De Fulmar Inn: Dodenherdenking 2

Nadat de Duitsers de gracht over waren gejaagd, en Gerrit nog zo nodig een steen moest gooien waarbij zijn schouder verrekte, ging het in ganzenpas terug naar de kroeg.

Iedereen had een rood hoofd, buiten Maartje zweette elke stamgast als een otter, en op Jonneke en Maartje na was iedereen buiten adem. Eenmaal terug in de kroeg ging men, zeer tevreden over de jacht op de vijand, aan de bar zitten. Met een vol glas, rondje van Koos, proostte iedereen met iedereen. Iedereen klopte elkaar op de schouders. De saamhorigheid was al in jaren niet zo groot geweest.

Natuurlijk duurde dat zo lang als een kruik die te water gaat en barst.

‘Hebben we die moffen toch maar mooi even de straat uitgejaagd.’

Hannes sloeg Gerrit op de schouders.

‘Jij ging voorop in de strijd, makker.’

‘We hadden ze over de kling moeten jagen.’

‘Zo kan die wel weer.’

Koos was nooit zo blij met opjuttende gasten, zelfs niet als dat stamgasten waren.

‘Hoezo? Die kutduitsers verdienen niet beter.’

‘We zijn 75 jaar verder. Jij bent van na de oorlog. En er zijn ook goede Duitsers.’

Gerrit was even stil, zat stokstijf op zijn kruk, keek naar de muur achter Koos, en draaide zich toen met een knalrood hoofd om.

‘BEN JIJ NOU HELEMAAL HORENDOL GEWORDEN?’

Gerrit spuugde de woorden zijn uit. Speeksel viel als een bommentapijt op de tapkast neer.

‘Goede Duitsers?? GOEDE DUITSERS? We hadden ze over de kling moeten jagen.’

Het werd doodstil in de kroeg.

‘En dat zou jij mogen doen? Omdat jij een van die vele Nederlanders was die in de tweede wereldoorlog in het verzet heeft gezeten en joden als onderduikers hebt gehad?’

Gerrit keek boos naar Sjoerd.

‘Jij, Sjoerd, heult met de vijand.’

‘Hallo, kan het ook wat minder?’

Toen zelfs Berend zich ermee bemoeide, was de geest uit de fles.

‘Kom op zeg, stelletje deugmensen, jullie zouden in staat zijn om bij een nieuwe oorlog alle onderduikers zelf dood te schieten.’

‘Gerrit, nu is het genoeg.’

Koos’ ogen lichtten extreem fel op.

Maar Sjoerd was er nog niet klaar meer.

‘Jij staat laf aan de zijlijn als tegenwoordig alle morele bodems worden weggeslagen door onderbuikmensen. Onderbuikers. Niet te verwarren met onderduikers.’

Normaal glimlachte minstens een van de stamgasten, maar nu niet.

‘Waarom wil jij zo graag tot dat harteloze volkje behoren? Tot de onderbuikers?’

Sjoerd kwam van zijn kruk en ging op een halve meter van Gerrit staan, die daar een beetje van schrok en licht achteruit deinsde.

‘Mensen met een hart kunnen ploertigheden van onbeschofte mensen als jij een halt toeroepen. Dat moeten we doen.’

Gerrit had zijn mond al weer open, toen Maartje op stond en schreeuwde:

‘NONDEJU, nu is het godverpielekes afgelopen met jullie.’

Ze pakte het boek over de oude kroeg van achter de bar en liep daarmee naar Gerrit en Sjoerd. Ze sloeg beiden met het ingebonden boek keihard op het hoofd. Toen de twee hun handen op het hoofd legden om te wrijven, sloeg ze nog een keer, en nu op de handen van de stemmingmakers.

‘Ophouden!’

Alle mannen keken naar Maartje. Jonneke was naast haar komen staan.

‘Jullie voeren hier een mini-oorlog in onze stamkroeg. Een stamkrieg, als je Duits-Nederlandse woordspelingen. Maar allejezus, moet dat op de dag dat we doden herdenken die in oorlogen zijn gevallen?’

Niet alleen Sjoerd en Gerrit bogen het hoofd, de andere mannen aan de bar voelden zich medeschuldig.

