik vermoed dat ouders hun kroost niet wil (laten) leren zwemmen om de reden dat zwemmen zo leuk is, maar omdat het belangrijk is voor het overleven.
Laat mij dat even heel duidelijk in het centrum van de aandacht stellen: zwemmen is zeer leuk. Voor mij wel. Ik duik nog steeds met veel plezier zwembad of rivier of zee in. In mijn stoutste dromen heeft dat de geilste reden van alle redenen: bijna naakt en zonder sociale weerstand samen zijn in het water waar wij vele miljoenen jaren uit zijn ontsnapt. Back to the roots van ons menszijn. Geen schaamte (bijna dan, want helemaal naakt zwemmen is toch voor veel mensen te stap te ver). Geen kleren (bijna dan, want die zwembroek of bikini moet aan van de samenleving).

Ja, ik denk echt dat wij ons in water willen begeven omdat het een omgeving is waarin we weliswaar niet kunnen ademen, maar als water ons omsluit, verdwaalt onze geest weer in de prehistorische herinnering; met andere woorden, ‘in water zijn’ wordt door onze geest herkend als een moment dat verre voorouders als ‘natuurlijke habitat’ had. Ik denk dat het nog verder gaat: we voelen ons thuis in water als herinnering aan ons meest oorspronkelijke moment. De tijd van ons leven in de baarmoeder.

Voor wie nu roept: is dat niet wat ver gezocht? Natuurlijk, het kan vergezocht zijn, maar dat is het punt niet. Het is een mooi verhaal. Mooi startpunt. Voor nu: meer niet.

Maar de waarheid van mijn goed voelen is veel banaler.

Wat zwemmen voor mij het allerfijnste maakt, in minder filosofische en psychoanalytische zin, en meer in praktische zin is dat water minder zwaar maakt. Dat doet mij goed voelen. Zwemmen maakt niet gewichtsloos, maar wel veel lichter. Bewegen gaat dan weliswaar moeilijker, want lucht geeft minder wrijving, maar hangend, drijvend in het water is het hele lijf bijna licht. Het lichaam voelt veel minder de zwaartekracht.

De tweede reden van mijn goed voelen begon in de hete zomer van 1976 (zie ook het verhaal Zwemmen 2). Ik had twee jaar eerder, op mijn achtste, in een maand tijd zowel diploma A als B gehaald. De foto’s van die tijd laten een onschuldige ik zien die samen met ca. tien kinderen die op de rand van het ondiepe badje in het Stilo-zwembad zitten. Ik herinner niets van die zwemlessen, behalve dat er dus die foto bestaat van mij en een vriendje. De rest van de kinderen zegt me niets. Wie weet woonden ze toen bij mij in de wijk, of wonen ze nu bij mij in de straat. Ik leerde dus zwemmen en ik vond het leuk. Sterker, kunnen zwemmen terwijl de zon die zomer op Nederland neersloeg, dat was een stukje hemel.

De derde en de wellicht belangrijkste reden van mijn zwemgenot gaat aan dat alles voorbij. En dat heeft met het woord genot zelf te maken. Na mijn diploma’s a en b bleek ik een goed zwemmer te zijn. Ik wilde dan ook meer. Dat meer kreeg ik in de vorm van vier jaren en vier diploma’s reddend zwemmen. Pop duiken, een onwillige drenkeling naar de kant brengen (die, mocht de drenkeling de redder in nood in gevaar brengen en onder water trekken, met een klap flinke k.o. mocht worden geslagen…), vele meters maken, met een reddingstouw of -boei gooien, allemaal goed. Elke donderdagavond fietste ik door de stad naar het Stilo-bad; Stilo staat voor STIchting Lichamelijke Oefening. Het bad, het eerste overdekte zwembad in Zwolle (geopend: 1933) dat tot doel had de lichamelijke oefening van de ‘mensch’ te stimuleren, was van een vooroorlogse kwaliteit. Hoekig, veel wit, veel glanzende plavuizen en witte buizen. Nieuwe zakelijkheidsarchitectuur, een beetje Amsterdamse School. Om een idee te krijgen (foto’s zijn van Henriet Kornelis). Dit zijn foto’s van vlak voor de sloop in 1991. Op de eerste foto hangt achterin de hoek een tegeltableau, een kunstwerk dat was gered en in het Hanzebad in Zwolle heeft gehangen. Kunsthistorisch had het tableau weinig waarde en inmiddels is het vernietigd.

