Toen ik van de sociale media vertrok 3

Ik ben dus vertrokken van een aantal sociale media. Eerder schreef ik twee stukken waarom (1 en 2). Vandaag het laatste stuk.

Een ding moet me daarbij op voorhand van het hart: ik heb niet het licht gezien. Ik heb evenmin een nieuwe set van leefregels. Natuurlijk: de mens die ik nu ben is een eind verwijderd van de mens die ik was de helft van mijn leven geleden. Dat wil niet zeggen dat ik nu beter leef, perse. Wat dat ‘eind verwijderd’ wel wil zeggen: ik heb in de loop van mijn leven – sinds ik een student was en niet meer bij mijn ouders woonde – steeds weer iets andere keuzes gemaakt. Op een gegeven moment kies je niet meer voor datgene wat je kort daarvoor nog als het mooiste beschouwde dat er te halen was in de wereld. Nou was er wel een soort van ‘klein probleem’: er is bijna niets dat mij niet boeit. In alles is wel iets interessants te vinden. De kunsten, wetenschap, menselijke interactie, taal, geschiedenis, ruimtevaart, biologie, waanzin, koken (en ik kan nog wel even doorgaan, wat ik voor nu laat): goed beschouwd boeit mij al sinds kind ‘alles’. Hongerig naar kennis, naar weten, naar redeneren, naar alles.

Dat werd met de mogelijkheden van internet niet minder. Eerder meer. Als het gaat om mijn eerste internet-ervaringen: die stammen uit de begin jaren 90. Ik was aangesteld als onderzoeker bij een universiteit en een van de voordelen van die baan was de beschikking van rudimentair internet. Gopher, Mosaic en Netscape browsers, zoekmachines als Altavista, later kwamen daar nieuwsgroepen en ICQ bij. Ik kon na mijn werkzaamheden als onderzoeker en docent uren lang in nieuwsgroepen vertoeven (groepen die met alt.* en rec.* begonnen, bijvoorbeeld). Ideeën over onderzoek en bijbehorende wetenschappelijke vragen speelden een rol, maar ook vragen over mijn hobby’s (zoals muziek) en het delen van mijn eigen kennis kreeg in die nieuwsgroepen vorm. En het moet gezegd, gratis (weliswaar toen nog met veel moeite) porno jpg’s.

Wat ik toen al besefte: wat was dat alles verslavend! Voor een mens als ik – met een homo-universalis-mentaliteit – was die wereld van kennis en kunnen uitwisselen je reinste hemel. Daar wilde ik steeds zijn. Maar het had een keerzijde: ik werd er op een gegeven moe van. Ik kon niet meer stoppen. Later werd me duidelijk dat die vele kennisbronnen, al die websites, verslavend werkten bij mij. Drugs voor de breedgeoriënteerde en diepgeïnteresseerde begaafde die ik ben. In diezelfde tijd, en dat begon al in de jaren 80, kon ik spelletjes als Arkanoid en Tetris niet uitzetten. Zelfs als ik een tentamen had de volgende dag, was ik in staat om tot het ochtendgloren te spelen. Met vierkante ogen zat ik vervolgens het tentamen te maken. En te halen.

Er zat en zit iets in de games en het vroege internet dat ik nu doping noem. Dat iets zorgde voor stofjes in het hoofd. Stofjes die het verlangen naar meer vergrootten. Een beloningsgevoel, terwijl je geen inspanning had geleverd of hoefde te leveren. Internet voelde als een beloning. Het vinden van kennis en informatie zonder veel beperkingen en zonder veel inspanning (zoals naar de bibliotheek of boekhandel gaan voor een boek en dat dan openslaan) voelde als een bevrijding en ook een beloning.

Ruim tien jaar geleden kwamen nieuwe mogelijkheden op internet. Mensen konden communiceren (…) met anderen via zogenaamde ‘sociale media’. Ik schrijf ‘zogenaamde’ want communiceren is niet wat er gebeurt. Wat opvalt is dat bij deze ‘sociale media’ het model van zender-boodschap-ontvanger-medium-ruis-feedback-context volledig is losgelaten. Het is zenden en meer niet. De boodschap is niet relevant, en die mag zelfs onzin, fake, domheid zijn. Feedback op deze media wordt alleen gegeven als je elkaar een veer in de reet kunt steken of om een andere neer te halen. Niet om de zender een betere zender te maken of de boodschap duidelijker. Ruis is er niet meer, waardoor alles heel zuiver lijkt, maar dat verre van is. En context, ach, die is niet nodig in de Digital Galaxy, dat is iets van ver voor Facebook en Instagram.

