WoW: Gegeurtenis

Gegeurtenis: iets heeft plaatsgevonden en daarvan zit nog steeds een geur aan de herinnering vast. Ook: bij het ruiken van een geur denken aan een persoon, een plek of een moment dat iets plaats vond.

Bijna-synoniem: begeurtenis. Hierbij vindt iets plaats in je leven waarna je een geur aan dat moment koppelt. Een begeurtenis gaat dus vooraf aan een gegeurtenis.

© Rick Ruhland 2019

 

Advertisements

Een doorwaadbare plaats: 6. Zwemmen 2

Zwemmen is een bezigheid die niet alleen met overleven te maken heeft. Zwemmen is ook plezier, vooral als dat zwemmen buiten is. Buiten zwemmen betekent aangename temperaturen, buiten zwemmen betekent afkoeling, buiten zwemmen betekent zomer (ik tel de idioterie van ’s winters de zee in duiken bij wijze van nieuwsjaarsduik niet mee).

Buiten zwemmen is voor mij pas goed begonnen in een vooroorlogs openluchtbad. De warme zomer van 1976 is daarbij het anker waaraan mijn goede gevoelens van zwemmen in de open lucht hangen. Een hete zomer, en ik heb net anderhalf jaar eerder mijn A en B diploma gehaald, dus met mijn jaarabonnement ben ik bijna dagelijks in het bad te vinden.

Wat doe ik in het openluchtbad? Baantjes zwemmen? Ben je gek! In het water, uit het water. Bommetje. 1-meterplank, 3-meterplank. Duiken naar de bodem. Ik was vanaf het begin een vis in het water. Het moet ook die zomer zijn geweest dat ik zintuiglijk wakker werd. Dat ik zintuiglijk uit mijn kindertijd los kwam.

De belangrijkste zintuiglijke ervaring was misschien wel het visueel bewust worden van meisjes. Ik keek maar wat graag naar die wezens die rond hun borsten een extra stuk stof hadden. Bij de meeste meisjes van die leeftijd, 10 a 11, was dat nog volslagen overbodig. Maar die meisjes die mijn aandacht opeisten, begonnen al datgene te krijgen wat een jongen van die leeftijd met veel testosteron in de dop buitengewoon nieuwsgierig maakte, zoals bredere heupen en kleine borsten in kleine bikini-bh’tjes. Het zou niet lang meer duren voor ik het eerste meisje zou zoenen, maar dat was die zomer nog niet aan de orde.

Ik keek alleen maar. Verder was ik niet veel meer aan het doen dan zwemmen. En na het zwemmen: tweekleurige druivensuikerlollies eten. Lolly’s met een boven- en onderdeel, met twee verschillende smaken. Als ik meer honger had, en de geur van heet vet en gebakken snacks trok mijn aandacht (en dat was bijna elke dag dat ik zwom), dan at ik een frikandel met een flinke klodder mayonaise. Hoewel ik zulk eten nauwelijks meer eet, vraag ik mij nog steeds af waarom ik dat zo lekker vond. Ik geef mijn moeder de schuld: als kind geboren net voor de oorlog had ze in haar eerste jaren niet genoeg eten en als ze na de oorlog de kans had veel, vet en goedkoop eten te verorberen, dan deed ze dat. Ik ben genetisch verpest, en mijn opvoeding van goedkoop en veel en vaak vet eten was ook niet behulpzaam.

De eerste periode van zwemmen in het buitenbad had een eindpunt, ofschoon ik nog jaren in dat zwembad kwam. Die periode werd afgesloten in de juni voor ik naar de middelbare school ging. Voor mijn gevoel was het een abrupt eindpunt. Ik was wederom in het zwembad, dit maal met mijn moeder en broer. Het was vroeg in de avond, en we koelden wat af. Ik deed daarbij natuurlijke de clowneske dingen die ik altijd deed in het zwembad. Ergens die avond sprong ik als een dwaze in het ondiepe en trok mijn knieën op. Sneller dan gedacht waren mijn voeten op de bodem. Met een lugubere klap sloeg mijn onderkaak op mijn rechterknie, en snel daarna sloegen mijn boventanden op de stilstaande onderkaak. Ik zag sterren, ik was even van de wereld. Toen ik terug kwam, proefde ik stukjes tand in mijn mond. De paar dagen erna had ik een beurse kaak, maar dat was het minste dat in het verschiet lag. Een jaar later, tijdens de tweede of derde vakantie in Bottenhorn, Duitsland (die vakanties lijken allemaal op elkaar), kreeg ik helse pijnen in mijn kaak. Mijn ouders brachten mij naar een arts, enkele tientallen kilometers verderop. Hij schreef een paardenmiddel voor, antibiotica die na twee pillen al het gewenste effect gaven. Om dit verhaal hier even snel af te maken (die verhaal is veel groter want het heeft me een groot deel van mijn leven bezig gehouden): achteraf bleek dat mijn vier ondertanden allemaal stuk waren na die klap en dat ik jaren later een geheel nieuwe set snijtanden (in de vorm van kronen) in mijn ondergebit kreeg.

