De Fulmar Inn: Het open riool 4

Blijkbaar had de zaterdagavond, een week eerder, elke stamgast aan het denken gezet. Op vrijdag een week later, niet lang na het openen van de kroeg, en met de eerste warme zonnestralen van het jaar, was iedereen binnen een kwartier na opening in de kroeg te vinden. Waar de zaterdagavond in zwijgen eindigde, was het een gekakel van jewelste zodra iedereen zijn eerste drankje op de bar had staan. Ver voor het avondeten was elke stamgast en wat vrienden van de stamgasten binnen en werd kwistig van de drank gesnoept.

‘Koos, ik heb deze week een paar nachtmerries gehad. In al die nachtmerries was de Fulmar Inn voor altijd gesloten. Dat was geen grappig vooruitzicht.’

Gerrits opmerking liet de helft van de stamgasten aan de bar rillen. Sjoerd had zelfs kippenvel dat hij aan iedereen liet zien.

‘Maar is dat reëel?’

Jonneke was de enige die dat soort vragen moest stellen. En ook kon stellen, want de ervaring met haar adviesbureau ‘Psychologie in de praktijk’ had haar geen windeieren gelegd. Zij wist dat maatschappelijke veranderingen niet opgelegd konden worden. Forcing backfires, stond op haar internationale website.

Gerrit pakte zijn snuiftabak.

Berend had als klerk bij de gemeente vaker verteld over hoe je de gemeente het beste moest bespelen. Voor hij iets zei, keek hij naar de vingerbewegingen van Gerrit, die de tabak op het vangnetje tussen wijsvinger en duim legde en een keer krachtig snoof.

‘Als ik hier iets zinnigs over mag zeggen, en ik denk dat ik dat heel goed kan: ga niet onmiddellijk met je kont tegen de krib, maar breng het nieuws via anderen naar buiten. Gebruik de Wijkkrant, of dat blaadje voor de uitgaan en kunsten… Hoe heet dat ook al weer, Jonneke?’

‘EW. Even Weg.’

‘Precies die. Zorg dat je momentum krijgt. Dat men weet dat je er bent, en dat je een betekenis hebt, en dat je al heel oud bent, al heel lang bestaat.’

‘Het gaat helemaal niet om USP’s.’

Koos schonk Hannes, die van alles verstand had, een borrel.

‘Alles moet in het kader staan. Het kader ‘voorkomen dat de kroeg gesloten wordt’.’

‘Maar dan moeten we wel zorgen dat we laten zien welke rol de kroeg speelt, nu en vroeger. Waar de waarde van de kroeg in zit. En dan niet die dingen die juist de gemeente doen roepen: we gaan de fundamenten van de kroeg onderzoeken.’

‘Juist,’ zei Gerrit met een blij gezicht, restanten snuiftabak in zijn zakdoek snuitend.

‘Daarom,’ en terwijl ze verder sprak tilde ze haar aktekoffer op de bar en haalde er een boek uit, ‘ben ik in de bibliotheek geweest en op wat websites over de herberg.’

Iedereen keek naar het boek in haar handen. Ze keken goed. Hannes zag het al snel.

‘Dat gaat over ‘een’ herberg. Niet ‘de’.’

Koos knikte met Hannes mee.

‘Hannes ziet het goed. Dat is een kroeg uit de stad, maar meer bij de oude wallen. Aan de zuidkant van het centrum.’

‘Wat kunnen we dan doen?’

‘We hebben een plan nodig.’

Maartje was weer helemaal bij de les. Dat ze een verkeerd boek heeft meegenomen, had ze al weer achter zich gelaten.

‘Koos, wat weet je van de vorige eigenaren?’

Koos haalde zijn schouders op.

‘Het schijnt dat mijn voorouders altijd een relatie met de kerk hadden.’

Koos liep weg en kwam na ene minuut of tien terug met een koker. Daarin zat een poster. Die rolde hij uit en met glazen op de hoeken legde hij die op de bar. Iedereen kwam om de poster heen staan en las de tekst:

Dat huys aender mueren daer sy tegenwoordig syn woenende, gelegen aen den hulle omtrent der kerken aen den ommegank metten camp daer achter aen gelegen, streckend met beyde syden aen de gemeyn straet, van den eenen syde opwaert nae de kercke aen ende voirts nae het huys, gecoemen ende gecocht van den kapelaan Heer Brassen Willemsz. zaliger.

‘Zo.’