In mijn ogen en naar de mening van veel anderen is het nog erger gesteld. Sociale media zijn er vooral om te zenden. Om aandacht te krijgen, ongeacht de boodschap. Sociale media zijn de grote queeste voor bevestiging van iemands bestaan. Fifteen minutes of fame uitgesmeerd over de secondes dat iemand online is.

Recentelijk hebben diverse mensen uitspraken gedaan over sociale media. Wat er mis mee is. Niet zozeer vanuit Russische inmenging in de westerse politiek, de verkoop van big data aan de hoogstbiedende, het plaatsen van nepnieuws, of vergelijkbare kwesties. Nee, over de invloed op de psyche en de sociale coherentie van de menselijke soort. In de volgende quotes (zie ook hier en hier voor de bijbehorende artikelen) over social media staat wat mij stoort aan sociale media:

“The short-term, dopamine-driven feedback loops we’ve created are destroying how society works.”

“[Social media] hook customer engagement through regular dopamine spurts.”

Vluchtigheid. Verslaving. Zintuigarme beleving van een werkelijkheid die geen werkelijkheid is, maar alleen op een scherm te zien is en die zonder smaak en geur is.

Het was een lange weg van mijn eerste schreden op internet tot de zogenaamde sociale media, maar die sociale media zijn niet meer dan de McDonaldisering van sociale relaties. Ik heb dan ook met een aangenaam gevoel afscheid genomen van met name Facebook en Instagram. Hoe dat voelt? Heerlijk. Soms zelfs opluchting. Ik heb die wereld van likes niet nodig.

Wat ik wel wil en heb: terug in het nu, het hier, bij echte vrienden, in de tastbare werkelijkheid.

Ver weg van de asociale media.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Toen ik van de sociale media vertrok 2

Ik heb dus een emotionele reden voor mijn aanstaande vertrek van Facebook. Maar er is meer. Vandaag deel 2.

Toen ik nadacht over het verlaten van sociale media (want ik vertrek niet alleen van Facebook), was er nog een setje zeer belangrijke redenen om te vertrekken. Die is deels te vinden in gebruik van data door grote bedrijven, en deels in het feit dat veel van de sociale media en de bedrijven die in relatie staan tot die sociale media – waaronder banken, verzekeraars en meer – nog veel te nonchalant om gaan met gegevens, maar ook met de beveiliging van data. Het moeilijke daarbij is: het valt zo slecht te controleren. Het is niet tastbaar, en het zit ook op zoveel plekken. Het is geen organisch verhaal.

Ik kreeg de afgelopen twee, drie jaar het gevoel dat zich op een bepaalde wijze de industrialisatie va de 19e eeuw zich herhaalde. Hoe? Destijds, 200 jaar geleden, kwam veel goederen beschikbaar voor veel mensen, voor veel mensen kwamen die goederen opeens beschikbaar omdat de productiekosten en daarmee de verkoopprijzen omlaag gingen, de kwaliteit ging er (hoewel slechts tijdelijk) op vooruit omdat gebruik werd gemaakt van standaardproductieprocessen. Maar elke menselijke activiteit gaat niet zonder zwarte bladzijden. Industrialisatie ging gepaard met vervuiling, kinderarbeid, eenheidsworst.

Mijn punt: elke menselijke ontwikkeling, elke menselijke vooruitgang gaat samen met tegenstellingen. En: bij elke van deze vooruitgangen werden de positieve kanten eerst benadrukt. Pas later, veel later, kwamen de schaduwzijdes aan de beurt.

Met de digitalisering is het niet anders. Het heeft vele mooie kanten. In deze digitale tijd kunnen we processen automatiseren. Zeker bij herhalend en geestdodend werk is dat fijn. Nog iets fijns: we kunnen ons werk opslaan (van creatieve tot wetenschappelijke uitingen, van handel tot productie, in feite kan alles worden bewaard op geheugens). We kunnen berekeningen uitvoeren die voorheen zo goed als ondenkbaar waren.

