Stamgasten van de Fulmar Inn: Berend

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (o.a. hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Volledige naam: Berend dop (achternaam met de kleine letter; Berend heeft geen idee waarom zijn achternaam zo geschreven wordt).

Leeftijd: 51.

Werk / studie: Bureauklerk bij de gemeente. In vrije tijd: websites maken; hij is de eigenaar van Bureau De Laptap.

Hobby’s: Speelt dagelijks met zijn kinderen en met zijn Scalectrix (racebaan).
Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): Steevast een quote met een kwinkslag uit de Bijbel. Zegt hij. Feit is dat hij als katholiek de bijbel helemaal niet goed kent.

Familie: Rooms, dus veel kinderen, namelijk zeven. Vrouw is Maria. Praat hij verder niet over.

Afkomst: Onduidelijk. Hij heeft ergens een creatieve kant, maar die komt maar zelden echt ter sprake (hoewel iedereen weet van de websites die hij maakt). Volgens Maartje, de journaliste, komt hij uit een schildersgeslacht. Woont al heel lang in het centrum van de stad.

Vrienden / kennissen: Erg druk met gezin en vrouw.

Kleding: Goede kleren, maar geen pakken. Wel colberts, overhemden, bandplooibroeken. Schoenen van Zwartjes. Ruikt meestal naar aftershave.

Uiterlijk: Keurige man. Gaat elke 2 weken naar de kapper, nog geen spoor van ouderdom. Klassieke 50-er, voor wie de tijden van Frits van Egters bij lange na niet zijn afgelopen.

Drank: Het liefst shandy, maar bier met 7-up en zoete wijn met spa mag ook. Als het maar bubbelt en prikkelt.

Muziek: Liever niet. Hij moppert ook altijd als iemand geld in de jukebox gooit.

Onhebbelijkheid: Zijn gemopper op de jukebox.

Gewoontes: Danst als hij te veel gedronken heeft. Komt niet zo veel voor en als, dan moet het wel feest in de stad en kroeg zijn. Houdt van samenzweringen en theorie daarover. Ondanks de Roomse achtergrond van Berend is hij degene die ontkent dat Prinses Diana in iets als een hemel zal zijn opgenomen. Reden? Haar contacten met moeder Teresa!

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Kunstzinnig tijdreizen

Hoewel ik eerder een stuk schreef over tijdreizen, was dat stuk niet geheel serieus te nemen. Ik plaatste dat stuk tekst in de categorie Humor en liet daarin mijn licht schijnen over mensen die op internet confabuleren. Die verhalen hebben over hun tijdreizen, en dat uit de toekomst komen, en nooit uit het verleden, om overigens volstrekt logische redenen. Neem ik die mensen serieus? Nee. Niet omdat ik denk dat tijdreizen niet kan, want wellicht kan dat op een bepaald moment wel, maar omdat deze mensen lijken te leiden aan pseudologia phantastica, een aandoening aan het geheugen waarbij verhalen worden opgedist die vooral de bedoeling de aandacht te trekken. Die de toekomst (een moment na nu) idiosyncratisch weergeven, met ellende en uitvindingen en verbeteringen en weet ik veel wat meer.

En toch, tijdreizen boeit mij om meer dan de mogelijkheid an sich. De act van tijdreizen, het feitelijke verplaatsen van lichaam en/of geest, is niet de meest interessante kwestie. Interessanter vind ik de filosofische, wetenschappelijke, en kunstzinnige vraagstukken die opgeworpen door het concept tijdreizen.

Laat ik met de laatste beginnen, en als ik op den duur de energie en interesse vind om ook over die andere vraagstukken – wetenschappelijk en filosofisch – iets te schrijven, dan zal ik dat zeker niet nalaten. Het onderwerp tijdreizen is simpelweg te leuk en boeiend om daar niet alles van te willen weten.

Tijdreizen in de kunst vind vooral in boeken en films plaats. Dat wil zeggen, ik heb nog nooit gehoord van een schilderij, dansvoorstelling, beeldhouwwerk of muziekstuk (of welke kunstuiting buiten boeken en films ook) waarin tijdreizen werd uitgebeeld. Ik kan me vergissen, maar daarvoor lenen de genoemde kunstuitingen zich ook niet. In boeken en films gaat die vlieger wel op. Van boeken heb ik niet alles gelezen, en dat zal ik ook niet doen. Een paar boeken die ik heb gelezen en de moeite waard vond (bijv. qua gedachtegang of stijl): het Nederlandse kinderboek Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman en het Duitse boek Briefe in die chinesische Vergangenheit van Herbert Rosendorfer.