csm_zwolle-138_3104d05b20

csm_zwolle-140_06db6bfec2

In dit STILO-zwembad leerde ik zwemmen. Maar dat niet alleen. Hier werd ook de man in het jongetje gewekt. In de laatste jaren van mijn reddend zwemmen, ik was 11 a 12, werd het leven spannender. Een paar van mijn medezwemmers, een lang, dun meisje met donker haar en kort, stevig meisje met blond haar, en een jongen die ik mij verder niet herinner behalve dat er nog een jongen was, zag ik toen steevast in de fietsenstalling. Wat ik daar deed? Roken. Kletsen. Puberaal gedrag, ook al was ik pas 11 of 12. Dat puberale gedrag nam een keer half-seksuele vormen aan doordat ik in de ruimte voor de kleedhokjes…,

Hier dus:

csm_zwolle-143_8460900e0d

… supergeil tongzoende met de blondine, met om ons heen allerlei kinderen met hun ouders die afkeurend keken naar de geile stoot en mij en wij elkaar volstopten met elkaars spuug.

Ik voelde geen enkele schaamte, toen al niet. Als ik de kans had gezien, in het zwembad en na dat zoenen, dan had ik haar geneukt in het diepe. Ja, ik was pas 11. Maar ik was er klaar voor. Helaas letten de badmeesters, onze docenten zwemmend redden reddend zwemmen, iets te goed op om daar echt werk van te maken.

Het zwembad is inmiddels gesloten en gesloopt. Er staan nu lelijke appartementen en alleen de naam van de straat, de Stilobadstraat, herinnert aan het feit dat daar bijna 60 jaar een zwembad heeft gestaan. Voor mij is dat bad een van die plekken waar bijna naakte meisjes, ontluikend en lustopwekkend, met mij ronddreven, en die ik vast mocht pakken als onderdeel van leren reddend zwemmen. De kopgreep, de polsgreep, de schoudergreep, die had ik vrij snel onder de knie. Saai.

Maar een greep deed ik graag en steeds weer: de zeemansgreep. Zeker bij meisjes mijn favoriet. Met mijn arm onder haar oksel door en haar pols vasthouden terwijl mijn onderarm op haar ontwakende borsten leunde.

Zwemmen is geilheid. Terug naar de baarmoeder, terug naar het vruchtwater.

© Rick Ruhland 2018

Nieuwe winkels 2: de Staartwinkel

Winkel waar je alleen staartstukken en (sporadisch) vinnen kunt krijgen.

Niet alleen van varkens, zalm, kippen, kortom, de dieren die de mens standaard eet, maar ook van eekhoorns, haaien, honden, fazanten, en olifanten.

Onder toonbank zijn ook staarten verkrijgbaar van bijna uitgestorven of reeds uitgestorven dieren te krijgen, zoals van de quagga en Tasmaanse buidelwolf.

Voor de echte smulpaap.

© Rick Ruhland 2018

 

De Fulmar Inn: Dodenherdenking 1

Weken later bleek het rioolverhaal een beetje lood om oud ijzer. Niemand van de gemeente had interesse voor de oude kroeg, en openbreken wilde men al helemaal niets. Men gooide de weg open, legde nieuwe betonnen buizen in de gleuf, sloot die buizen aan op de huizen langs de weg achter de kroeg en gooide de boel weer dicht. Er zat zelfs een voordeel aan: het plaveisel was in de loop der tijd hobbelig geworden en hier en daar waren kinderkopjes uit de straat verdwenen. Nu het riool was vernieuwd was ook de weg weer helemaal spik en span.

Alles bij het oude, zou iedereen kunnen denken.

Maar de hele shitzooi, zoals Maartje die weken van het open riool was gaan noemen, maakte een ding heel duidelijk: De mogelijke sluiting van de kroeg had onder de stamgasten en vooral Koos zaden van angst geplant.