In de jaren na de lagere school zwom ik nog steeds. Ik was inmiddels gestopt met reddend zwemmen, en als ik nog in het zwembad kwam, dan was dat in de zomer.
In die jaren van de middelbare school zwom ik steeds vaker met mijn oog op de meisjes in het zwembad. Het kon niet uitblijven. ik denderde de pubertijd in! Ik kreeg erecties tijdens schooltijd (terwijl de meester voor zich uit kletste, zorgde ik zelf voor een lichte bevrediging door met een wijsvinger over mijn dieppaarse eikel te strelen die net boven de rand van mijn corduroy broek uitstak), mijn kruis kreeg schaamhaar en op mijn kin groeide baardharen, en ik was nou niet bepaald een scharminkel met mijn door het zwemmen gespierde en brede lichaam. Mijn lijf was klaar voor seks. Ik werd geil van nauwelijks iets. Wat de geilheid versterkte: de meisjes in zwembaden waren steeds minder meisje en steeds meer vrouw.

Een van deze meisjes in transitie was de Duitse C.. Zij kwam uit het Roergebied, en ook zij vierde met haar ouders een paar jaar lang vakantie in het reeds genoemde Bottenhorn. Dat is een dorpje in het midden van Duitsland, in de bondsstaat Hessen. Mooie omgeving om te wandelen, veel steenhouwerijen, veel bronnen van riviertjes als de Lahn, Sieg, Dill, Aar, Eder. We sliepen in Pension Becker; het huis is geen pension meer, het is inmiddels verkocht en alleen nog op ansichtkaarten (op internet te vinden) is nog een afbeelding te zien van het pension.

C. was net als ik een jaar of 13 toen we in die bosrijke omgeving met ons gezin vakantie vierden. Het pension was niet bijzonder, maar het eten was goed, ze hadden een grote tuin en: een semi-overdekt zwembad. Semi wil zeggen: het zwembad zat driekwart in de grond, en het had een dak dat open kon. Dan kon je uit het zwembad klimmen en in de tuin in het gras liggen. Ik heb dat dak weinig omhoog gezien. Het was ook geen groot zwembad: misschien een meter of 8 lang en 4 meter breed. Vaak was het rustig in het zwembad, en was dobberen het enige wat er viel te doen.

Op een van de vakantiedagen (het was het jaar na de onfortuinlijke sprong in het ondiepe waarbij ik mijn snijtanden in één klap stuk maakte) waren zij en ik in het zwembad. Verder was er niemand. We zwommen, kletsten ins Blaue hinein, deden heel gewoon. Maar de wijze waarom we keken en het besef dat we wel spraken maar nog meer niet zeiden, dat was goed voor zinderende erotiek die ik niet eerder had gevoeld. Ik was niet geheel onbekend met meisjes, ik had op dat moment al vier meisjes gezoend, ik had borsten gestreeld, maar dat was steeds met anderen erbij. Dit was nieuw: C. en ik waren met ons tweeën. Man, wat was ik opgewonden. Ik wilde zelfs niet het water uit. Bang dat zij zou zien HOE opgewonden.

Toen we uiteindelijk gingen omkleden, ben ik – denk ik, heel precies weet ik het niet meer – met een handdoek in mijn handen, nonchalant voor mijn kruis houdend, naar de omkleedruimte gegaan. Zij kleedde zich om in de kleine kleedkamer, ik op de wc. Toen ik naakt daar stond, kwam ik niet van de erectie af, anders door beide handen om de inmiddels keiharde lul te sluiten en flink over van ballen tot eikel te wrijven en het zaad te laten gaan.

Nee, ik heb haar nooit gezoend of zelfs maar aangeraakt. Zo gaat dat met geestvernauwende geilheid en zich voor het eerst openbarende verliefdheid.

Niet veel later, ik was net 16 geworden, kreeg ik mijn eerste verkering. Zij, J., kwam uit een cerebraal gezin. Kunst, muziek, kennis stonden voorop. J. was daardoor vol van kennis en feite en liefde voor muziek. Dat trok me dan ook erg in haar aan. Toen we een half jaar verkering hadden, begon naast het voorzichtig zoenen en handje vasthouden ook het opzoeken van elkaars lichaam. Niet alleen thuis, in de gang of later in de werkkamer van haar vader, maar ook (en dat verbaasde mij) in het openluchtzwembad. We zoenden elkaar zo geil in het diepe water, met verder niks aan dan zwemkleding. Onze lijven drukten hard tegen elkaar, en mijn hand gleed in haar zwembroek, en mijn vingers drukten tussen de hete schaamlippen in het koele water… Ik kwam er bijna van klaar. Bijna onbeschaamd hoe geil we waren en ons niet van wie dan ook aan trokken. Nog meer, gezien het feit dat ze schijnbaar iets preuts over zich had. Nog steeds verbaas ik mij over het gemak van de geilheid in het zwembad. Het gemak waarmee zij toestond dat we elkaar wild opgeilden.

Ik heb beide vrouwen, C. en J., nooit meer gezien na mijn tijd in de doorwaadbare plaats. Maar ik dank ze nog steeds. Dat C. met mij in dat zwembad een spelletje van bijna naakte lijven en smachtende blikken wilde spelen. En J. bracht nog meer in mijn leven; ik kwam voor het eerst in het bijzijn van een ander klaar (zie het verhaal Neuken, dat eind 2019 zal worden gepubliceerd), in een buitenwijk in dat geboortedorp, dat toch echt een gat was, een klein burgerlijk en klein-christelijke gemeente die – als het ware – een kuisheidsgordel droeg, maar pronkerig rondliep in de bontmantel van een stad. Ik dank beide meisjes tot op vandaag de dag dat zij, die meisjes van toen, mijn eerste geilheid wisten op te roepen en te beantwoorden. Dat zij in het zwembad hun bijna naakte lijf lieten bekijken.