De films waarin tijdreizen een rol speelt, zijn volgens veel groter in aantal. Die films heb ik niet allemaal gezien, maar ik ben vast van plan om alles te hebben gezien. Als dat kan tenminste, want er komen steeds films bij en veel films zijn hier niet te zien (vooral films uit niet-westerse landen). Er is wel een probleem: hoe definieer je een tijdreisfilm? Simpel gesteld kan ik dit als definitie geven: iemand (zelden een voorwerp, een plant of een beest) die naar een moment, een tijdstip gaat dat anders is dan waar hij (vaak hij, zelden zij) nu is.

Ik vind het heel moeilijk om een top tien van tijdreisfilms te maken. Er zijn teveel films geschikt voor zo’n top tien. Ik doe een poging:

  1. Back to the future trilogie
  2. Terminator (1e 2 films)
  3. 12 monkeys
  4. Bill & Ted’s Excellent Adventure
  5. Groundhog day
  6. Looper
  7. The Butterfly Effect
  8. Mr. Nobody
  9. Deja Vu
  10. About time

Voor wie meer wil is hier een mooie lijst.

Daarnaast zijn er veel independent films (zoals 41 en Primer, te vinden op online videokanalen als YouTube) en platforms zoals Dust, ook op YouTube, waar – vaak kortere – films zijn te zien.

© Rick Ruhland 2018

Nieuwe winkels 1: de Aromette

Een parfumerie is een plek waar je potjes en flesjes kunt halen met welriekende vluchtige stoffen. Ik kom er graag.

Maar wat nou als je een geur zoekt, die je niet op je huid smeert, en die niet bedoeld is om zoet of aantrekkelijk te ruiken, zoals een parfum lekker riekt?

Dan kun je terecht in de Aromette. In die winkel kun je terecht voor geuren die een aangenaam of misschien zelfs een gewenst onaangenaam gevoel geven. Dat laatste kan zijn een penetrante vislucht of een mexicaanse-bonen-maaltijd-scheet. Ik ga er heen voor de geur van vers brood, pas gemaaid gras, en zilte zeelucht.

Echt een uitvinding, de Aromette. Van kleine zakjes tot literverpakking, voor elk wat wils.

© Rick Ruhland 2018

 

Niks rokjesdag, wit shirt!

Jaren geleden is een schrijver in Nederland tot de slotsom gekomen dat wanneer de lente echt is aangebroken, mensen zich kleden in luchtigere kleding en dat betekende voor vrouwen, zo betoogde hij, dat dat eerste warme moment van het jaar goed is voor het dragen van een rokje. Vandaar dat hij, overigens niet geheel onterecht, kwam met de uitdrukking rokjesdag.

Maar wat nog meer duidelijk maakt dat het warmer is geworden, zo warm dat andere kleren aan kunnen en dat de jas uit kan blijven, is dat vrouwen gekleed gaan in witte t-shirts of witte overhemden. Want als iets de puurheid van het vrouwelijk schoon combineert met het ultieme lentegevoel, dan is dat het wel.

Blijdschap, puurheid, schoonheid.

Dames, ik dank jullie bij voorbaat als je kiest voor een wit shirt op deze voorjaarsdag. De wereld raakt zo een draadje van de haat kwijt. De dag wordt vanzelf een tikkel zonniger.

© Rick Ruhland 2018

Bach-Werke-Verzeichnis 6: Bleib bei uns, denn es will Abend werden

(Opmerking: ik heb BWV 5 even overgeslagen vanwege het simpele feit dat BWV 6 voor paasmaandag 2 april (1725) is geschreven, en dit jaar valt paasmaandag ook op 2 april :-)).

Deze cantate is een paascantate die voor Tweede Paasdag (2 april 1725) werd geschreven. De cantate begint met een openingskoor over een bijbeltekst, ontleend aan de evangelielezing die voor die dag voorgeschreven stond. Verder kent de cantate een opbouw als vele andere. Zie Meer informatie voor details die ik best grappig vind, maar ik niet het belangrijkste acht. Het gaat om het horen, het luisteren, en als het me lukt, dan geef ik aan waarom ik iets mooi vind en wat niet.