Met Koningsdag banjerden vele toeristen door de stad terwijl de regen op de nieuwe straten rond de FI kletterde. Normaal opende Koos de kroeg pas om 16.00 uur, maar de gemeente had gevraagd of hij eerder open kon. Hij had eerst nee gezegd, maar toen kondigde de gemeente een goed gesprek aan. Daar kreeg hij behoorlijk de blubber van in de knieën. Hij ging overstag en opende de deuren om 13.00 uur. Geen van de stamgasten had hij verteld dat hij eerder open zou openen. In die extra drie uur open keek Koos elke gast in de kroeg argwanend aan. Niet omdat ze vreemde drankjes bestelde, maar omdat hij nog steeds niet af was van het idee dat de gemeente pottenkijkers zou sturen om de ouderdom van de kroeg te achterhalen. Iedereen die naar de w.c. ging en zo vlak langs de bogen in de kelder, volgde hij. Zogenaamd om iets uit de keuken te halen, maar hij bleef net zo lang bij de potten en pannen tot de toerist weer naar de bar was.

Bij iedereen die teveel op zijn vingers keek, werd hij kribbig. Ten onrechte, want geen van de gasten kwam uit de stad van de Fulmar Inn. Toen tegen half vijf de eerste twee stamgasten binnendruppelden, was Koos grotendeels door zijn grootste boosheid en ergernis heen. En door zijn energie.

‘Koos, wat is loos?’

Koos schudde zijn hoofd.

Gerrit en Berend keken elkaar veelbetekenend aan. Berend maakt een beweging met zijn hand langs zijn keel.

‘Je hebt gelijk, Berend. Voor alles is er een moment.’

Gerrit pakte het kleed over de biljarttafel af. Koos deed de verwarming van het biljart aan, de twee mannen legden de ballen op het blauwe laken. De toon van de dag was gezet. Tikkel valse toon, dat wel. Ook al duurde die niet de hele avond.

Het werd, nadat de meeste toetsen waren verdwenen, rond koffietijd, een zeer stille avond. De helft van de stamgasten was de stad uit, vooral omdat men de drukte van de toeristen niet kon hebben. De overigen speelden verveeld nog een potje driebanden, niemand werd fanatiek. Sjoerd gooide zelfs een flink aantal muntstukken in de gokautomaat. Zonder iets te winnen. Berend koos op de jukebox een paar muzaknummers. Het was een Koningsdag om niet herinnerd te worden.

Een week later was de stemming nog niet ten hele gekeerd. Het was Dodenherdenking. De jongsten van de stamgasten hadden niets met die voor hun archaïsch aandoende gewoonte. Ze waren er allemaal, ruim voor acht uur. Koos en Gerrit hielden de klok angstvallig in de gaten. De twee minuten stilte waren gefundenes Fressen.

‘Dodenherdenking. Zouden we daar ooit mee stoppen?’

Gerrit en Koos keken Sjoerd aan.

‘Om de dooie donder niet.’

‘Maar we herdenken toch ook niet de dode uit de 80-jarige oorlog? En die duurde veel…’

‘ZOLANG’, interrumpeerde Gerrit op luide toon, ‘ik nog leef, gaan we daar mee door.’

‘De moffen mogen niet alsnog winnen van ons.’

De bel van de voordeur klonk.

Alle stamgasten waren binnen, en andere bezoekers kwamen meestal niet meer om die tijd.

Twee stellen van nog net niet de pensioenleeftijd kwamen binnen.

‘Ach, wie schön hier, ist ja richtig Holländisch, nicht.’

‘Ja ja, so eine Kneipe gibt es bei uns nicht!’

‘Gemütlich.’

‘Wie sagt man hier? Keesellik?’

De hele bar zat met open mond te kijken naar de vier Duitsers die op mei een paar minuten voor acht de kroeg binnen kwamen en luid pratend aan een tafel gingen zitten. Toen ze hun jas uit hadden, was het een minuut voor acht, en op de televisie waren beelden van De Dam te zien. Een duif op een beeld van het Paleis zat roerloos te wachten tot het acht uur was.

‘Gutenabend, wie hätten gerne vier Bier.’

Toen sloeg de klok op televisie de eerste van acht slagen.

Niemand aan de bar bewoog. Koos had zijn rechterhand op zijn hart gelegd.

De vier Duitsers keken elkaar 2 seconden verbluft aan. Toen begon een ieder om en om te vragen om een biertje.

‘Hallo, warum sind Sie so still?’

Twee minuten lang vroegen de Duitsers om bier. Niemand aan de bar keek een ander aan, maar op elk gezicht verschenen gespannen spieren. Gezichten vervormden met de minuut. Toen de twee minuten om waren, en het volkslied werd ingezet, barstte Koos los.

‘Zijn jullie nou helemaal…?’

Hij maakte zijn zin niet af. Hij kwam met zwaaiende armen achter de bar vandaan. Geen van de stamgasten kwam in beweging. Pas toen Koos fluim spugend over de Oosterburen stond, stonden de mannen op van de bar.