Pas jaren later, toen ik nog sporadisch in mijn geboorteoord was, heb ik geneukt in het water, in de zomer, buiten. Dat was met M. in de Hoornse plas, niet ver van de stad Groningen. Het was een hete zomer, vol drugs, drank, seks. De studie die ik deed lag op zijn gat. Alles was gericht op genot. En wat ik al had willen doen, al toen ik elf jaar was en in het zwembad van het reddend zwemmen met het blonde meisje zoende en niet verder kwam dan zoenen, of later met J. die zich wel liet vingeren in het water maar die ik niet neukte, dat ging nu gebeuren. Ik had seks  in het water, buiten, bij mooi weer. En hoe: draaikolken omsloten ons terwijl wij ons niets aantrokken van mensen die ons die dag, vroeg in de avond op die warme julidag, konden zien en horen.

Want die seks moest. Jezus, wat moest die geilheid zich een weg naar buiten vinden en in haar naar binnen. Eindelijk, eindelijk sloot ik mijn kleine jeugd af. Eindelijk was zwemmen in een zwembad niet meer nodig.

Misschien dat ik zo dus een goed gevoel bij seks heb. Wat begon met ontdekken van monden, borsten en schaamlippen, werd uiteindelijk geilheid en seks die in mijn geboortedorp en tot ver daarna steeds genieten was, een constant ontdekken.

De basis van mijn leven, dus:

Ik en genot, ik en ontdekkingen.

© Rick Ruhland 2019

Voornemen

Voornemens zijn om te breken.

Ik neem mij zelden iets voor. En als, dan zeker niet op 1 januari. Eerder op 3 mei, of 25 augustus.

En dan nog: ik neem me niet echt iets voor. Ik doe gewoon.

Wat ik wel heb, zijn dromen. Die realiteit mogen en soms moeten worden.

Vaak zijn die voornemens annex dromen een kwestie van genot. Een bepaald gerecht eten, een band live horen, een land of streek van een land bezoeken, een handeling verrichten.

Hoog op de ranglijsten staat daarbij de 初詣. In latijnse letters: hatsumōde. In Japan zijn en in de eerste week van het nieuwe jaar een bezoek brengen een shinto altaar, of aan een boeddhistische tempel. Niet komend jaar, helaas, maar wie weet in 2020?

Ik heb wel een tempel voor ogen:

img_7434

Voor nu wens ik iedereen een あけましておめでとう. En: 今年もよろしくね!

© Rick Ruhland 2018

 

Hogmanay!

Vandaag is de laatste dag van het jaar 2018. Een dag die goed is voor twee posts op mijn blog, want verder is er weinig anders te doen dan eten, drinken en samenzijn.

In Schotland, een van de landen die ik dit jaar heb bezocht en waar ik wederom (net als bij Japan) met een goed gevoel een aantal dagen heb vertoefd, heet de laatste dag van het jaar Hogmanay. Deze laatste dag gaat gepaard met gewoontes als het geven van cadeautjes en het bezoeken van buren en vrienden.

Het woord hogmanay zou volgens linguïsten een Gaelic, Franse en Noorse oorsprong kunnen hebben. Ik denk dat het anders zit, namelijk als volgt:

Het woord hogmanay is afgeleid van een Oudnederlands* woord, namelijk higunnan.Dit woord, dat bekend is uit het regeltje

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu

betekent zoiets als beginnen.

Dat zou heel goed kunnen aansluiten bij het idee dat na oudjaarsavond het volgende jaar begint.

Hogmanay! Een nieuw begin. Bouwt allen een nieuw nest in 2019!

© Rick Ruhland 2019

* Terzijde, volgens sommige literatuurvorsers annex taalwetenschappers is deze regel niet geschreven in een oudere versie van ons huidige Nederlands, maar heeft de tekst een Oudwestnederfrankische oorsprong, en misschien zelfs een Kentse (als in het graafschap in Engeland), waar naar alle waarschijnlijkheid de schrijver van de regel,  een West-Vlaamse monnik, Latijnse teksten overschreef in een klooster.

Een doorwaadbare plaats: 5. Varen

De plassen en rivieren rond de doorwaadbare plaats zijn ’s zomers goed voor veel waterplezier. De drie rivieren, waarover later meer, zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water. Verder zijn er grachten van de binnenstad, de plassen in de buurt, veelal zandafgravingen voor de nieuwbouw van de uitdijende stad, maar verder weg ook de zogenaamde ‘wiedes’, Beulakerwiede en Belterwiede. Al dat water is ideaal voor pleziervaart, surfen, zeilen, kanoën, zwemmen.