‘Wat je zegt.’

‘Nou.’

Iedereen behalve Sjoerd zat verbluft te kijken. Die zei daarom maar:

‘Jullie hebben geen idee wat hier staat en waarom dit in ons voordeel kan zijn.’

Iedereen schudde zijn hoofd en beaamde zijn eigen onwetendheid.

‘Koos, hoe kom je hier aan?’

‘Lag eeuwen in de crypte van de kerk. Het verhaal van hoe en wat en hoe ik eraan kom, vertel ik nog wel een keer.’

Sjoerd las de tekst nog een keer.

‘De kroeg is ooit van de kerk gekocht? Lees ik dat goed?’

Jonneke tikte een paar woorden van de poster in en kwam al snel op een website. Ze las voor:

‘De oudste kroeg, die aan de rivier is gelegen, is vermoedelijk uit 1556 of daaromtrent; heel waarschijnlijk nog ouder. Na 50 jaar en enkele branden en overvallen (ook vanaf de rivier) de kroeg in rap tempo overging in andere handen, eerst een Duitser, toen een Fransoos, toen een Groninger, toen een Brabander, toen een lokale jongen het koffiehuis probeerde voort te zetten. Dat lukte in januari 1605. De eigenaar toen, Van Cleyenconst en van huis uit een baksteenbakker, kwam toen bij de wacht voor een vergunning en de gemeentelijke notaris die hem vroeg wat de naam moest zijn. De eigenaar was niet helemaal alert (hij had een aanbod gekregen om ook een brouwerij in het pand te beginnen, zei Vul maer in, en dat werd de naam.’

‘Waarom hebben we die site niet eerder gevonden?’

‘Omdat we verkeerd dachten en daardoor verkeerd zochten.’

‘Zou dit kloppen? Dat de kerk altijd een vinger in de pap van de kroeg heeft gehad? Ik bedoel: het staat op een website, maar wat op internet staat, is meestal maar half waar.’

Gerrit werd het allemaal wat te veel.

‘Laten we het hier bij houden: Vroeger ging de koster voor de uitbater uit.’

Alleen de vrouwen aan de bar konden niet lachen om de woordspeling.

‘Het verklaart in ieder geval wel waarom er al eeuwen een animositeit tussen de kerk en het klooster en de kroeg bestaat.’

‘Maar wat gaan we nu doen?’

‘Ik heb een tip. Er staan wel meer gebouwen in de straat die belangrijk zijn geweest, en waar je niets mee mag doen. Niet verbouwen, niet aankomen. Van overheidswege. Denk aan de boerderij aan einde van de straat, het pakhuis hiernaast, de oude molen van de houtzagerij. Betrek die in het plan.’

Koos sputterde nog even tegen, maar gaf uiteindelijk toe.

Maartje had het laatste woord die avond, voordat ze gingen biljarten en drinken.

‘Ik schrijf een artikeltje, en wij zorgen er voor dat we de gemeente uitzuigen en veel geld vragen voor renovatie e.d. en dat tegelijkertijd de kroeg open moet blijven.’

Iedereen knikte hartstochtelijk ja. De kroeg moest blijven.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn: Het open riool 3

Nog diezelfde avond…

‘Waaaat?’ Bassie.

‘Echt niet!’ Maartje.

‘Toe even.’ Gerrit.

‘Weet je dat zeker?’ Sjoerd.

‘Tsss.’ Berend.

‘Poe. Poe. poe. Poeperdepoe.’ Jonneke, die van de wc kwam en daar een flink snuif coke naar binnen had gewerkt.

‘Sodemenakkes.’ Gerrit nog een keer.

Koos knikte bij elke uitroep.

Het bleef minutenlang. De koelkast sloeg aan.

‘Doe ons eens een borrel. Op mijn rekening.’

Gerrit was niet degene die vaak een rondje gaf, maar dit was een uitzonderingssituatie die om drastische maatregelen vroeg.

Koos schonk voor iedereen zijn favoriete drankje in. Bij elke glas dat hij inschonk morste hij een druppel of wat. Hij was dan wel ondernemer maar niet omdat hij er voor koos. Hij werd uitbater omdat zijn vader het deed. Een expert in inschenken was hij nooit geworden

‘Zo zit het dus,’ zei Koos. ‘Misschien moet de kroeg dicht en dat enkel en alleen omdat een uithangbord is gevonden dat ouders is dan men had verwacht en gedacht.’