De uitvoering van Harnoncourt kent een lelijk koor. Gillerig. Geen balans tussen de stemmen. Had Bach het zo bedacht? Instrumenten zijn wel weer bijzonder: mooi gedoseerd. Ik ben een fan van de hobo in deze cantate, en dan met name de hobo da caccia’s. Melancholiek tot op het bot. Alsof je op reis moet, op een winterse ochtend, en van plan je huis uit te gaan, maar dat de mist zo dik is dat je met je winterjas aan achter het raam wacht tot je weg kunt.

Bij Gardiner is het openingskoor veel meer in balans dan bij Harnoncourt, maar misschien zelfs een beetje te veel balans? Bijna te netjes, zo voelt het. De instrumenten zijn ook minder uitgesproken.

Koopmans versie voelt een beetje als een belegen versie. Het koor is uitgesprokener dan in Gardiners versie, dat is goed. #geenmening

Het intro – Chorus – bij Herreweghe kent vele versieringen door het koor. Bekoort mijn wat minder. Ik houd van de Aria met de hobo en de alt, Hochgelobter Gottessohn, maar niet als die door een countertenor wordt gezongen.

Ik heb voor de gein en de vergelijking weer eens naar andere dirigenten, orkesten, solisten en koren geluisterd. Versies van orkesten en dirigenten die ik niet zo mooi vind. Ik blijf bij mijn oude punt: het meeste is niet fraai.

Bach Collegium Japan (beluisterd op Spotify). Niet lelijk, maar wel erg netjes. Binnen de lijntjes, binnen de noten. En ik schrok van het openingskoor. Potjandokie, wat knallen die erin. Zeg maar dag tegen subtiliteit. Wat is er nog meer te zeggen? Erg netjes, alle noten gespeeld, maar niet in het hart geraakt.

De versie van Karl Richter en het Münchener Bach Orchester is niet eens lelijk, maar een tikkeltje treurig. Ik mis de accenten, anders gezegd, de ‘voetafdruk’ van koor, solisten, musici en dirigent. Niet eens slecht perse, maar geen echte wens om een indruk achter te laten. Te glad. Alsof je een goulash maakt, met allerlei kruiden, en dan aan het eind de staafmixer in de pan zet en alles pureert. De alt zingt bovendien niet echt mooi; geaffecteerd, alsof ze zingt omdat ze denkt dat het zo hoort. Ik geloof de uitvoering uit 1974 is; uit een andere tijd, dus.

Helmuth Rilling heb ik gelaten voor wat het is. Luister zelf en hoor of je dit mooi vindt.

Over het stuk zelf:
Het koor is mits mooi gezongen een van de mooiere stukken van Bach. Helemaal blij word ik van de aria met de alt en de hobo.
En vergis ik mij? Waarschijnlijk wel, maar ik heb het gevoel dat dit een wereldser stuk is dan andere cantates. De noten blijven je je hele leven bij:

Schermafbeelding 2018-03-31 om 13.13.00

Meer informatie? De twee websites van respectievelijk Eduard van Hengel en Julian Mincham geven interessante achtergrondinformatie qua compositie, tekstdichter en veel meer. Ik heb het nog niet gezegd, maar ik dank hun voor hun inzichten. En heus, er zijn veel meer sites over Bach en zijn composities (of alleen al over zijn cantates), maar deze twee sites hebben mijn blik aangenaam verruimt.

© Rick Ruhland 2018

Stamgast van de Fulmar Inn: Gerrit

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (o.a. hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Een van de oudere stamgasten is Gerrit.

Volledige naam: Gerrit Brasem.

Leeftijd: 69.

Werk / studie: Bladluismelker, oftewel hij leeft van zijn AOW en pensioen. Na zijn lagere school en 5 jaar werken bij zijn vader in de groentezaak monsterde hij als 18-jarige aan op een vrachtboot die op ‘de oost’ voer. Op zijn 30e is hij gestopt, maar waarom, daar praat hij niet over. Niemand weet wat hij de 5 jaren erna deed. Op zijn 35e was hij 10 jaar lang conciërge van een middelbare school in een buurgemeente. Na een jaar werkeloosheid begon hij te drinken en verhuisde naar een woning niet ver van de Fulmar Inn. Sindsdien, tot aan zijn pensioen, werkte hij bij de gemeente: plantsoenendienst, gemeentereiniging. Sinds hij 65 is, leeft hij van zijn AOW en pensioen die hij in de kroeg opdrinkt.