‘Al jullie mannen kijken nu schuldbewust. Terecht. Want wie niets doet tegen onrecht, laat de ellende voort etteren.’

Sjoerd wilde nog wat zeggen, Berend stak een vinger op, maar de vrouwen waren resoluut.

‘Nee, geen gezeik meer. Ophouden. Nu!’

Vreemd hoe een vrouw haar woorden als een angel in het hoofd van een man kan steken, daar haar verzoenende zaad kon lozen, waarna alleen de meest vulgaire man nog zijn punt wil maken.

De mannen gingen zitten, namen hun glazen in de hand en staarden naar hjn versnapering.

‘Mooi, laat ik jullie dan eens iets vertellen van deze kroeg. En Koos, jij moet me hier en daar bijlichten en aanvullen.’

Koos knikte.

‘Het boek hier in de kroeg gaat over de verkeerde kroeg. Of beter: dit is het verkeerde boek.’

Ze haalde uit haar werktas een map, met daarbij ook een dun boek. Als laatste kwam een mapje van de gemeente uit haar tas tevoorschijn. Daarmee wapperde ze even.

‘Hierin staan administratieve feiten, over de jaren vanaf de oorlog tot nu.’

De laatste oprisping van Gerrit kwam als een ongemakkelijk boer die iedereen opluchtte behalve de boerlater zelf:

‘Ik ga nog steeds niet naar Duitsland. Never. Ik wil er niet eens overheen vliegen, want er staat waarschijnlijk nog steeds afweergeschut.’

De vrouwen kreunden, de mannen schudden hun hoofd.

‘Goed, de kroeg. In zijn huidige staat is grotendeels het gevolg van de geschiedenis. Eigenlijk is de kroeg zelf, de ruimte er boven en de zolder zijn van na de tweede wereldoorlog. Onze fijne buren…,’

‘Die oorlogzuchtige Germanen…’

Gerrit keek tevreden over zijn opmerking.

‘….hebben er een paar jaar gewoond, en toen de geallieerden eind 1944 dichterbij kwamen, hebben ze de kroeg opgeblazen. De Duitsers, dat is.’

Koos zei: ‘ Klopt. Na de oorlog heeft de kroeg een paar jaar half verkrot en zwartgeblakerd leeg gestaan. Mijn opa en mijn vader bouwden de kroeg op.’

Koos slikte een keer.

‘Hij vertelde mij keer op keer, elke winter wel minstens drie keer, hoe hij in de eerste vrije winter van 1945 – 1946, in de kelder de leiding moest ontdooien, en dat hij toen de grond los moest bikken, grond waar nog steeds de restanten van de verdieping van de oude kroeg lagen, en dat hij in die zwartgeblakerde stenen, het oude … het oude…’

Koos snotterde.

‘Het oude wat?’

Maartje was niet zo sentimenteel als de meeste mannen aan de bar.

‘Het oude uithangbord dat door de Duitsers kapot geschoten.’

‘Zie je wel,’ schreeuwde Gerrit, ‘De schoften.’

‘Gerrit, die tijd is voorbij.’

‘Never.’

‘Voor jou niet, voor de rest van Nederland wel. Haat de Duitsers, als je zo nodig moet, maar de oorlog is voorbij.’

En een ieder dacht er het zijne van. Die dodenherdenking ging de boeken in als de dag waarop duidelijk werd dat de Germaanse strijdbijl nog lang niet bot was.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Phailed Phriday on a Photo

Deze foto is gemaakt op een vrijdag, maanden geleden, en op een plek ongeveer 10.000 km van waar ik nu ben. Ik weet waar en wanneer die foto is genomen. Maar hoe kan een ander dat weten? Het zou ook zo kunnen zijn dat deze foto vanochtend hier in de straat is genomen.

Mislukte foto’s als deze zijn van alle tijden en alle plaatsen.

IMG_7418

© Rick Ruhland 2018

Partij voor planten XV

Al een relatief lange tijd horen we van Goor en soortgenoten niets anders dan hoe het niet moet. We horen niet hoe het dan wel moet. Eenzijdig, zo kun je hem en zijn plantgenoten wel noemen. Warrig, dat is misschien ook wel een woord dat van toepassing is. Zit dat in zijn genen? Dat verwarde, dat monomane? Is het nature?