Maartje liet het er niet bij zitten.

‘Maar nu is me nog steeds niet duidelijk waar de naam vandaan komt.’

‘Ja Koos, waarom staat er op het bord In de Stormvogel? En waarom heet de kroeg dan Fulmar Inn?’

Koos zweeg. Hij wist het antwoord half.

‘Daarvoor moet je terug naar het riool.’

Buiten gromden graafmachines. Inmiddels was men aan het begin van de straat begonnen met graven van een sleuf in de weg die achter de kroeg langs liep. De klinkers lagen als heggen langs de oude straat tussen kerk en kroeg. Achter de kroeg was de weg al open gegooid, maar aan graven was men nog niet toegekomen.

‘Iedereen kent het verhaal van oma?’

Iedereen knikte.

‘En dat er een vloek ligt op het openen van de muur onder de bogen?’

Niet iedereen knikte, maar Koos keek niet naar zijn stamgasten.

‘De stadsarcheoloog is jaren geleden langs gekomen om te vragen naar de bogen in de kelder. Hij hield een heel verhaal over de herkomst van de naam van de kroeg.’

‘Ik heb iets op de regionale zender gezien.’

‘Stil nou even Maartje.’

Koos nam een slok van zijn water.

‘D’r was iets op televisie was. Die archeoloog…’

‘Is dat niet mijn overbuurman Dolf Spitter? Die…’

‘Laat hem nou eens uitpraten.’

‘Dolf, die is het, die vroeg van alles over de stadswallen. Ik wist het toen nog niet, maar die bogen zijn helemaal niet van 1789.’

Jonneke, nooit helemaal relaxed en nu helemaal niet, snoof wat restanten coke haar neusgaten in.

‘Dus? Dus? Dus? Dus?’

Berend, normaal geen groot fan van de psychologe, knikte met haar mee.

‘Het gaat om de stadswallen. De kroeg is natuurlijk ouder dan 1789, maar de kelder achter de kloostermoppen is nieuw gegraven. Dat staat zo in de stukken van het gemeente-archief. Maar wat ik heb gehoord van mijn vader, en van mijn grootvader, is dat niet zo. En wat ik niet wil, is dat die bogen open moeten. Ook al komt daarmee de waarheid aan het licht.’

Die muren tussen de bogen wegbreken is vragen om problemen. Koos wist inmiddels waarom Peter dat had gezegd toen hij maanden geleden de kroeg uitliep. Het ging niet alleen om die hand oma. Peter, die maar zelden nog in de kroeg voorbij kwam, wist dat de de bouwkundige tekeningen niet officieel goed gekeurd waren. Na de tweede wereldoorlog is de kroeg in allerijl weer opgebouwd met allerlei stenen die na de bombardementen van eerst de Duitsers en toen de geallieerden overal voor het oprapen lagen.

‘En dan nu die naam.’

Sjoerd wilde elke naadje van elke kous weten. Sjoerd gaf ook graag naadjes door.

‘Wat ik weet, Koos, en ik heb wat boeken van onze lokale geschiedenis hierover gelezen. Een van der eerste kroegen heette In de vreemd Eend. Het was meer een herberg voor handelaren in gevogelte dan voor reizigers. Die herberg bestond vermoedelijk al in 15e eeuw, maar allerlei ziektes hielden de eigenaren er bijna mee op. Tot in november 1605 een Engelsman naar de kroeg kwam en vroeg hoe de kroeg heette. De meesten wisten toen niet meer hoe de kroeg heette. De kroeg veranderde sneller van naam dan de Paus van onderbroek.’

Alleen Berend kon er om lachen. Berend, vader van zeven kinderen. Allemaal zonen.

‘Die Engelsman, een tekenaar en een van de mensen die na het buskruitverraad niet is opgepakt, hoorde de ‘Vul maer in’, en hij maakte het eerste uithangbord met een Stormvogel, vandaar de Fulmar Inn.’

‘En dat bord is dus gevonden bij de eerste opgravingen, een paar weken geleden.’

Ondertussen zat Bassie op de laptop van Maartje te zoeken.

‘Eigenlijk is het raar dat onze stamkroeg niet op Wikipedia is te vinden. Want moet je dit eens lezen! Vond ik afgelopen weekend.’

Iedereen kwam bij Bassie staan. Samen lazen het verhaal van Hotel de Zwaan in Deurne. Toen iedereen klaar was, zei Koos:

‘Dat lijkt wel het verhaal van de Fulmar Inn.’