Het eerste varen op die wateren was met jeugdvriendje P. Hij woonde een flat verder, en vanuit het zijraam van ons huis kon ik het balkon zien van zijn huis. Hij zat op dezelfde lagere school, en we speelden van jongs af aan in de zandbak. Zijn ouders hadden een boot van een meter of zeven lang, niet genoeg om lang mee op het water te vertoeven want geen kooien, maar wel een kleine kajuit om een nachtje in te slapen en een plek om wat eten te maken op een butagasfles. Een paar zomers lang, in de middelste jaren van de lagere school, mocht ik af en toe een weekend of een dag mee. Ik herinner mij weinig van het varen zelf, maar op het moment dat we in een van de grotere kolken langs het Zwarte water voor anker gingen, terwijl de zon naar de horizon daalde, haalden we onze hengel tevoorschijn en op de aanlegsteiger hingen we onze bamboestok boven het water en keken naar de dobber. Misschien wel de mooiste herinnering aan die zomers was dat we op een gegeven moment merkten we dat kleine voorntjes zich zonder aas lieten vangen. Gewoon visdraad met haak en dobber in het water hangen en binnen enkele minuten had een vis zich vastgebeten. Van dat varen is dat eigenlijk het enige wat ik mij herinner. Warme avonden moeten het zijn geweest, maar daar herinner ik mij ook weinig van.

Op de middelbare school kwam het varen (het surfen niet meegerekend) terug in de vorm van punteren en kanoën. In de buurt van de doorwaadbare plaats is er een plek bij uitstek waar beide vaarmogelijkheden uitermate goed kunnen: de Belter- en Beulakerwiede. Destijds had ik een vriendenkring met kinderen van allerhande scholen: Atheneum, havo, mavo, lbo. Een goed gezelschap van mensen die van spelletjes hielden (old skool, zoals kaarten en bordspellen). De avonden met hen gingen veelal voorbij met bier en spa met een sterke borrel erin. De groep, met daarin een broer en zus, een tweeling, een geadopteerde Molukker, en een spijker, een jongen zo iel dat als hij stil stond je twee keer moest kijken om hem te zien  Met hen was ik vaak samen. Weekenden, of avonden als bij een van ons de ouders niet thuis waren.

Een van de ouders van het gezelschap was in het bezit van een stacaravan die ergens in de jachthavens tussen Zwartsluis en Giethoorn stond. We waren daar niet zo vaak, maar als, dan in de zomer en als, dan werden spelletjes gespeeld. En gekanood. Ik moet zeggen, ik heb geen prettige herinneringen aan stacaravans in combinatie met jachthavens. Ik zal nog eens uitzoeken waarom. Instinctief zeg ik: mensen op boten zijn niet zo schoon. Ze douchen zich minder, en als ze zich wassen, dan is het in het vervuilde water van een kanaal, rivier of meer. Kleine bootjes in jachthavens zijn ook nog eens ‘sneu’. Ja, sneu. Zeker een kano is sneu. Een kano is geen boot. Het is een te smalle kuip waar je niet kunt relaxen. Dat zal het zijn. En op die wiedes bij Giethoorn: het water was ondiep. Als je kano omsloeg, stond je met je voeten in de modder

Beter in kwaliteit en daarmee mijn herinnering was het varen toen mijn leven in de doorwaadbare plaats naar een einde neigde en ik mijn geboortestad zou gaan verlaten. In die laatste jaren in mijn geboortestad was ik menige dag in de week te vinden in de middeleeuwse centrum. Dat centrum wordt omsloten door een gracht, en zelfs doorsneden door een gracht. Kijk je op een landkaart, dan zie je dat de gracht de vorm heeft van een BB-8 avant la lettre. Rond met een dwarsgracht. In die dwarsgracht lag sinds begin jaren 80 een rondvaartboot. Een platte schuit, een praam. Achter een lichte motor, geen opbouw laat staan kajuit op de boot, want de bruggen over de Zwolse grachten zijn uiterst laag. De praam was een ding van niks, nauwelijks charme, geen flitsende bedoening. Maar waar niks alles is wat er is, is iets wat er is, alles. De praam werd door mijn oudste neef gevaren. En als hij het okee vond, voer ik de schuit door de grachten en vertelde over de geschiedenis van de stad. De ontstaansgeschiedenis van die doorwaadbare plek in de IJssel, de rivieren die de stad omcirkelen, de restanten van de stadsmuren, de moderne devotie, de geschiedenis als Hanzestad, de herkomst van de naam Blauwvingers, het verdedigingswerk, de oude gasfabriek op een van de bolwerken die al lang weg was, de laatste stadspoort De Sassenpoort, de brede brug waarover ooit een snelweg door de stad zou worden aangelegd, ik had verhalen genoeg.