Of is het een kwestie van opvoeding, een kwestie van nurture?  Ik heb een aanwijzing dat het misschien dat is: opvoeding en achtergrond. Ik kwam er namelijk vandaag achter dat Goor eigenlijk helemaal niet Wildkrijt of Waskruid of Wildkruid (al dan niet met een t, dus Wildkruit of Wiltkruit of Wiltkruid) heet. Nee, Goor is namelijk van oorsprong geen Nederlandse plant.

Duits. Dat is hij. Wildes Wachskraut is zijn echte achternaam. Dat verklaart meteen ook waarom zijn taalgebruik lichtelijk slissend en vol grammaticafouten zit, en ook nog eens archaïsch klinkt. Sterker, zijn taalgebruik is oud, en zijn gedachtegoed moet daar wel een gevolg van zijn.

Nu het gekke aan het verhaal, en ik laat daar graag mijn intello-briljante licht over schijnen: GW is dus van twee culturen. Maar hij brandt steeds planten af die tweeculturig zijn.

Terwijl, als hij zich wat breder zou ontwikkelen, hij had kunnen weten dat mensen met twee talen en twee culturen zich makkelijker aanpassen, een betere cognitieve ontwikkeling hebben, flexibeler denken in onbekende situaties, en van een betere concentratie zijn voorzien.

Niet dat voor elke tweetalige en tweeculturige geldt. Goor is dus een van die uitzonderingen.

Als Goor ergens hard om roept, dan is het wel: MONOCULTUUR!!!

Ik droom wel eens weg en zie dan Goor zijn grootste gelijk halen, namelijk het verwijderen van alle allochtone planten en elke plant die afwijkt. Niet alleen de vetplanten, de moerasplanten, of de planten die hier al eeuwen zijn maar van nature uit Zuid-Amerika of Azië komen, maar elke plant die afwijkt van het beeld van groene, bloemdragende zonder ziektes en genetische fouten. Pas dan zal het hier erg goed toeven zijn. Dan houdt alle ellende op. Het punt is: Goor maakt de kolossale fout te denken dan monoculturen tot grootse culturen leiden. Wat ook zijn gedachte is, wat ook zijn motivatie is, het komt vanuit het negatieve.

Als monoculturen iets duidelijk hebben gemaakt, en zullen blijven maken, dan is dat deze culturen van binnenuit rotten. Monocultuur is goed voor inteelt, en planten in een monocultuur zijn gevoelig voor ziektes. Monoculturen zullen altijd het onderspit delven. Gemengde culturen zijn veel weerbaarder voor veranderingen die er altijd zullen zijn.

Ik denk dat Goor, en natuurlijk heb ik dit ook aan hem geschreven (nee, nog geen reactie tot nu toe), de volgende analogie niet begrijpt, maar hij is van toepassing. De analogie van de ratten en de de pest. Hij maakt de fout te denken dat de pest werd over gebracht door ratten. Kul. Humbug. De pest werd door vlooien overgebracht, en vooral ook: door intermenselijk contact.

© Rick Ruhland 2018

PS Waar je mee omgaat, wordt je door besmet. Ik heb moeite met normaal denken, nu ik veel met Goor communiceer. Maar ik kan toch niet stoppen met communiceren? Want dan wint Goor zijn pleit. Zonder tegenspraak en weerwoord is elk ongelijk waarheid.

Narcis

Jaren geleden beoordeelde en veroordeelde een man mij. Hij keek naar mij toen ik hem op zocht en hij noemde mij een narcist. Die opmerking kwam aan. Ik een narcist? Iemand die zichzelf zo belangrijk vindt dat hij de wereld laat voor wat hij is en steeds weer moeten laten merken dat hij de belangrijkste persoon is? Zo zag ik mij zelf niet, maar dat zal wel eigen zijn aan narcistische mensen. Maar erger, hij gaf geen duidelijke reden. Ik was in de war, zoals ik wel vaker in de war ben. Maar waarom ik nou een narcist was?