In al die zaken zit een zwarte kant. Want die zwarte kant is er. Bij sociale media zijn allerlei processen automatisch: wat je krijgt voorgeschoteld aan advertenties, welke muziek interessant zou kunnen zijn, tips wat je wilt zien qua films of eten bij een restaurant: dat komt allemaal voort uit algoritmes. Herhaling van wat een systeem al weet. Ik wil dat niet. Ik wil nieuwe gerechten, muziek, films, of wat dan ook ontdekken. En die ontdek ik door andere mensen. Het tweede: alles wat we doen op sociale media wordt bewaard. Je goede kant, je kwade kant. Die kunnen en zullen worden gebruikt. Voor of tegen je. Tot slot: van alles wat je doet op de sociale media worden berekeningen gemaakt. En daar kan aan verdiend worden: Want: Big Data means Big Business. Wie een zoekopdracht op internet doet (en niet alleen met Google: gebruik voor de verandering eens Duckduckgo…), zal al gauw de voor- en nadelen zien opgesomd. Oordeel zelf of je problemen hebt met de nadelen, of alleen de voordelen ziet en gelooft. Een van de grootste nadelen zit in de nauwelijks controleerbare en vaak ongecontroleerde verbanden tussen sociale media en grote bedrijven, vooral wanneer het om financiën (zoals creditcards), gezondheid, verzekeringen en andere voor mij belangrijke en niet deelbare informatie gaat.

Besef tegelijkertijd ook: veel van wat we doen op de sociale media lijkt gratis. Weet ook: gratis bestaat niet in de wereld van het kapitalisme. Je betaalt vaak op de een of andere wijze voor je diensten of goederen, en vaak meer dan de goederen in feite kosten. Commissie voor tussenhandelaren, reclame en marketingkosten, managerskosten, en ga zo maar door. Los nog van die kosten spelen bij de grote bedrijven aandeelhouders, winst maken, omzet, ROI, en meer een grote rol. Nogmaals: Big Data means Big Business.

Ik heb geen behoefte om die wijze van denken te sponsoren. Niet omdat ik tegen kapitalisme ben, maar omdat ik voor andere digitale denkwijzen ben. Voorbeeld: open source software.

To the point: ik heb keuzes gemaakt die mijn digitale leven zullen inperken. Weg van de sociale media is een van de keuzes. Wat ik online doe en hoe ik dat doe is daardoor veel minder doorzichtig voor buitenstaanders die geld verdienen aan mijn online zijn, en veel doorzichtiger voor mijzelf. Wat ik verder nog heb ondernomen, kun je me vragen, dat ga ik hier en nu niet uit de boeken doen.

Natuurlijk ben ik weer niet zo naïef te denken dat ik onvindbaar ben geworden. Dat zou wel heel erg naïef zijn. Wat wel het geval is: als je minder vaak op internet bent, ben je sowieso minder zichtbaar. Dus buiten het vertrek van de sociale media ben ik überhaupt minder online. Meer offline. De natuur in, mensen zien, een boek lezen, muziek maken met vrienden.

“Kom mee naar buiten allemaal…”

© Rick Ruhland 2018

Toen ik van de sociale media vertrok: Deel 1

 

Een paar weken geleden besloot een Nederlandse televisiemaker een oproep te doen. Hij stelde voor dat we allemaal van Facebook zouden weggaan. Zijn oproep was onder de noemer Bye bye Facebook. Als ik het goed heb, hebben zo’n 12.000 mensen gehoor gegeven aan zijn oproep: zij zijn van het sociale medium vertrokken. Zij zijn de televisiemaker gevolgd.

Ik ben niet geneigd te volgen. Omdat iemand zegt dat ik iets moet doen, is geen reden om juist dat wel te doen. Wat ook de argumenten zijn, het simpele feit dat iemand, met welke autoriteit ook, gaat roepen dat mensen met hem mee moeten doen, gruwelt mij aan.

Dat heeft er ook mee te maken dat ik zelf kan beslissen wat ik ga doen. Dat ik mij daarbij van argumenten en redeneringen bedien, is essentieel. Niet uit emotionele overwegingen een beslissing nemen, hoewel dat wel een onderdeel van mag zijn. Heus, als je emotioneel genoeg hebt van het leven voor een scherm, dan ga. Ga de wijde wereld in.

En eigenlijk is dat het eerste “argument”: ik vind de sociale media helemaal niet bijdragen aan een wereld waarin we meer contact hebben. Contact hebben is meer dan een plat scherm. Je gebruikt maar twee zintuigen als je “communiceert” via een toetsenbord en een scherm. De ander voelen, of ruiken, en misschien zelfs proeven kan niet, laat staan dat al de overige vijftien zintuigen meedoen.