Hobby’s: Hoorn blazen in de plaatselijke fanfare; Hij praat ook over zijn muzikanten verleden; veel sterke verhalen over bekende musici. Hij kent er ook veel uit zijn zeemansverleden. Denkt heel veel te weten door zijn ervaring als zeeman en zijn tijd als conciërge, maar hij zit er meestal net naast. Dat merkt iedereen ook als hij uitdrukkingen hanteert, zoals ‘een wet van meten of persen’. Hij heeft zelfs nog met G. Reinders gespeeld, zegt ie.

Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): “Voor mij geen Lady D.” (Gerrit is een liefhebber van lange reclames en kijkt vooral naar lange commercials op commerciële zenders; de laatste tijd is hij gek van het massage-tril-apparaat ) en “Wet van meten of persen”.

Familie: Hij was getrouwd met Maria, die inmiddels is overleden. Hij heeft een dochter en een zoon. Dochter Annemarie (25) woont in zelfde stad. Is getrouwd met Peter (40). Annemarie is zorgzaam. Ze helpt Gerrit met rekeningen betalen, ze kookt soms voor hem koken. Schoonzoon Peter en Gerrit zijn water en vuur. Annemarie is grijze muis, niet knap, niet onknap, vrij tenger, blond, slagen in het haar. Zoon Rob (27) is getrouwd met een verder vage vrouw, heeft misschien wel kinderen; praat Gerrit nooit over. Goede baan, doet iets met cijfers. Woont plm 100 – 150 km ver weg. Afstandelijk naar Gerrit en Annemarie toe, iets meer betrokkenheid met Jantien. Dit is een gevolg van de scheiding.

Afkomst: Hij komt uit een arbeidersfamilie. Werken is een devies en advies dat hij anderen ook meegeeft.

Vrienden / kennissen: Buiten zijn volslagen zat zijn heeft hij een geregeld leven. Hij heeft sociale contacten bij de fanfare, bij zijn biljartclub, en in zijn buurt.

Kleding: Morsig type, ijdel. Draagt vaak pak & das, maar altijd in een grijs vooroorlogspak.  Hij is vaak onderwerp van de spot van stamgasten Sjef en Berend, die glashard menen dat Peter eens een nieuw pak en modernere schoenen moet kopen, omdat de oorlog is afgelopen.

Uiterlijk: Vergeet zich regelmatig te scheren. Zijn grijze haar is steevast strak achterover gegeld. Houdt zichzelf niet schoon.

Drank: Bier en brandewijn. Als hij zat is: citroenjenever.

Muziek: Blaasmuziek. Vooral de Egerländer Musikanten vindt hij werelds.

Onhebbelijkheid: Bij elke bestelling van Koos zegt hij ‘Ja ja, zeur niet zo, en nu maar schenken met die hap.’

Gewoontes: Snuift tabak, laat zijn rekening in de kroeg tot ongekende hoogte oplopen om aan het eind van de maand te zeggen “Dat kan nooit!” Rookt shag van een van de andere stamgasten. Komt bijna elke dag, aan het eind van de maand soms wat minder: geen geld, hoge rekening. Hij heeft veel bonnetjes laten staan. Hij is tevens de oudste stamgast: 69 en al 40 jaar kind aan huis. Hij heeft de vader van Koos nog gekend! Veel ouwehoeren met andere stamgasten, biljarten. Een beetje opdringerig naar nieuwe, onbekende bezoekers toe. Wordt vrijwel elke avond dronken, maar zal dat zelf te allen tijde ontkennen.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

Partij voor planten IX

Oei, dat was niet de bedoeling. Toen ik de vorige keer had geschreven over andere vruchten dan appels en peren, had ik binnen geen tijd een mailbox vol met mail. Haatmail vooral. Hoe ik op het onzalige idee, en zelfs gevaarlijke idee, kwam om een papaja te eten. Ik kan daar nu natuurlijk niet op reageren op een zodanige wijze dat die GW-aanhangers en GW zelf snappen wat er zo lekker is aan een papaja. Of kiwi. Of ananas. Zij vinden bij voorbaat een vrucht van vreemde bodem verdacht. Die hoort hier niet. Of iemand als ik dan wel met zulk fruit mag omgaan, was een vraag die bij mij opkwam.