Maartje keek Bassie schuin aan.

‘Ik heb het vermoeden dat jij die website op Wikipedia hebt gemaakt.’

Bassie haalde zijn schouders op.

‘Die gaat over Deurne. Nog ooit geweest, en geen plannen om reis daarheen te maken. Veel te ver weg. Ergens in Brabant.’

Maartje stak haar tong uit. Ze moesten niet aan heur Brabant komme.

‘Lijkt me eerder iets voor jou. Jouw familie komt toch uit die buurt, Maartje? Maar als jij nou eens achtergrondinformatie gaat zoeken. Doe je ook eens wat nuttigs.’

Stilzwijgend ging die avond ten einde. Niemand ging laat naar huis.

© Rick Ruhland 2018

De poot om op te staan

Het café dat aan de Vismarkt ligt, opent al vroeg in de ochtend. Op dat uur loopt het café vol met marktlieden die met een koffie en een likeur de dag beginnen, en die pas weer tegen 5 uur binnenkomen voor een pul bier.

Zodra zij naar hun kraam gaan en de handel proberen te verkopen, wordt het even rustig, maar dat duurt niet lang. Het is alsof een ieder die al wel wakker is en niet meer thuis wil zijn, zich daar verzamelt. Oude mannen met hoed en stok, juffers met hun laptop die een creatief beroep doen of daar de illusie van willen wekken, geliefden die het kleffe, naar liefdeszweet stinkende bed voor een moment hebben verlaten, toeristen. Het is een komen en gaan, iedereen is welkom, niemand valt op, de benen die ik zie vanuit mijn plek naast het grote raam duiden op gewone mensen in een gezellige kroeg.

Met uitzondering van elke dinsdagochtend rond even voor elf uur. Dan komt een man binnen die aan mijn tafel gaat zitten. Een wat stijve man, die vaak in grijze broeken en en beige vesten is gekleed. Hij rookt niet, hij drinkt niet, hij loopt vaak hard. Dat is wat ik van hem weet.

Niet veel later komt zij binnen.

Zo ging het tot nu toe: zodra zij zit, gaat zijn hand onder het tafelblad. Eerst is die hand alleen maar onder het tafelblad, maar na een seconde of tien gaat zijn wijsvinger richting zijn lies en krabt daar een minuut lang. Elke keer weer. Het duurt een paar minuten, dan haalt hij zijn geslacht naar rechts en dat is nu stijf. Zij heeft inmiddels beide handen onder de tafel en trekt haar rok omhoog. Ze draagt geen ondergoed. De vingers van haar andere hand strelen haar schaamlippen.

Als ze aan mijn tafel zit, draagt ze meestal rode pumps. Meestal zet ze een pump op de staander van mijn tafel en drukt ze een vinger tussen haar schaamlippen terwijl haar duim haar klit masseert. Nu ook.

Maar vandaag is een dag als geen andere dag. Zij wrijft wel, maar hij niet. Hij brengt zijn hand weer boven tafel.

Door het tafelblad heen hoor ik hem zeggen:

“Je kunt niet langer mijn patiënt en mijn minnares tegelijk zijn.”

Haar hand stopt, haar dijen klappen dicht, haar voet op mijn houten poot glijdt weg.
Dan zet hij zijn voet op mij. Aan zijn zool kleeft hondenpoep. Ik ruik de penetrante geur van de poep, die hij aan mijn hout afveegt.

“Maar mijn emotionele focustherapie moet door gaan, Peter, want ik word zo geil van psychiaters, en ik kan nergens meer gewoon zijn zonder mezelf te bevredigen.”

Geruisloos zijn de benen van de kelner naderbij gekomen.

“Peter, je moet me blijven bevredigen,” zegt ze veel te hard.

Peter springt overeind, glijdt uit over de poep op mijn tafelpoot, bewaart nog net zijn evenwicht en rent het café uit.

© Rick Ruhland 2018

Ruikende testikels

Conversatie met een vriend. Soms is briljant zijn zo fijn:

“Zou dit waar zijn? ‘Human testicles have receptors that can taste sweet, salty, bitter, sour and umami flavours. We are sure you are extremely glad you now know this fact.'”

“Mijn ballen kunnen proeven en ruiken…..? Dus als ik neuk dan hebben m’n ballen een soort van waarneming…. Dat is toch logisch, hoe kan mijn instinct anders functioneren?????”