De Duitsers deinsden achteruit.

‘Kutmoffen zijn jullie. Allemaal KUTMOFFEN.’

Berend en Sjoerd grepen Koos bij de schouders.

‘Koos! Houd je in.’

De vier Duitsers stonden op met de jassen angstig voor zich houden. Bewegen deden ze echter niet.

‘Oprotten, jullie. Nu. Eruit.’

De vier bewogen nog niet onmiddellijk. Toen werden ook de overige stamgasten geïrriteerd. Gerrit voorop.

‘Zijn jullie doof?’, riep Gerrit met overslaande stem. ‘AUSROTTEN. JETZT!’

Met zijn allen duwden ze de Duitsers de kroeg uit. Toen die buiten niet onmiddellijk weg liepen, haalde Koos uit de keuken zijn grootste slagersmes. Dat had hij al jaren niet gebruikt, maar kwam nu bijzonder goed van pas. Met zijn zevenen joegen ze de Duitsers de straat uit. Steeds sneller ging het door de straten. Ze hielden niet op. Bij de gracht zagen de vier uit het oosten geen andere mogelijkheid dan in het water te springen om het vege lijf te redden. Tevreden keken de stamgasten naar het viertal dat ternauwernood niet verzoop en drijfnat de overkant haalde.

De stamgasten en Koos stonden met gebalde vuisten te kijken hoe de vijand vluchtte.

(wordt vervolgd).

© Rick Ruhland 2018

Terug naar Schotland 1: Islay

De Hebriden. Een groep eilanden ten westen van het vasteland van Schotland. Van de meer dan 100 eilanden en rotsen zijn vijftien eilanden bewoond. Sommige eilanden, zoals Skye en Mull, zijn groot en naar Schotse begrippen toeristisch, andere, zoals Colonsay, zijn klein en leeg.

De eilanden worden verdeeld in de Inner en Outer Hebrides. Die laatste zijn de eilanden van Vatersay tot Lewis, en liggen in de Atlantische oceaan, ten noorden van Ierland. Ik heb deze buitenste Hebriden allemaal gezien, en daarover schrijf ik een andere keer meer. De Inner Hebrides liggen dichter bij het Schotse vasteland, en van de Inner Hebrides heb ik inmiddels een deel gezien. Skye, Mull, Staffa, Iona, Arran. Er is nog een hoop te bezoeken, zoals Rum, Eigg, Tiree, Coll.

Negen jaar geleden was ik voor het eerst op Islay (uitspraak: aila). Het eiland, het meest zuidwestelijke van de Hebriden, was vooral bekend bij mij vanwege een whisky die ik een paar decennia geleden voor het eerst dronk: Bunnahabhain. Een stevige, rokerige whisky. Meer wist ik niet van Islay. Maar nieuwsgierig was ik wel. In 2009 was ik daar met mijn vriendin (nu vrouw). We meerden aan in Port Askaig en met de bus kwamen we terecht op de camping Port Mor, niet ver van het dorpje Port Charlotte, dat onder de rook van een andere distillery ligt, namelijk Bruichladdich.

Islay, en het volgende geldt voor eigenlijk alle Hebriden, kent een klimaat dat vooral gekenmerkt wordt door westelijke winden en de warme golfstroom. Veel wind, maar ook vier seizoenen in een dag. Nooit langdurige regen in de zomer, en door de zuivere lucht krijg je rap een gebruinde huid. Echt warm wordt het weinig op een eiland als Islay, maar dat maakt wandelen tot en aangename bezigheid. Negen jaar geleden heb ik met mijn vrouw-to-be wat plekken bekeken: de buurt rond Loch Gorm, de heuvels tussen Gearrach en Cultoon (waar een steencirkel staat), en ook de zuidwestelijke hoek van Islay, met de stokerijen van Ardbeg, Lagavullin (tour gedaan), Laphroaig, en Port Ellen (die mijns inziens de beste Whisky van de wereld heeft geproduceerd in de jaren 70 en 80; de stokerij is gesloten in 1983, maar er staat een heropening gepland in 2020) hebben we toen gezien.