Ik was ook vaak aan de kade van de rondvaartboot te vinden als mijn neef gewoon moest werken. Op een van die namiddagen zat ik op de kant, en keek naar de mensen die een tochtje wilden maken. Even tussen neus en lippen door: ik was toen net 18 geworden en mijn eerste verkering liep op zijn einde, maar dat wist ik nog niet. Hoewel… Ik wilde het niet weten. Achteraf had ik die dag goed in mijn oren en ogen moeten knopen. Die dag was een teken aan de relatiewand. Wat gebeurde die dag? Ik zat op de kade en was niet bij mijn vriendinnetje. Mijn neef stond op het punt de praam door de grachten te varen, en terwijl ik de vaargasten in mij opnam, bleef mijn blik hangen op een oudere, stijlvolle dame die richting rondvaartboot kwam gelopen en naast haar zweefde een van de mooiste meisjes die ik tot dan toe had gezien in mijn leven. Zo gracieus, zo verfijnd. Ik keek naar haar, we lachten elkaar aan, en ik voelde bijna schaamte dat ik me liet toelachen, en erger, dat ik terug lachte. Nu weet ik: dat was weltschmerz, spleen, pre-liefdesverdriet en niet kunnen krijgen wat je op dat moment zou willen hebben. Op dat moment wist ik dat ik haar zou willen spreken, zou willen ruiken en misschien zelfs proeven. Ik keek naar mijn hand en zag daar een vriendschapsring die ik een jaar eerder had gekocht – omdat het zo hoorde, weet ik nu, niet omdat ik het echt wilde – voor mijn verkering en mij. Ik keek van het mooie meisje naar die ring en spijt borrelde sluipend als giftig gal omhoog. Ik wist op dat moment – ik was zeventien a achttien jaar oud – niet dat het spijt was. Maar dat was het. Spijt van het feit dat ik verbonden was aan een vriendin, verkering, die ik niet meer liefhad. Een meisje die ik had gehad om te achterhalen waar het mannetje-vrouwtje-verhaal omdraaide. Ik kreeg natuurlijk meer van en met die eerste vriendin, maar feitelijk was het na het tongzoenen, het vingeren in de gang, het pijpen en beffen en neuken – met klaarkomen op haar weelderige schaamhaar, waarover in ander verhaal meer – het grote willen en verlangen wel weg. Het moet gezegd: ik heb nog wel met veel plezier een tijd lang dat neuken volgehouden. Dat ‘bij een vrouw blijven’ was niet uniek voor haar, ik ben bij menig vrouw / vriendin / relatie gebleven omdat ik zo van seks hield en ik te lui was een nieuwe vrouw te zoeken.

Van al die dagen op de praam in de stadsgracht van mijn geboortestad is die lome, voorzomerse avond in april eerste helft jaren 80 mij het meest bij gebleven. Ik denk nu nog steeds dat het moment aan de gracht, dat ik besefte niet vrij te zijn als de wereld daar wel de ruimte voor vroeg, mij tot in de diepste vezels heeft gevormd.

Eén vrouw voor altijd? En niet mogen kijken of verlangen naar een tweede of derde? Nooit meer flirten en opgewonden raken door andere borsten of billen, of een andere kleur ogen of haar? Nee. Dat was eens maar nooit weer. Ik vaar mijn eigen koers, niet de koers van de goegemeente.

Als ik al vaar. Ik ben liever op de kant en kijk naar bootjes op de rivier. Of maak mijn eigen bootje van hout of papier. Heerlijk. Maar mijn verlangen om steeds op de scheiding van land en water – en als ik water zeg dan bedoel ik toch vooral zee – te zijn, zoals in Schotland, op eilanden, in Italië, Japan, is niet voor niets.

Maar ik blijf op het liefst op het land. Wel land dat aan water grenst. Land dat aan zee grenst. Niet in de bergen bij een lullig bergbeekje. Of een meer in de binnenlanden van Afrika of Azië.

En varen? Varen is een manier om van land naar land te gaan. Varen is een middel voor een doel. Voor mij geen dobberen op het water. Ik zie liever de schepen voorbij gaan. En als het moet: ik verbrand liever schepen achter mij.

© Rick Ruhland 2018

Vaar naar een Schots eiland: Skye

Skye. Het gevleugelde, mistige eiland. Dat zouden de betekenissen van de naam Skye kunnen zijn. Het eiland Skye ligt voor de westkust van Schotland en is een van de binnenste Hebriden. Het is tevens het op een na grootste eiland in Schotland (na Lewis/Harris). Hoewel eiland: sinds 1995 is het eiland verbonden via een brug met het vasteland.

Ik was in september 1991 voor het eerst op Skye, maar reisde toen eigenlijk vooral over het eiland naar Uig om daar de boot te nemen naar Harris. Wat ik me van die ene dag op Skye vooral herinner was de buschauffeur die ons – ik reisde niet alleen – van Kyleakin via Broadford en Portree naar Uig bracht. Tijdens de rit had hij verhalen, o.a. over hoe een Haggis-mannetje en een Haggis-vrouwtje elkaar vinden (Haggis is een soort van nationale dis van Schotland die vooral uit vlees bestaat):

’For all Ye tourists aboard, this is the place where they catch haggis. Let me tell you about the Haggis. The male haggis has two legs on the back, the female has two at its front and they walk backwards. It takes about six months to mate. And if you want to shoot one, use a porridge gun.’

We overnachten in de hostel van Uig. Die overnachting op Skye was nodig, omdat we te laat aankwamen in Uig voor de boot naar Harris. De hostel is recht tegenover de steiger waar de boot de volgende ochtend zou vertrekken richting Outer Hebrides. Uig is niet de gezelligste van alle jeugdherbergen van Schotland: meer een transit-punt dan een doel. Wel zaten er die avond drie Duitsers die net als wij Monty Python liefhebbers waren. Zij maakten die ene avond aangenaam, aangezien zij alle films hadden gezien (maar dan in het Duits). Wij hadden ze allemaal gezien zoals het hoort. Dus tot aan het slapen gaan was het spel dat zij het Duitse citaat gaven en dat wij dan de Engelse variant gaven. Leuk, erg leuk. De drie Duitsers hadden veel lol gehad om ons grote quote-vermogen, maar wij moesten verder. Hieronder: de pier en het uitzicht vanaf de hostel (de volgende ochtend):


….
Twee later was ik weer op Skye, en toen heb ik echt het een en ander gezien van het eiland. Het was augustus, de drukste maand van Schotland. Dat toeristische blijft voor Schotse begrippen binnen de perken, maar het is gewoon drukker dan zeg juni of september. We kwamen van het noorden. Onze eerste week Schotland zaten we op Mainland Orkney. We hadden besloten om vervolgens een kleine week op Skye te zijn. We kampeerden eerst op de camping bij Portree, en reisden (lopen, liften) het eiland rond:

Wat ik me herinner is de blik op de Cuillins, het eten bij een lokaal restaurant (dat is nu 25 jaar geleden, ik denk niet dat het restaurant er nog zit. Het was een vegetarische restaurant zonder licence.