Het zit mij nog steeds dwars dat deze man mij inschaalde in de categorie Narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ok, ik weet dat mijn hoofd niet helemaal is zoals het bij de meeste mensen wel. Dat was ook de reden dat ik bij hem was gekomen. Uit noodzaak. Ik was weer eens zo ver in de geestelijke shit gekomen dat ik gedwongen werd, door een vriendin, hulp te zoeken. Ik zat in de put. Of eigenlijk in ruimte onder de put waar je niet meer uitkomt. Omdat je niet weet wat boven, onder, links, rechts, achter, voor is. Waar het intens zwart is en alleen vervormde geluiden binnen dringen, of waar je de geluiden van je lichaam (suizen, hartslagen, gasvorming, enz. etc.) zo hard hoort dat ze je angst aanjagen. Waar de geest zijn eigen indrukken creëert. Waar je zintuigelijke waarnemingen hebt die niet echt kunnen zijn. Geuren die er niet zijn, geluiden die er niet zijn, enzovoort. Dat zei ik hem ook. Hij, een “professioneel psychiater”, leek het een en ander dat ik zei niet te begrijpen. Of hij kon het niet plaatsen. Veel psychiaters zitten vastgeketend in – en aan – hun vak met hun eigen wereldbeeld als loden bal aan hun hulpverlenersbeen. Gevangene van hun eigen overtuigingen en opgesloten in de cel van de DSM (het standaard-diagnose-boekwerk van psychiatrische hulpverleners). Ondanks hun opleiding kunnen ze een mens en zijn verhaal niet anders zien dan wat zij geloven als waar: de geesteszieke mens moet ergens in het diagnostische handboek (de DSM) passen.

Nou terug naar mij: ik zei deze psychiater dingen die ik meende, maar die hem in het diepste van zijn ziel moeten hebben geraakt.Wat ik zei? “Ik vertrouw psychiaters niet.” Ik geloof ook niet in priesters, die hetzelfde werk doen: werken voor het zieleheil. “Ik heb gezien hoe jullie mijn broer naar gene zijde hebben geholpen.” “Door jullie zorg is hij nu dood.” Dat was natuurlijk tegen het zere been waaraan die loden bal vastzat.

Nog erger, ik ben in stemmingsgestoorde periodes mijn intelligentie, creativiteit en humor niet kwijt. Die worden dan alleen maar sterker. Maar kom daarnaar eens mee aanzetten bij een psychiater. Ik heb trouwens bijna een keer – bij de hierboven geschetste hulpverlener – het grapje ‘psyche hater’ gemaakt, als woordspeling op zijn beroep. Bijna. Ik was net op tijd met die twee woorden inslikken, waarna ik een grote hoestbui kreeg.

Ik heb daarna natuurlijk eens gekeken naar de kenmerken, de symptomen, de verschijnselen die bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis horen. Volgens het handboek van psychiaters zijn dit ze, en heb ik die kenmerken ook (misschien niet allemaal, maar in ieder geval genoeg om mij een narcist te noemen). Een narcist, aldus de DSM:

(1) has a grandiose sense of self-importance (e.g., exaggerates achievements and talents, expects to be recognized as superior without commensurate achievements)
(2) is preoccupied with fantasies of unlimited success, power, brilliance, beauty, or ideal love
(3) believes that he or she is “special” and unique and can only be understood by, or should associate with, other special or high-status people (or institutions)
(4) requires excessive admiration
(5) has a sense of entitlement, i.e., unreasonable expectations of especially favorable treatment or automatic compliance with his or her expectations
(6) is interpersonally exploitative, i.e., takes advantage of others to achieve his or her own ends
(7) lacks empathy: is unwilling to recognize or identify with the feelings and needs of others
(8) is often envious of others or believes that others are envious of him or her
(9) shows arrogant, haughty behaviors or attitudes

Ik heb het gecheckt bij mijn vrienden die ik het langst ken. Ik bedoel, vrienden die ik het meest uitbuit, maar die het wel gewend zijn dat ik uit de hoogte doe. Niet dat het me ook maar iets kan schelen wat zij vinden. Zij zijn toch alleen maar jaloers op mij. En dat is meestal omdat ze niet bereikt hebben wat ik wel bereikt heb. In plaats van mij te bewonderen om mijn grandioze successen en mijn prachtige vrouw, zijn ze alleen maar op deze wereld om mijn intelligentie neer te halen. Is het dan niet verwonderlijk dat ik die gasten weinig wil zien? Nou dan.