Wat maakt Islay zo bijzonder? De whisky’s zijn absoluut een onderdeel. Ik heb alle whisky’s in huis gehad. Mijn favoriet is weliswaar Port Ellen, maar ook Lagavullin, en de reeds genoemde Bunnahabhain en Bruichladdich kun je me altijd voorzetten. Los van  de whisky is het eiland heerlijk om te wandelen. Rond Loch Indaal, die als een wig van noord naar zuid in Islay steekt, loopt de weg: van Portnahaven, een klein dorpje aan de zuidwestkust via Port Charlotte en Bowmore naar Ardbeg aan de zuidoostkust. Op de kleinere wegen, allemaal single track dus om te passeren moet je bij een passing place op elkaar wachten. De westelijke kust is rotsig.

139

Op sommige plekken, zoals bij Bridgend Hotel, waar de wegen naar Port Askaig, Portnahaven en Port Ellen beginnen, staat wat bos. Maar het merendeel van het landschap heeft dit karakter:

IMG_8467

Bovenstaande foto is van de steencirkel van Cultoon, waar ik mijn vrouw ten huwelijk vroeg.

De eerste keer negen jaar heb ik niet alles gezien. Dit jaar keerde ik terug voor twee nachten, en dit keer heb ik de drie stokerijen aan de noordkant gezien (Bunnahabhain, Coal Ila en de nieuwe: Ardnahoe die binnenkort opengaat). Op de terugweg naar Post Charlotte liep ik om via Finlaggan, waar ooit de Lord of the isles zijn zetel had:

IMG_8459

Ik zag dus ook de steencirkel weer, en ik heb Portnahaven bezocht:

IMG_8473

Wat betreft die stokerijen: er komt mogelijk nog een nieuwe stokerij, tussen Laphroaig en Port Ellen in. Dan komt het totaal op 11, nee, 12, als Gartbreck ook doorgaat. En wat als oude sites als Port Charlotte weer in productie gaan? Ik heb een paar mensen gesproken op het eiland en die zien nog meer stokerijen niet als een zegen, zoals de website van Scotch Whisky dat wel ziet. Wat is wijsheid? Time will tell.

Islay, dat is ook ‘island live’. Mensen groeten elkaar, en als je vooral loopt langs wegen, een wandelaar zoals ik, dan zwaait elke automobilist even. Sterker, als je ergens wandelt en met je eigen gedachten bezig bent, moet je niet raar opkijken als een auto stopt, je getoeter hoort, en dat de bestuurder vraagt of je een lift wilt.

Die eerste keer op Islay heeft meteen een levenslange fascinatie en indruk achtergelaten. Toen ik er eind vorige maand weer was, voelde dat als thuis komen.

Scotland is simply another place to call home.

© Rick Ruhland 2018

Een doorwaadbare plaats: 2.Vissen

Mijn vader zaliger, hij is zo goed als op de kop af drie jaar geleden overleden, was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken, België, naar het oosten en van Zurich, Zwitserland, naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau, net onder Frankfurt am Main. Gross-Gerau: de hoofdstad van een Kreis. Nummerborden uit die streek, dat Kreis, beginnen met GG. Dus als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, maakt mijn hart altijd een huppelsprongetje. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin  asperges worden geteeld. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder even verderop ook veel zand. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn moeder, mijn oma, had vier kinderen gebaard. Zijn vader, mijn opa die ik niet heb gekend, was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille en hij is verdwenen in vermoedelijk 1944. Verhalen doen de ronde dat hij is weggebombardeerd terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland. Die opa heb ik dus nooit leren kennen. Toen de oorlog voorbij was, lag de stad in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.
Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De dingen die hij, een elektricien, mij leerde hadden te maken met stroom, met name hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Maar ik viste wel, door mijn Nederlandse opa. En waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli, terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet hebben of zelf een vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel van een waterplant op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.
Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 4

Blijkbaar had de zaterdagavond, een week eerder, elke stamgast aan het denken gezet. Op vrijdag een week later, niet lang na het openen van de kroeg, en met de eerste warme zonnestralen van het jaar, was iedereen binnen een kwartier na opening in de kroeg te vinden. Waar de zaterdagavond in zwijgen eindigde, was het een gekakel van jewelste zodra iedereen zijn eerste drankje op de bar had staan. Ver voor het avondeten was elke stamgast en wat vrienden van de stamgasten binnen en werd kwistig van de drank gesnoept.

‘Koos, ik heb deze week een paar nachtmerries gehad. In al die nachtmerries was de Fulmar Inn voor altijd gesloten. Dat was geen grappig vooruitzicht.’