We eindigden die week met een kampeerplek aan de zuidoostelijke kant van Skye, op een plek waar een aantal mensen wild kampeerde. Niet ver van Armadale, waar een veerboot naar Mallaig vertrekt. Veel midges, dat is de herinnering aan die plek op Skye.

Schotland 1993 Armadale bay

Die eerste twee keer was ik met een ander. Dat maakt een reis anders: je bent dan op elkaar gericht. De laatste keer Skye was drie jaar later, in september 1996, en ik reisde alleen. Met de trein naar Kyleakin aan de westkust. De veerboot is al jaren verdwenen. In 1996 lag de Skye-bridge er zeer vers bij.

Schotland 1996 Skye Bridge.JPG

Niet bepaald een brug van veel feest. Omdat de brug een privaatonderneming is, moeten de inwoners van Skye betalen voor elke rit over de brug. Dat riep logischerwijs veel weerstand op: niet alleen betaalt iedere Brit al wegenbelasting, maar bovendien is het veer voor vracht- en personenwagens uit de vaart genomen. Over bleef een pontje voor wandelaars en fietsers, op een kilometer van de brug. Dat pontje nam ik om naar het eiland te komen.

Skye lag er prachtig bij dat najaar. Ik liep naar de doorgaande weg en stak daar mijn duim omhoog. Liften is altijd mijn manier van rondreizen in Schotland geweest. Ik heb ook gereisd met trein en bus, maar zeker in de afgelegen streken is liften een ideale manier van voortbewegen. Ik kreeg een lift van een man die werkte bij de Skye-bridge. Ik vroeg hem wat al die SKAT-stickers op auto’s betekende. Met enige schroom zei hij dat het Skye & Kyleakin Against Toll betekende. Hij bracht me naar Broadford, een eerste stap op weg naar Uig. Maar de mooiste lift was vanaf Broadford naar Uig, van een jonge vrouw die als drugskoerier werkt. Niet letterlijk natuurlijk: ze werkte voor een groot farmaceutisch bedrijf en probeerde pillen aan artsen te verkopen. Ze scheurde over het eiland, met een omweg over Dunvegan (zag het kasteel tussen de bloeiende struiken op de achtergrond liggen). Zij nam de boot naar Harris, die ik een dag later zou nemen. Tegen een muur van de jeugdherberg, in de zon, schoot me de herinnering van 5 jaar eerder te binnen. Destijds, toen ik met een vriend door Schotland reisde, zat ik de hele avond binnen, met drie Duitsers, terwijl het buiten ‘cats & dogs’ regende. In 1996 was het droog, zonnig, Indian Summer-warmte.

Op het grootste Hebriden-eiland overviel me de gedachte dat ik in Schotland niets hoefde te zien. Daar zijn was genoeg.

En toch, ik schreef uit niets meer of minder dan onvermogen:

“De steen aan de baai gloeit een gat in de nacht.
Iemand moet hebben gezien
Hoe hij rechtop is gezet.
Een baken uit het verleden
voor mij een teken
een herinnering dat wij niet blijven.
Waar de steen steeds bij nacht en bij ontij
sinds mensenheugenis
en millennia voordien
geschiedenis schrijft,
is hij, met dezelfde genen,
heengegaan naar nergens.
Droevig staat ik naar lichtjaren ver.”

Stenen hebben een langer leven dan een mens.

Wel, dit is wat ik mij herinner van Skye. Meer niet. Ik moet nog eens terug. Zo heb ik de Cuillins nog niet van heel dichtbij gezien, laat staan dat ik die beklommen heb.

Ook wil ik terug naar Trotternish. Daar zijn vele fossielen te vinden, waaronder de pootafdrukken van dinosaurussen. Hier meer informatie.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #3

Waarom heb jij wat met malt whisky?

Mijn eerste reactie, uit een reeks van vele reacties? Emotie. Malt whisky is voor mij een emotionele kwestie an sich die heel diep gaat. Dat heeft onder andere te maken met de herinnering aan mooie momenten dat ik een glas whisky dronk. Mijn eerste reis naar Schotland (en overigens alle volgende reizen). Min studententijd, toen ik nog whisky onder de tien gulden kocht (Mansion house; een blend die goedkoop was en ook nog te drinken was). En ook: de eerste keer dat ik een speciale whisky dronk, op een speciaal moment. Ik noem er een paar: een glas Lagavullin in de Sandwick social club op Shetland toen ik door een vriendelijke Shetlander werd meegenomen na een regatta + bbq in de baai in de buurt van Mousa. Een glas Coal Ila na een avond muziek maken in de bar van het Kildonan hotel op Arran. Een glas (ik weet niet meer welke whisky) in de Star Inn in Stornoway, Lewis, vlak voordat ik op de ferry naar Ullapool zou stappen. Een glas Port Ellen bij de geboorte van mijn zoon. Kortom, op meerdere momenten in mijn leven tilde ik een glas (en heel af en toe zelfs een halve of halve fles) whisky op om te genieten van dat moment en van dat goede vocht. Herinnering en emotie, dat is een krachtig duo dat alleen maar krachtiger wordt door de smaak en geur van whisky. Hoewel ik whisky niet vaak in Schotland drink, is de herinnering aan dat land impliciet en expliciet verbonden aan die prachtige land. Geef me een goede malt whisky, en je ziet met terstond wegdromen en genieten van herinneringen aan Schotland.