Maar dat alles heb ik deze psychiater niet gezegd. Dat zou hij toch niet begrijpen en bovendien zou hij dan zijn gelijk krijgen. En ja, ook omdat hij en zijn beroepsgroep grosso modo geheel en al gespeend was / is van humor. En: hij moet in de gaten gehad hebben dat ik hem intellectueel en creatief superieur was.

Ik keek mezelf die avond – na de ontmoeting van deze man die zichzelf psychiater noemde maar die misschien wel patiënt was -, en alle dagen daarna, in de spiegel en zag een voorjaarsbloem. Met een prachtige trompetter als neus.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Strange attractions: pool flies. Auteur: Claudia Mänges.

Samenvatting: De schrijfster van het proefschrift, een achterkleindochter van de zwembadenmagnaat Rudolph Mänges, heeft zich gestort op een observatie die menigeen moet delen met anderen zwemmers, maar die waarschijnlijk maar weinigen hebben uitgesproken. Die is in het kort: Waarom willen vliegen zo graag op een mens zitten die nat van het chloorwater is? Of zoals zij in haar inleiding schrijft: ‘Als ik nat uit het zwembad kom, willen vliegen op mij zitten. Zodra ik opgedroogd ben, zie je die vliegen niet meer terug. Hoe zit dat?
Ik moet zeggen, ik herkende de vraagstelling, en ik was dan ook zeer benieuwd naar haar onderzoek. Mänges heeft verschillende factoren onderzocht. Van het weer en temperatuur tot de huidsoort van proefpersonen, van het soort water tot de soort vliegen. Haar conclusies liegen er niet om. Het fenomeen heeft te maken met het chloor in het water maar vooral met het feit dat mensen in het water plassen en zelfs poepen. Het chloor gaat met de urine en faeces een verbintenis aan die vliegen lekker vinden. Het onderzoek is uitgevoerd met diverse variabelen: met alleen chloorwater, met urine / poep in kraanwater, met urine en poep in chloorwater. Vooral chloor, urine en poep in het water, een buitentemperatuur van meer dan 25 graden en overwegend zonnige perioden, en ordinaire huis-, tuin- en keukenvliegen zijn de elementen.

Eindoordeel: Soms is onderzoek weinig of beperkt nuttig, maar de onderzoeksvraag zodanig dat je het antwoord graag wilt weten. Het is dus inderdaad zo dat vliegen eerder op je huid willen zitten als je uit een zwembad komt. Dat dat dat komt doordat het water vol chloor en urine / poep zit, dat is dan weer minder fraai.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 15

Beste B.,

Mijn vriend slaapt niet al te best. Nou is dat niet het ergste, want hij lijdt er niet onder.

Wat wel een probleem aan het worden is, is het volgende. Hij heeft vaak last van slaapwandelen en sinds een jaar of twee, vooral tijdens de zomermaanden, wil hij seks in zijn slaap. Dan drukt zijn hard geworden penis tegen mij aan. De eerste keer dacht ik dat hij wakker was en seks wilde, dus ik opende mijn vagina en duwde hem naar binnen, maar toen werd hij wakker en voelde zich beschaamd. Ik ook, trouwens.

Ergens in het vroege voorjaar, ik kon niet slapen en bedacht erotische verhalen, was zijn lul daar weer. Hard en warm. Ik heb die nacht een uur lang seks gehad, en ben nog nooit zo zalig klaargekomen.

Hij heeft nu bijna elke nacht een snoeiharde erectie. Ik blijf er zelfs voor op. Ik wil eigenlijk geen gewone seks meer.

Dit gaat nou al maanden zo.

Nou, dat wilde ik even melden. Nou ja, hij is ook niet blij met zijn seksuele escapades, dus voor hem is er een probleem, en hij moet niet wakker worden tijdens het nachtneuken. Want dat is slecht voor zijn zelfvertrouwen en we krijgen dan vaak ruzie. Ik vertel hem dus niet dat hij nog steeds slaapsekst.