Gerrits opmerking liet de helft van de stamgasten aan de bar rillen. Sjoerd had zelfs kippenvel dat hij aan iedereen liet zien.

‘Maar is dat reëel?’

Jonneke was de enige die dat soort vragen moest stellen. En ook kon stellen, want de ervaring met haar adviesbureau ‘Psychologie in de praktijk’ had haar geen windeieren gelegd. Zij wist dat maatschappelijke veranderingen niet opgelegd konden worden. Forcing backfires, stond op haar internationale website.

Gerrit pakte zijn snuiftabak.

Berend had als klerk bij de gemeente vaker verteld over hoe je de gemeente het beste moest bespelen. Voor hij iets zei, keek hij naar de vingerbewegingen van Gerrit, die de tabak op het vangnetje tussen wijsvinger en duim legde en een keer krachtig snoof.

‘Als ik hier iets zinnigs over mag zeggen, en ik denk dat ik dat heel goed kan: ga niet onmiddellijk met je kont tegen de krib, maar breng het nieuws via anderen naar buiten. Gebruik de Wijkkrant, of dat blaadje voor de uitgaan en kunsten… Hoe heet dat ook al weer, Jonneke?’

‘EW. Even Weg.’

‘Precies die. Zorg dat je momentum krijgt. Dat men weet dat je er bent, en dat je een betekenis hebt, en dat je al heel oud bent, al heel lang bestaat.’

‘Het gaat helemaal niet om USP’s.’

Koos schonk Hannes, die van alles verstand had, een borrel.

‘Alles moet in het kader staan. Het kader ‘voorkomen dat de kroeg gesloten wordt’.’

‘Maar dan moeten we wel zorgen dat we laten zien welke rol de kroeg speelt, nu en vroeger. Waar de waarde van de kroeg in zit. En dan niet die dingen die juist de gemeente doen roepen: we gaan de fundamenten van de kroeg onderzoeken.’

‘Juist,’ zei Gerrit met een blij gezicht, restanten snuiftabak in zijn zakdoek snuitend.

‘Daarom,’ en terwijl ze verder sprak tilde ze haar aktekoffer op de bar en haalde er een boek uit, ‘ben ik in de bibliotheek geweest en op wat websites over de herberg.’

Iedereen keek naar het boek in haar handen. Ze keken goed. Hannes zag het al snel.

‘Dat gaat over ‘een’ herberg. Niet ‘de’.’

Koos knikte met Hannes mee.

‘Hannes ziet het goed. Dat is een kroeg uit de stad, maar meer bij de oude wallen. Aan de zuidkant van het centrum.’

‘Wat kunnen we dan doen?’

‘We hebben een plan nodig.’

Maartje was weer helemaal bij de les. Dat ze een verkeerd boek heeft meegenomen, had ze al weer achter zich gelaten.

‘Koos, wat weet je van de vorige eigenaren?’

Koos haalde zijn schouders op.

‘Het schijnt dat mijn voorouders altijd een relatie met de kerk hadden.’

Koos liep weg en kwam na ene minuut of tien terug met een koker. Daarin zat een poster. Die rolde hij uit en met glazen op de hoeken legde hij die op de bar. Iedereen kwam om de poster heen staan en las de tekst:

Dat huys aender mueren daer sy tegenwoordig syn woenende, gelegen aen den hulle omtrent der kerken aen den ommegank metten camp daer achter aen gelegen, streckend met beyde syden aen de gemeyn straet, van den eenen syde opwaert nae de kercke aen ende voirts nae het huys, gecoemen ende gecocht van den kapelaan Heer Brassen Willemsz. zaliger.

‘Zo.’

‘Wat je zegt.’

‘Nou.’

Iedereen behalve Sjoerd zat verbluft te kijken. Die zei daarom maar:

‘Jullie hebben geen idee wat hier staat en waarom dit in ons voordeel kan zijn.’

Iedereen schudde zijn hoofd en beaamde zijn eigen onwetendheid.

‘Koos, hoe kom je hier aan?’

‘Lag eeuwen in de crypte van de kerk. Het verhaal van hoe en wat en hoe ik eraan kom, vertel ik nog wel een keer.’

Sjoerd las de tekst nog een keer.

‘De kroeg is ooit van de kerk gekocht? Lees ik dat goed?’