Ik heb dat ook gevraagd in een mail terug. Want is het idee van het leven niet dat we vooral genieten? Dat we met elkaar mooie momenten proberen te hebben. Dat we een vruchtbaar bestaan hebben. Dat we er iets van maken. En ook: planten zijn er voor hun eigen genot, maar het is natuurlijk ook zo dat de ene plant niet perse beter is dan de ander. In diezelfde mail vroeg ik me af of sommige planten nuttiger zijn dan andere.

Nou, dat heb ik geweten. Ik moest worden opgesloten in een concentratiekamp, zei de een in een mail. Opblazen die gast, stond op een forum.

Het erge en enge: bijna iedereen in die mails en op internetfora vindt dat de opperplanten zijzelf zijn. Niemand steekt de hand in eigen boezem, of de meeldraad in eigen bloemblad, en durft te stellen dat er onder de oorspronkelijke planten, de aanhangers van GW, wel erg veel klaplopers en poepverkopers rondzwalken. De wat slimmere planten, die net als GW ternauwernood hoger administratief fauna-onderwijs (HAFO) hebben genoten, spreken zelfs van faunavervalsing. Het is me wat.

Het is natuurlijk blabla van de bovenste plank. Want wie bepaalt wat exoot is en wat niet? Alles wat hier al lang groeit? De familie van GW kwam ook pas 148 jaar geleden naar Nederland, dus dat is recent. Wat is recent? Wanneer is iemand wel een exoot en wanneer niet? Wie heeft wel het recht op de blanke toppen van Neerlands duinen te groeien? Volgens de stamboom is GW dus eigenlijk geen natuurlijke bewoner van onze velden en bossen. Eng wordt het wanneer een enkeling vindt dat we met DNA aan de slag moeten gaan als een plant moet worden buitengesloten. Alsof je daarmee iemand ontzegt dat hij mag groeien en bloeien. Dat neigt naar eugenetica. En dan heb je een probleem bij mij, als plant van Duitsen bloed. Want ik heb geleerd van de plantengeschiedenis van mijn volk. Nie wieder.

Ik heb er een nacht over geslapen. In mijn nachtmerries vol triffid-achtige schepsels hoorde ik steeds weer mijn eigen vraag: wat doe je met die planten, fruit of groente, die van oudsher overal groeien?

In die zelfde nachtmerries riep iemand: REFERENDERUM! Ik denk dat ze bedoelde referendum, maar het was een van die hafisten die dat riep. Een ander schermde ermee dat zelfs de grote Kruis van Bessenbroek had gesteld dat een plant van vreemde bodem niet op onze constitutie moest worden geënt. Badend in het zweet werd ik wakker nadat in de laatste nachtmerrie miljoenen planten hun rechtertak gestrekt omhoog staken.

Ik heb het GW maar meer voorgelegd. Moeten we dus alles afwijzen wat niet van oorsprong hier voorkomt?

© Rick Ruhland 2018

Stamgast van de Fulmar Inn: Koos

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Om met de laatste te beginnen: Koos.

Volledige naam: Koos Hondius.

Leeftijd: 45.

Werk / studie: Heeft na de lagere school en middelbare school een studie Sociale Geografie gedaan. Na 3 jaar had hij zelfs de propedeuse niet gehaald. Kwam aan het begin van zijn studietijd in de kroeg, werd stamgast en na 3 jaar kreeg hij een weekendbaantje als barkeeper/hulpje in de FI. Nam op zijn 22e de kroeg over en is nu de eigenaar van FI. Hij woont boven de kroeg.

Hobby’s: Cartografie; verzamelt (land)kaarten, heeft onlangs GoogleEarth ontdekt. Op regenachtige dagen zet hij zijn computer op de toog, wat steevast tot gemopper bij de oudere vaste klanten leidt.

Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): Begint alle zinnen met: ‘Ik zeg, ik zeg…’ en vervolgens valt hij stil en grinnikt als een ander zijn zinnen afmaakt.

Familie: gescheiden en nu vrijgezel. Heeft af en toe wel een relatie. Ex-vrouw is hertrouwd. Hij ziet zijn drie dochters niet meer.