Een goede malt? Dat is een whisky met diverse lagen geur en smaak. Daarin zit dus het tweede waarom van whisky: de variaties in smaak en geur (en kleur, maar daar let ik minder op als ik whisky drink). Daar zit ook het grote verschil met andere dranken zoals gin, rum, of cognac. Sommige mensen zijn verknocht aan die dranken. Als iets als gin goed spul is, dan kan ik er wel van genieten. En toch, er mist iets bij zo’n drank. Een woord dat het gemis samenvat, is gelaagdheid. Gelaagdheid van smaken en geuren. Die is bij whisky groter, meen ik te kunnen zeggen. Van grassig en rokerig turfachtig tot bloemig en chocolade-achtig tot kruidig en zelfs peperig. Zoet, jodiumzout, boterig. En dan is er nog iets wat dranken als gin en wodka niet hebben voor zover ik weer: de verschillende kleuren. Van haast doorzichtig cremewitgeel via goudbruin en notenhout tot roodbruin. En zeer belangrijk: de ‘palate finish’. De smaak en geur achterin de mond als de whisky is doorgeslikt. De smaak van whisky is trouwens zo divers door de plekken waar de stokerij staat, het gebruikte water, de stills (waarin gestookt wordt), de soort vaten en de duur van het rijpen, soms zelfs de gebruikte turf en het soort gerst.

Nog een kant van de drank: de mensen die echt genieten van een goede whisky. Ik was recentelijk bij een slijterij in Amsterdam (Ton Overmars bij het Hoofddorpplein) en dan sta ik gerust een uur te praten over de verschillende whisky’s die ik zou kunnen kopen, gegeven mijn voorliefde voor een krachtige, rokerige, wat ziltige whisky met een licht boterige ‘tong’ en een wat tannine-achtige afdronk. Boorsma in de Pijp in Amsterdam is ook een goed adres voor een gesprek over whisky. Veel van de whisky-liefhebbers zijn ook nog eens in Schotland geweest, dus dat is een tweede reden om met hen om te gaan.

Wat whisky een extra glans geeft: de combinatie met eten. Vooral bepaalde kazen (zoals de cheddar variant Red Leicester) en goede chocolade gaan uitstekend samen met een malt whisky. Voor sommigen gaat eten en whisky (ook wel food pairing genoemd) veel verder, zoals in restaurant Hielander in Alkmaar. Voor een idee van gerechten en whisky, zie hier. Ik houd het bij een kleine versnapering van kaas of chocolade met wat oat cakes erbij. Je moet wel de hoofdzaak in het vizier houden en de bijzaken blijven zien als, wel, bijzaken. Heel soms mag ik ook genieten van een sigaar bij mijn glas whisky, maar dat valt niet echt onder de noemer eten te brengen.

Ik houd dus van een goed glas alcohol, en dan zeker iets met ballen. Wat in ieder geval heel duidelijk is: de smaak van whisky is niet een eenduidige. Niet makkelijk te duiden. Het is de gelaagdheid, het enorme bereik aan kleuren, geuren en smaken, de herinnering, het diepere genot. Het is een drank die je niet weg drinkt zoals je een glaasje melk, een bier of een ander destillaat achterover slaat. Sommige whisky’s zijn an acquired taste, daar moet je de tijd voor nemen. Maar dat is juist wat whisky zo geweldig maakt: het maakt dat je de tijd neemt. Moet nemen. Om af te remmen en to ponder on life.

Whisky is meer dan een drank. Whisky is meer dan een levenswater. Whisky is whisky.

© Rick Ruhland 2018

Belasting op ruiken

Bij Thor, wat ruik ik vandaag weer heerlijk. Ik heb een uitgelezen smaak. Dat blijkt niet alleen in de schoenen, de broeken en overhemden die ik koop, maar vooral uit iets dat niet te zien is. Ik heb het over mijn collectie aftershave. Die is niet perse alleen kruidig, of zoet, of bloemig. Nee, ik heb een geur voor elk moment van de dag of van het jaar. Zo zijn er geuren (ik heb ongeveer 15 verschillende aftershaves) die goed passen bij de lente (Higher van Dior), terwijl andere beter bij de herfst passen (Code van Armani).

Het is soms wel jammer dat andere mensen gratis mogen mee ruiken met mijn heerlijke aftershaves. Ik doe die geuren graag op, maar het is wel godgeklaagd dat andere mensen, vooral lelijke mannen, op geen enkele wijze hun best doen een goede geur op hun lelijke huid te smeren. Ondertussen maakt hun verfomfaaide neus wel gebruik van de zalige atomen van mijn geuren. Wat me er zo boos aan maakt, is dat deze mannen nergens voor hoeven te betalen. Ik stel dus voor dat mannen (en vrouwen ook, om een gevalletje discriminatie te voorkomen) een belasting op te leggen als ze bij mij in de buurt komen en zo maar, gratis, gebruik maken van de aromen atomen in mijn aftershave.