Jonneke tikte een paar woorden van de poster in en kwam al snel op een website. Ze las voor:

‘De oudste kroeg, die aan de rivier is gelegen, is vermoedelijk uit 1556 of daaromtrent; heel waarschijnlijk nog ouder. Na 50 jaar en enkele branden en overvallen (ook vanaf de rivier) de kroeg in rap tempo overging in andere handen, eerst een Duitser, toen een Fransoos, toen een Groninger, toen een Brabander, toen een lokale jongen het koffiehuis probeerde voort te zetten. Dat lukte in januari 1605. De eigenaar toen, Van Cleyenconst en van huis uit een baksteenbakker, kwam toen bij de wacht voor een vergunning en de gemeentelijke notaris die hem vroeg wat de naam moest zijn. De eigenaar was niet helemaal alert (hij had een aanbod gekregen om ook een brouwerij in het pand te beginnen, zei Vul maer in, en dat werd de naam.’

‘Waarom hebben we die site niet eerder gevonden?’

‘Omdat we verkeerd dachten en daardoor verkeerd zochten.’

‘Zou dit kloppen? Dat de kerk altijd een vinger in de pap van de kroeg heeft gehad? Ik bedoel: het staat op een website, maar wat op internet staat, is meestal maar half waar.’

Gerrit werd het allemaal wat te veel.

‘Laten we het hier bij houden: Vroeger ging de koster voor de uitbater uit.’

Alleen de vrouwen aan de bar konden niet lachen om de woordspeling.

‘Het verklaart in ieder geval wel waarom er al eeuwen een animositeit tussen de kerk en het klooster en de kroeg bestaat.’

‘Maar wat gaan we nu doen?’

‘Ik heb een tip. Er staan wel meer gebouwen in de straat die belangrijk zijn geweest, en waar je niets mee mag doen. Niet verbouwen, niet aankomen. Van overheidswege. Denk aan de boerderij aan einde van de straat, het pakhuis hiernaast, de oude molen van de houtzagerij. Betrek die in het plan.’

Koos sputterde nog even tegen, maar gaf uiteindelijk toe.

Maartje had het laatste woord die avond, voordat ze gingen biljarten en drinken.

‘Ik schrijf een artikeltje, en wij zorgen er voor dat we de gemeente uitzuigen en veel geld vragen voor renovatie e.d. en dat tegelijkertijd de kroeg open moet blijven.’

Iedereen knikte hartstochtelijk ja. De kroeg moest blijven.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 3

Nog diezelfde avond…

‘Waaaat?’ Bassie.

‘Echt niet!’ Maartje.

‘Toe even.’ Gerrit.

‘Weet je dat zeker?’ Sjoerd.

‘Tsss.’ Berend.

‘Poe. Poe. poe. Poeperdepoe.’ Jonneke, die van de wc kwam en daar een flink snuif coke naar binnen had gewerkt.

‘Sodemenakkes.’ Gerrit nog een keer.

Koos knikte bij elke uitroep.

Het bleef minutenlang. De koelkast sloeg aan.

‘Doe ons eens een borrel. Op mijn rekening.’

Gerrit was niet degene die vaak een rondje gaf, maar dit was een uitzonderingssituatie die om drastische maatregelen vroeg.

Koos schonk voor iedereen zijn favoriete drankje in. Bij elke glas dat hij inschonk morste hij een druppel of wat. Hij was dan wel ondernemer maar niet omdat hij er voor koos. Hij werd uitbater omdat zijn vader het deed. Een expert in inschenken was hij nooit geworden

‘Zo zit het dus,’ zei Koos. ‘Misschien moet de kroeg dicht en dat enkel en alleen omdat een uithangbord is gevonden dat ouders is dan men had verwacht en gedacht.’

Maartje liet het er niet bij zitten.

‘Maar nu is me nog steeds niet duidelijk waar de naam vandaan komt.’

‘Ja Koos, waarom staat er op het bord In de Stormvogel? En waarom heet de kroeg dan Fulmar Inn?’

Koos zweeg. Hij wist het antwoord half.

‘Daarvoor moet je terug naar het riool.’

Buiten gromden graafmachines. Inmiddels was men aan het begin van de straat begonnen met graven van een sleuf in de weg die achter de kroeg langs liep. De klinkers lagen als heggen langs de oude straat tussen kerk en kroeg. Achter de kroeg was de weg al open gegooid, maar aan graven was men nog niet toegekomen.

‘Iedereen kent het verhaal van oma?’

Iedereen knikte.