Afkomst: uit de hogere middenklasse, vader was adjunct-directeur van een middelgroot ingenieursbureau. Ouders overleden, Koos is enig kind. Is wat anderen ‘eenzaam’ zouden noemen. Maar hem bevalt dat wel. Is ook de reden dat relaties nooit lang stand houden, laat staan tot iets als samenwonen kunnen leiden.

Vrienden / kennissen: Heeft wel vrienden; een paar uit de lagere/middelbareschooltijd, en een enkele uit de studietijd. Verder kennissen, buren, klanten. Lijkt een lichte vorm van autisme/asperger te hebben. Maar hij is vanwege zijn beroep veroordeeld om elke avond gastheer te spelen, sociaal te zijn. Dit gaat niet altijd makkelijk. Sommige klanten begrijpen/accepteren dit niet, anderen wel. Is altijd bezig met één of ander ‘project’ (marathon, feng shui, herinrichten van kroeg etc.) waarbij hij anderen probeert te porren mee te helpen.

Kleding: Spijkerbroek, in de kroeg overhemden. In vrije tijd wat maar voor handen is.

Uiterlijk: baardje, snor, leesbril, stiekem ook een ziekenfondsbrilletje. Zandbakkleurig haar, wordt al behoorlijk grijs.

Drank: Drinkt geen bijna alcohol tijdens het werken, wel cola of bijna-over-datum flesjes frisdrank. Neemt aan het eind van de avond nog wel eens een baco. Geen bier, dat verdraagt hij niet meer sinds die ene legendarische avond in de studentenstad…. Waarover hij niet meer praat, terwijl velen in de kroeg heel goed weten wat er toen gebeurd is. Drinkt sinds kort stiekem het ene na het andere foute, en dan vooral zoete drankje. zet die drankjes stiekem op de rekening van klanten.

Muziek: Punk, New Wave, Jazz. Maar sinds een tijd ook Duitse Schlagers uit de jaren 70 en 80, vermoedelijk door Duits vriendinnetje, een jaar of 10 geleden.

Onhebbelijkheid: Bij elke bestelling noemt hij op wat er al staat en Peter zegt dan: ‘Ja ja, zeur niet zo, en nu maar schenken met die hap.’

Gewoontes: Draait elke dag altijd als eerste en laatste nummer “Duitse punk/new wave jazz”.

© Rick Ruhland 2018

Mijn eerste keer: het naaktstrand

Ouder worden is aan de ene kant geruststellend. Je hoeft er niets voor te doen en je wordt beloond met ervaring.

Er is ook een ‘aan de andere kant’. Het ouder worden heeft als nadeel dat je veel dingen niet meer voor de eerste keer kunt doen. De eerste keer naar school, de eerste keer in een achtbaan. En misschien interessanter: de herinnering aan die eerste keer.

Laat ik eens (over meerdere blogs verspreid) nagaan wat ik mij herinner van die eerste keren. Wat, wie (behalve ikzelf, spreekt voor zich), waar, wanneer, hoe (als in: hoe voelde ik me). Niet waarom, want de eerste keer is gewoon een eerste keer geweest.

Ik ga meteen in het diepe:

Het Naaktstrand.

Ik was daar met een medestudent. Het was aan een grote plas in het noorden van mijn land. Dat gehele meer was een geliefde plek voor studenten om te verpozen, en op het naaktstrand was dat niet anders. Dus veel jongeren, vermengd met ouderen (die veelal een leerachtige huid hadden). Het moet ergens eind jaren 80 zijn geweest, dus ik was nog niet volwassen en ik was geen kind meer.

Hoe voelde ik mij? Ik moet zeggen: zeer op mijn gemak. Naakt zijn is voor mij geen issue. Anders dan andere mensen is schaamte voor mijn naakte lijf niet aan de orde. Wat mij vaak tegen de borst stuit: de relatie die mensen (met veel schaamte) leggen met porno, seks, homo’s. Voor mij geen issue. Het moet gezegd: ik wijs het af als mensen op het naaktstrand zich seksueel gedragen. Op het naaktstrand zijn is vrijheid. Moet ook zeggen: ik ben geen rondloper. Ik ben vooral een naaktligger en naaktzwemmer.

Het naaktstrand is een van die eerste keren die ik dolgraag nog eens zou willen herbeleven.

© Rick Ruhland 2018