Ik heb geen probleem, ik vind mijn ervaringen gewoon geil en dat moest u even weten.

Nelleke.

© Rick Ruhland 2018

Nieuwe winkels 2: de Staartwinkel

Winkel waar je alleen staartstukken en (sporadisch) vinnen kunt krijgen.

Niet alleen van varkens, zalm, kippen, kortom, de dieren die de mens standaard eet, maar ook van eekhoorns, haaien, honden, fazanten, en olifanten.

Onder toonbank zijn ook staarten verkrijgbaar van bijna uitgestorven of reeds uitgestorven dieren te krijgen, zoals van de quagga en Tasmaanse buidelwolf.

Voor de echte smulpaap.

© Rick Ruhland 2018

 

Mensen vragen mij wel eens… #1

Waarom draag jij altijd twee verschillende sokken?

Laat ik meteen een misverstand uit de weg ruimen hier. Het is niet ‘altijd’. Wel meestal. Waarom niet altijd? Als ik twee dezelfde sokken draag, dan heeft te maken met de dikte of soort stof. Het loopt namelijk niet lekker als je een dikke sok links draagt, en een dunne sok rechts. Helemaal niet bij het sporten, of een lange wandeling. En er is nog een reden waarom ik soms twee dezelfde sokken draag: als die sokken gloednieuw zijn. Je komt ze in de winkel en dan zitten ze nog aan elkaar: met zo’n stukje karton, of met zo’n plastic draadje dat aan de uiteindes een dwarsstukje heeft en dat lastig los te krijgen is; je hebt altijd een schaar of een mes nodig. ALS ik die Siamese sokken gescheiden dan eindelijk heb, ga ik ze niet meteen uit elkaar halen. Dat zou sokonterend zijn. Die eerste keer houd ik de twee sokken als paar bij elkaar en draag die dag dus dezelfde sokken.

Dat ik voor het overige wel twee verschillende sokken draag, heeft redenen. Het begon lang geleden. Ik was in die tijd erg druk met van alles en nog wat, en tijd om te wassen had en nam ik vaak niet. Ik kocht eerder een paar nieuwe sokken dan dat ik ging wassen. Als ik dan toekwam aan een was draaien, dan had ik naderhand een enorme hoeveelheid ongesorteerde sokken. Ongesorteerd wil zeggen: heel veel paren sokken die niet bij elkaar lagen. Ik begon aan het sorteren, maar al na korte tijd stoorde ik me aan de handeling. Ik legde de sokken weg die ik in de hand had, en dacht na over sokken en sorteren. Een van de eerste vragen die ik mezelf stelde: waarom sorteer ik eigenlijk? Waarom zouden twee verschillende sokken niet bij elkaar kunnen horen? Laat je niet zo in de maling nemen. Dat die sokken hetzelfde zijn als je ze koopt, is misschien nog tot daar aan toe, maar om nou steeds de symmetrie te handhaven… Nee!

Daar kwam bij dat ik me extreem stoorde aan het feit dat van de twee sokken steevast een sok eerder een gat had, of eerder versleten was, dan de andere sok. Een gat maken, dat ging nog. Maar als een sok aan zijn levenseinde was, dan moest hij naar de sokkenhemel. Moest de andere sok dan dus ook het loodje leggen? Nee, sokverdorie. Natuurlijk niet. Give sock a chance. Lennon zong het al.

Een laatste reden waarom ik twee verschillende sokken draag? Ik wil niet volgen. Omdat iedereen twee dezelfde sokken draagt, wil ik dat niet hoeven doen. Ik hoef ook niet steeds af te wijken van de goegemeente, de massa. Maar ik wil zeker niet steeds hoeven meedoen met de massa. Ik en mijn sokken, wij doen wat wij willen.

© Rick Ruhland 2018

Praktische oplossingen 5

Het nadeel van verbruiksgoederen die je gebruikt in de douche of op het toilet is dat ze in geur opgaan. Ze zijn na korte tijd verdwenen. Neem nou toiletverfrissers. Die hang je in de wc-pot, maar ze zijn binnen de kortste keren op. Ik heb een verdraaid handige oplossing om lang plezier te hebben van deze verfrissers. Deze:

IMG_8917.jpg

© Rick Ruhland 2018