‘En dat er een vloek ligt op het openen van de muur onder de bogen?’

Niet iedereen knikte, maar Koos keek niet naar zijn stamgasten.

‘De stadsarcheoloog is jaren geleden langs gekomen om te vragen naar de bogen in de kelder. Hij hield een heel verhaal over de herkomst van de naam van de kroeg.’

‘Ik heb iets op de regionale zender gezien.’

‘Stil nou even Maartje.’

Koos nam een slok van zijn water.

‘D’r was iets op televisie was. Die archeoloog…’

‘Is dat niet mijn overbuurman Dolf Spitter? Die…’

‘Laat hem nou eens uitpraten.’

‘Dolf, die is het, die vroeg van alles over de stadswallen. Ik wist het toen nog niet, maar die bogen zijn helemaal niet van 1789.’

Jonneke, nooit helemaal relaxed en nu helemaal niet, snoof wat restanten coke haar neusgaten in.

‘Dus? Dus? Dus? Dus?’

Berend, normaal geen groot fan van de psychologe, knikte met haar mee.

‘Het gaat om de stadswallen. De kroeg is natuurlijk ouder dan 1789, maar de kelder achter de kloostermoppen is nieuw gegraven. Dat staat zo in de stukken van het gemeente-archief. Maar wat ik heb gehoord van mijn vader, en van mijn grootvader, is dat niet zo. En wat ik niet wil, is dat die bogen open moeten. Ook al komt daarmee de waarheid aan het licht.’

Die muren tussen de bogen wegbreken is vragen om problemen. Koos wist inmiddels waarom Peter dat had gezegd toen hij maanden geleden de kroeg uitliep. Het ging niet alleen om die hand oma. Peter, die maar zelden nog in de kroeg voorbij kwam, wist dat de de bouwkundige tekeningen niet officieel goed gekeurd waren. Na de tweede wereldoorlog is de kroeg in allerijl weer opgebouwd met allerlei stenen die na de bombardementen van eerst de Duitsers en toen de geallieerden overal voor het oprapen lagen.

‘En dan nu die naam.’

Sjoerd wilde elke naadje van elke kous weten. Sjoerd gaf ook graag naadjes door.

‘Wat ik weet, Koos, en ik heb wat boeken van onze lokale geschiedenis hierover gelezen. Een van der eerste kroegen heette In de vreemd Eend. Het was meer een herberg voor handelaren in gevogelte dan voor reizigers. Die herberg bestond vermoedelijk al in 15e eeuw, maar allerlei ziektes hielden de eigenaren er bijna mee op. Tot in november 1605 een Engelsman naar de kroeg kwam en vroeg hoe de kroeg heette. De meesten wisten toen niet meer hoe de kroeg heette. De kroeg veranderde sneller van naam dan de Paus van onderbroek.’

Alleen Berend kon er om lachen. Berend, vader van zeven kinderen. Allemaal zonen.

‘Die Engelsman, een tekenaar en een van de mensen die na het buskruitverraad niet is opgepakt, hoorde de ‘Vul maer in’, en hij maakte het eerste uithangbord met een Stormvogel, vandaar de Fulmar Inn.’

‘En dat bord is dus gevonden bij de eerste opgravingen, een paar weken geleden.’

Ondertussen zat Bassie op de laptop van Maartje te zoeken.

‘Eigenlijk is het raar dat onze stamkroeg niet op Wikipedia is te vinden. Want moet je dit eens lezen! Vond ik afgelopen weekend.’

Iedereen kwam bij Bassie staan. Samen lazen het verhaal van Hotel de Zwaan in Deurne. Toen iedereen klaar was, zei Koos:

‘Dat lijkt wel het verhaal van de Fulmar Inn.’

Maartje keek Bassie schuin aan.

‘Ik heb het vermoeden dat jij die website op Wikipedia hebt gemaakt.’

Bassie haalde zijn schouders op.

‘Die gaat over Deurne. Nog ooit geweest, en geen plannen om reis daarheen te maken. Veel te ver weg. Ergens in Brabant.’

Maartje stak haar tong uit. Ze moesten niet aan heur Brabant komme.

‘Lijkt me eerder iets voor jou. Jouw familie komt toch uit die buurt, Maartje? Maar als jij nou eens achtergrondinformatie gaat zoeken. Doe je ook eens wat nuttigs.’

Stilzwijgend ging die avond ten einde. Niemand ging laat naar huis.

© Rick Ruhland 2018