“Of ze kunnen ruiken weet ik niet. Dat zou je ze eens moeten vragen. Proeven wel. Vraag terug: kunnen schaamlippen ook proeven?”

“Denk ‘t wel. Ik denk dat onze voortplantingsorganen constant signalen zenden voor (dis)approval.”

“Misschien is proeven het enige wat geslachtsorganen willen, en is voortplanting een bijproduct. Honing ook.”

“Ik vroeg me vanochtend opeens iets af: ‘Hoe komt t dat ik na het vrijen met de twee laatste vrouwen geen behoefte tot terugtrekken had….. Dat ligt in het verlengde… Interessante omkering, zeg. Seks is echt nog een onontgonnen terrein van onderzoek.”

“Ik word dan weer wetenschapper.”

“Maar nog even: dat proeven is in context. Wat wordt geproefd? Waarom?”

“Zout, zuur, zoet etc. En waarom? Omdat het lekker is?”

“Ja, maar dat is niet relevant.”

“Juist wel. Dat is het enige dat relevant is. Genot.”

“Lekker is het middel voor iets anders om te verbinden.”

“Lekker is centraal. Genot is centraal. De rest is bijzaak.”

“Nee, lekker is de deur die open gaat. Relevant is wat binnenkont.”

“Honing ook.”

“Okay, wat jij wil😉.”

“Deur? Schuifdeuren.”

“Lekker is een receptor van het bewustzijn. Het gaat om het transport.”

“Lekker is een consequentie, een gevolg van een interpretatie van een of meerdere zintuigen.”

“Transport.”

We zijn er niet uitgekomen wat een teelbal nou vindt van wat hij proeft. De wetenschap van de proevende teelbal is nog niet af.

© Rick Ruhland 2018

 

Een doorwaadbare plaats: 1. Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 ging Nederland gebukt onder verraderlijke sneeuwbuien en ijzige temperaturen. De wereld die winter was onaangenaam: soms vroor het overdag 10 graden, en op zekere momenten zoals rond de jaarwisseling en op Valentijnsdag woedden sneeuwstormen die het leven stillegden. Het water in de wateren rond de doorwaadbare plaats was normaal mijn speelkameraad, maar kende nu een verraderlijke twist. Dat besefte ik, jongen van 12, niet.

Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs op veel plekken wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, in spijkerbroek, trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Sfeerbeeld:

Wijde AA

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeter dunne ijzers over centimeter dik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park Aa-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich zonder enige geluid en onder mijn jonge benen verscheen een wak. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder voor het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Niet alles in het leven is een doorwaadbare plaats. Ook in het brein niet. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a zonder een duidelijk plek b. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant, de wal bereiken, zelfs als je door het ijs zakt.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 2

Toen Koos had gesproken, was het doodstil geworden in de kroeg. Meestal was Koos niet degene die een verhaal had. En als hij het wel had, dan vertelde hij dat weinig. Als hij toch vertelde, dan bleef zijn verhaal altijd binnen de perken. Nooit veel details, nooit met een opgewonden stem. Het leek ook alsof weinig zaken hem raakten. 

De stamgasten zagen echter nu voor het eerst een Koos die zich liet gaan. De meesten aan de bar, Gerrit, Berend, Sjoerd, Hannes en Jonneke, zaten stokstijf, met een elleboog op de bar, en een hand voor de mond. Verbazing alom. Ook om de trillende handen van Koos, trouwens.

‘Mijn overgrootvader,’ zo ging Koos verder, die er dit keer geen genoeg van kon krijgen, ‘mijn overgrootvader, ik zeg, mijn overgrootvader had in de jaren 30 van de vorige eeuw al gezegd, deze kroeg moet altijd blijven, ongeacht wat de geschiedenis ook zal zijn.’

Hannes gniffelde stiekem. ‘Geschiedenis die zal zijn’.

Jonneke zag de glimlach. Ze deed de hand naar hoofd om een lok van het haar achter haar oor leggen, maar was vergeten dat ze sinds een paar weken een jongensachtig kort kapsel had. In een moeite door bracht ze haar hand omhoog en deed alsof ze zwaaide en tegelijk wilde bestellen. Niemand reageerde.

Koos vervolgde zijn verhaal. Ondertussen keken Gerrit en Berend een andere kant op. Maar dat was tactiek. Een tactiek om iedereen te doen geloven dat het hun niet interesseerde. Dat deed het om de drommel wel.