Mijn belastingvoorstel gaat verder, namelijk om mannen (en vrouwen) zonder aftershave of met een foute aftershave een naheffing op te leggen, en wel op basis van het ‘niet lekker ruiken’. Want laten we wel wezen, deze wereld wordt steeds minder mooi met alle leugenaars, alternative but wrong facts, en alle nepwaarheden.

© Rick Ruhland 2018

Bach-Werke-Verzeichnis 7: Christ unser Herr zum Jordan kam

Deze cantate is voor St. Jansdag, feestdag van Johannes de doper, op 24 juni en is geschreven in 1724. Bach houdt het thema dicht bij Johannes de Doper die vaak mensen (ook Christus, naar het schijnt) doopte in de Jordaan. Wat ik bij de overige cantates niet noteer (ook omdat ik het niet zo heel relevant vind: het draait mij om de muziek en de uitvoering daarvan), is dat de opvoering van de cantates in Bachs tijd ook gepaard ging met het lezen uit de Bijbel. Zie de site www.bach-cantatas.com voor meer informatie. Zie ook beneden voor sites over deze cantate.

De eerste opname die ik goed beluisterd heb, is die van Gardiner (Spotify; in twee delen te vinden op YouTube; hier is deel 1 en hier deel 2). Ik kan er niet echt chocola van maken. Spel van musici is goed, maar wel wat traag, zo lijkt het. Koor is mooi door de unisono gedeeltes en tevens, in andere delen, door de stratificatie van de stemmen (van bassen tot sopranen). Ligt ook aan de compositie, dat spreekt voor zich, maar Gardiner c.s. maken er zeker iets moois van, maar niet alles van deze uitvoering is aan mij besteed.

Ton Koopman en het Amsterdam Baroque Koor (Spotify; op youtube te zien als deel van drie cantates; de cantate Christ unser Herr begint bij 25.17). Het koor is niet geheel in balans, voor mijn oor. De bas (ik meen Klaus Mertens) hoort prettig, kalmerend. Of is dat omdat het koor in de openingskoraal niet in balans is, waardoor de aria meer opvalt, in de beste zin van het woord?

Bach Collegium Japan (gehoord op Spotify). Sneller dan Gardiner, maar de noten vallen te veel op hun plek. Dat klinkt te netjes te aangeharkt, te ‘technisch netjes’ (als dat de juiste woorden zijn). Teveel noten die niet leven.

De uitvoering van de Stuttgarter Kantorei en de Stiftsbarock Stuttgart onder leiding van Kay Johannsen is niet slecht, maar ik vind na de snelle opening geen rust. Wordt het stuk te snel gespeeld? De noten jagen mij iets te veel. Nog een reden waarom ik niet geniet: een veel te groot koor. Ik heb in de loop van mijn leven een zekere antipathie tegen grote koren opgebouwd. In de jaren 70 kwamen de Fischer-chöre (o.a. bij het WK voetbal in 1974) veel op televisie. Alsof iedereen maar kan zingen. Nee. Ik zeker niet, al zou ik in zo’n enorm koor wegvallen en het idee hebben dat dat ik best mee kan doen. De bas (in het tweede deel, de aria) is ook zonder echte beleving. Deze opname is geen winnaar derhalve.

Gustav Leonhardt. Oude opname wederom (uit 1971). Ik voel de behoefte om orkest en koor aan te sporen meer haast te maken. Ik kan me wel vinden in het commentaar bij de uitvoering op de youtube-pagina: “Typical early music mind frame : all brain and no feeling, all sound and no forward motion. Museum piece instead of bringing it to life.” En dat terwijl ik normaal wel een liefhebber ben van Leonhardts uitvoeringen van o.a. zijn klavecimbelconcerten.

In de uitvoering van Montreal Baroque staan de noten los van elkaar. Beetje afstandelijk. Ook de zang is zonder de bezielende overtuiging die een cantate van Bach wel nodig heeft. Het is ook een tragere uitvoering dan die van andere orkesten en dirigenten, maar  deze is wel erg traag. Dat is niet altijd een pre.

De versie van de Stuttgarter Kantorei, Stiftsbarock Stuttgart, is Formule 1. Racen, snel snel snel, opzij opzij opzij. Gillend koor. Nee.

En dit? Shinji Ishihara (gehoord op Spotify) die op een synthesizer (?) de cantate speelt. Nee. Nee. Driewerf nee.

Over het stuk zelf:

Het voelt voor mij als een vlakke compositie. Bijna te makkelijk voor Bachs vermogens. Niet rot bedoeld: een beetje Mozartiaans. Vrolijk, lichtvoetig. Zeker het voorlaatste deel, de Aria Mensen glaubt doch dieser Gnade, is wat mij betreft een vooruitverwijzing naar muziek van een eeuw later: de melodielijnen, zangwijze, de begeleiding. Of hoor ik nu iets wat er niet is? Het is niet een cantate die me 100 % boeit. Zijn het de vele mineuren?

Meer informatie? Hier, hier en hier.

© Rick Ruhland 2018