Alleen Maartje, de eeuwig nieuwsgierige journaliste, was niet echt onder de indruk. Beter gezegd, zij moest als altijd doorvragen.

‘Dus, Koos, deze kroeg is ouder dan de Franse tijd. Ouder dan de VOC. Zo oud als de Spaanse tijd. Maar hoe zit het dan met de naam?’

Koos had net verteld dat in de gemeentelijke archieven veel bewaard was gebleven van eigendomaktes, rekeningen, kadaster, tekeningen. Op de plek van de kroeg, op 200 stappen van de kerk, en op 300 stappen van de Vispoort, was al sinds de negende eeuw bebouwing. Eerst een vrijstaande schuur, die bij een boerderij hoorde. 

In die schuur hield de boer eenden. Zoveel was wel bekend. In de geschiften van de regio, eind 15e eeuw, stond de stad bekend om haar ‘gevogelte’. Op meerdere plekken langs de rivier werden ganzen, kippen, zwanen en eenden gehouden. De eigenaar van de schuur, boer Stove op den brinck, was een verre voorouder van de latere vriesdroogfabriek Van der Stoof, en in die eerste tijd was er veel behoefte aan gevogelte. 

Toen de boer een grotere boerderij liet bouwen aan de andere kant van de rivier, kwam de schuur in handen van een gevluchte protestant uit zuidelijke Vlaanderen. Hij, Adelbert, was gevlucht toen de heksenvervolgingen over hun hoogtepunt heen waren. En nog was de honger van de katholieken niet gestild. Adelbert voelde al aan dat de katholieken hem te grazen zouden gaan nemen. Hij vertrok begin 16e eeuw, trok enkele jaren door de noordelijke gewesten van Nederland en vond uiteindelijk zijn plek in de stad aan de rivier, en toen hij de schuur zag, nam Adelbert die schuur over. Men noemde Adelbert, vanwege zijn taaltje en omdat hij in een voormalige eendenschuur ging wonen, de Vreemde eend. Wie wat wilde drinken in die tijd, vooral reizigers op weg naar het Orakel van Ootmarsum, kwam al snel uit bij Herberg In de vreemde eend.

Toen de herbergier overleed (kogelwond? vergiftiging? leeftijd? De annalen laten het onvermeld), stonden meerdere buren van de herberg klaar om de toko over te nemen. Al ras bleek dat er onder de grond een enorme mestput zat, en daarom moest de schuur afgebroken worden. Niemand wilde dat. Op een na: de abt van de kerk. Hij was een druk man, maar hij kon altijd wel wat extra centen gebruiken.

Maartje had met veel interesse zitten luisteren. Fronsend ook.

‘En toch, Koos…’

In de stilte die viel, keken de stamgasten haar aan.

‘Trouwens, hoe jij dit allemaal weet, geen idee, maar wat ik wilde zeggen: hoe komt het dat op internet niets te vinden is?’

Koos had een blik paraat. Niet de gewoonlijke uitbaterblik die sprak: ‘Welkom hier maar haal geen fratsen uit.’ Het was de blik ‘Mond dicht en luisteren nu.’

‘Maartje, ga eens een boek lezen. Er is namelijk veel meer loos dan jij weet.’

Maartje had geen lange tenen, maar Koos was duidelijk op een paar van haar gelakte nagels gaan staan.

‘Nou zeg, Koos.’

Koos liep naar de ruimte achter de kroeg, een plek die meer kast dan kamer was. Hij rommelde even en kwam toen terug met een A4-map. Hij sloeg die open. Uit de map haalde hij een blaadje, dat smoezelig was. Het was een fotokopie.

‘Dit is een kopie van de voorkant van het boek waar ik het over heb. Dit boek gaat over straten in steden waar kerk, herberg en magistraat in een en dezelfde straat. Ik heb het boek mogen lenen en gelezen.’

Iedereen keek Koos aan met de blik ‘En?’.

‘Nou, er staat over mijn straat dat in elke eeuw veel gebeurd is: de Spanjaarden, de…’

‘Spanjolen,’ onderbrak Gerrit.

‘De VOC, de Engelsen, de Fransen, de industrialisatie, de belgen, de Duitsers. Heel Europa is hier wel geweest.’

Maartje had haar laptop opengeslagen. 

‘Ik vind het maar een raar verhaal, Koos. Buiten een wikipedia-pagina staat er helemaal niets op internet. Complot?’

De anderen schudden allemaal het hoofd. 

‘Dit is zo’n specialisme en tegelijkertijd generalisme, dat het niet samen te vatten is op internet.’

Bassie had het beslissende woord gezegd. Iedereen wachtte nu op Koos.

Koos schraapte zijn keel en sprak somber:

‘Ik ben bang dat als de gemeente Monumentenzorg gaat inzetten en de kroeg onderzocht gaat worden, vooral de kelder, dat er dan wat gaat gebeuren met de kroeg. Vooral: moet de kroeg dan misschien sluiten?’

Dat zorgde voor ontstemde hilariteit bij de stamgasten. En ondertussen dacht Koos: ‘Wat als ze de hand vinden van oma?’

© Rick Ruhland 2018

Nutteloze kennis: fantoomeilanden

Ik heb onverzadigbaar zwak voor in feite nutteloze kennis. Ik kan geen definitie geven van zulke kennis. Feit is wel: die kennis bestaat. En ik kan er zo van genieten. Al het praktische is afwezig. Vandaag deel 1:

Een interactieve landkaart van fantoomeilanden!

Fantoomeilanden zijn eilanden die vroeger op echt landkaarten stonden. Eilanden waar uitgebreide beschrijvingen van bestaan. Eilanden die vooral in oude tijden werden ‘gezien en bezocht’. Maar die uiteindelijk helemaal niet hebben bestaan. Die niet kunnen worden gevonden op onze wereldbol.

Misschien dat Atlantis hier ook toe behoort. Sommigen denken dat dit een echt bestaand eiland is, of is geweest. Ik niet. Ik denk dat Atlantis bedacht is. Menigeen heeft ook geprobeerd het eiland, dat dus fictief is, ergens op de wereld te vinden. Ik denk dat het eiland vooral een metafoor is. Een fantoomeiland?

Deze site geeft een overzicht van fantoomeilanden. Vreemd genoeg staat Atlantis er niet op…

© Rick Ruhland 2018

Stamgasten van de Fulmar Inn: Berend

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (o.a. hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Volledige naam: Berend dop (achternaam met de kleine letter; Berend heeft geen idee waarom zijn achternaam zo geschreven wordt).

Leeftijd: 51.

Werk / studie: Bureauklerk bij de gemeente. In vrije tijd: websites maken; hij is de eigenaar van Bureau De Laptap.

Hobby’s: Speelt dagelijks met zijn kinderen en met zijn Scalectrix (racebaan).
Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): Steevast een quote met een kwinkslag uit de Bijbel. Zegt hij. Feit is dat hij als katholiek de bijbel helemaal niet goed kent.

Familie: Rooms, dus veel kinderen, namelijk zeven. Vrouw is Maria. Praat hij verder niet over.

Afkomst: Onduidelijk. Hij heeft ergens een creatieve kant, maar die komt maar zelden echt ter sprake (hoewel iedereen weet van de websites die hij maakt). Volgens Maartje, de journaliste, komt hij uit een schildersgeslacht. Woont al heel lang in het centrum van de stad.

Vrienden / kennissen: Erg druk met gezin en vrouw.

Kleding: Goede kleren, maar geen pakken. Wel colberts, overhemden, bandplooibroeken. Schoenen van Zwartjes. Ruikt meestal naar aftershave.

Uiterlijk: Keurige man. Gaat elke 2 weken naar de kapper, nog geen spoor van ouderdom. Klassieke 50-er, voor wie de tijden van Frits van Egters bij lange na niet zijn afgelopen.

Drank: Het liefst shandy, maar bier met 7-up en zoete wijn met spa mag ook. Als het maar bubbelt en prikkelt.

Muziek: Liever niet. Hij moppert ook altijd als iemand geld in de jukebox gooit.

Onhebbelijkheid: Zijn gemopper op de jukebox.

Gewoontes: Danst als hij te veel gedronken heeft. Komt niet zo veel voor en als, dan moet het wel feest in de stad en kroeg zijn. Houdt van samenzweringen en theorie daarover. Ondanks de Roomse achtergrond van Berend is hij degene die ontkent dat Prinses Diana in iets als een hemel zal zijn opgenomen. Reden? Haar contacten met moeder Teresa!

© Rick Ruhland 2018

Kunstzinnig tijdreizen

Hoewel ik eerder een stuk schreef over tijdreizen, was dat stuk niet geheel serieus te nemen. Ik plaatste dat stuk tekst in de categorie Humor en liet daarin mijn licht schijnen over mensen die op internet confabuleren. Die verhalen hebben over hun tijdreizen, en dat uit de toekomst komen, en nooit uit het verleden, om overigens volstrekt logische redenen. Neem ik die mensen serieus? Nee. Niet omdat ik denk dat tijdreizen niet kan, want wellicht kan dat op een bepaald moment wel, maar omdat deze mensen lijken te leiden aan pseudologia phantastica, een aandoening aan het geheugen waarbij verhalen worden opgedist die vooral de bedoeling de aandacht te trekken. Die de toekomst (een moment na nu) idiosyncratisch weergeven, met ellende en uitvindingen en verbeteringen en weet ik veel wat meer.

En toch, tijdreizen boeit mij om meer dan de mogelijkheid an sich. De act van tijdreizen, het feitelijke verplaatsen van lichaam en/of geest, is niet de meest interessante kwestie. Interessanter vind ik de filosofische, wetenschappelijke, en kunstzinnige vraagstukken die opgeworpen door het concept tijdreizen.

Laat ik met de laatste beginnen, en als ik op den duur de energie en interesse vind om ook over die andere vraagstukken – wetenschappelijk en filosofisch – iets te schrijven, dan zal ik dat zeker niet nalaten. Het onderwerp tijdreizen is simpelweg te leuk en boeiend om daar niet alles van te willen weten.

Tijdreizen in de kunst vind vooral in boeken en films plaats. Dat wil zeggen, ik heb nog nooit gehoord van een schilderij, dansvoorstelling, beeldhouwwerk of muziekstuk (of welke kunstuiting buiten boeken en films ook) waarin tijdreizen werd uitgebeeld. Ik kan me vergissen, maar daarvoor lenen de genoemde kunstuitingen zich ook niet. In boeken en films gaat die vlieger wel op. Van boeken heb ik niet alles gelezen, en dat zal ik ook niet doen. Een paar boeken die ik heb gelezen en de moeite waard vond (bijv. qua gedachtegang of stijl): het Nederlandse kinderboek Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman en het Duitse boek Briefe in die chinesische Vergangenheit van Herbert Rosendorfer.

De films waarin tijdreizen een rol speelt, zijn volgens veel groter in aantal. Die films heb ik niet allemaal gezien, maar ik ben vast van plan om alles te hebben gezien. Als dat kan tenminste, want er komen steeds films bij en veel films zijn hier niet te zien (vooral films uit niet-westerse landen). Er is wel een probleem: hoe definieer je een tijdreisfilm? Simpel gesteld kan ik dit als definitie geven: iemand (zelden een voorwerp, een plant of een beest) die naar een moment, een tijdstip gaat dat anders is dan waar hij (vaak hij, zelden zij) nu is.

Ik vind het heel moeilijk om een top tien van tijdreisfilms te maken. Er zijn teveel films geschikt voor zo’n top tien. Ik doe een poging:

  1. Back to the future trilogie
  2. Terminator (1e 2 films)
  3. 12 monkeys
  4. Bill & Ted’s Excellent Adventure
  5. Groundhog day
  6. Looper
  7. The Butterfly Effect
  8. Mr. Nobody
  9. Deja Vu
  10. About time

Voor wie meer wil is hier een mooie lijst.

Daarnaast zijn er veel independent films (zoals 41 en Primer, te vinden op online videokanalen als YouTube) en platforms zoals Dust, ook op YouTube, waar – vaak kortere – films zijn te zien.

© Rick Ruhland 2018

Nieuwe winkels 1: de Aromette

Een parfumerie is een plek waar je potjes en flesjes kunt halen met welriekende vluchtige stoffen. Ik kom er graag.

Maar wat nou als je een geur zoekt, die je niet op je huid smeert, en die niet bedoeld is om zoet of aantrekkelijk te ruiken, zoals een parfum lekker riekt?

Dan kun je terecht in de Aromette. In die winkel kun je terecht voor geuren die een aangenaam of misschien zelfs een gewenst onaangenaam gevoel geven. Dat laatste kan zijn een penetrante vislucht of een mexicaanse-bonen-maaltijd-scheet. Ik ga er heen voor de geur van vers brood, pas gemaaid gras, en zilte zeelucht.

Echt een uitvinding, de Aromette. Van kleine zakjes tot literverpakking, voor elk wat wils.

© Rick Ruhland 2018