Meer en meer merk ik dat Facebook (of Instagram) een plek is om te zenden. Ik plaats er links naar mijn weblog en naar mijn tweets, en nauwelijks meer dan dat. Ik like nauwelijks nog. Slechts in beperkte mate komt er iets van uitwisseling op gang of tot stand. Ik heb geen behoefte meer om te communiceren met anderen mensen daar. Een deel ken ik niet eens in het echt, dus face to face.

Facebook is een zo goed als leeg platform. Elke dag rijden er treinen langs, en als er een stopt, dan denk ik: ik wil die kant niet op.

Dus als Facebook vooral een zendplek is voor mij en nog maar zelden een informatieplek, zoals Twitter dat wel is, of een ontmoetingsplek zoals het echte leven, als ik de meeste tijd kijk naar filmpjes of foto’s die me nauwelijks interesseren, dan heb ik er niets meer te zoeken. Waar ik vroeger nog belde met een vriend of bij hem of haar langs ging, is veel van dat deel van mijn leven een digitale verplatting geworden. Ik merk dat ik terug wil naar fysieke ontmoetingen. Ik wil weer de gesprekken aangaan die er toe doen. Ik hoef daarbij niet geliket te worden, ik wil een ander niet hoeven liken. Ik wil uitwisselen, genieten. De confrontatie met leven an anderen aangaan.

Nog steeds vind ik het fijn als ik iemand op afstand kan bereiken. Dat kan ook: email, telefoon.

Eigenlijk is het hele Facebookgebeuren samen te vatten in niet meer dan likes. Daar zit ik niet meer op te wachten: noch het geven van, noch het krijgen van duimpjes. Egostreling van het McDonaldsniveau. Aandacht van het niveau ‘hamburger op een klef broodje’. Plat, smakeloos, snel. Hapsnap.

Ik wil slow food. Met een goed gesprek. Met muziek.

Ik wil contact. Facebook is dat niet meer. Als het dat ooit al wel is geweest.

Maar er is meer reden om weg te gaan bij dit platform. Vandaar:

Wordt vervolgd…

© Rick Ruhland 2018

PS En nu naar buiten, waar de vogels fluiten. Dudeljoho.

De interniches van het web

Veel mensen zijn op internet of op tv om de aandacht. Verschrikkelijk. De meesten hebben zo goed als niets te melden. Sterker, ze zouden zich de ogen uit de kop moeten schamen om hun galactische leegheid (nee, niet domheid, want ze weten het wel voor elkaar te krijgen alle aandacht te krijgen en daar moet je enige slimheid voor hebben).
Ik weet ook wel waarmee je aandacht krijgt. Als het gaat om bloggen en vloggen, die kant van het internet waar je hobbyisten in grote getale hun – voor hun belangrijke – bezigheden uitgebreid aan de man proberen te brengen als ware het handelswaar die niemand nodig heeft behalve zij die ook die hobby hebben, dan heeft het internet een aantal mogelijkheden tot succes. Tot scoren. Denk aan sex, recepten, muziek, yoga en sport (en op darknet drugs, wapens, niet gangbare porno en andere minder gangbare zaken).

Let wel, ik gebruik van die scorende thema’s ook het een en ander. Ik zoek recepten voor gerechten uit Japan en Sechuan, ik geniet van artikelen over muziek (van folk tot rock en klassiek en van jazz tot dance), ik vind er yoga-oefeningen zodat ik zonder een yoga-meester kan (de fysieke inspanning om meditatief je sores van je geest los te weken en die te laten oplossen in een oceaan van lege gedachten; doe de zonnegroet, de Surya Namaskar, 10 x en je bent even helemaal los van de wereld) en sport, ach sport is er maar een en dat is basketbal: pure schoonheid en inspanning.

Wat minder goed, matig of zelfs slecht scoort zijn wetenschap, onbekende sporten (maar die kunnen zomaar hip worden zoals teenworstelen), cursussen zoals ‘Hoe kan ik in tien dagen…’ (misschien dat ik een blog begin over ‘Beginnen met roken in 10 dagen), taal leren (aanrader: het Ostjaaks, hoewel geen makkelijke taal door de vele verschillende uitspraak van de L) , paranormale numerologie, shampoo en andere toiletartikelen voor je schildpad, een doorlopende verzekering voor je theedoeken, en ga zo door (inspiratie is op te doen op internet).

Ik ben liever bezig in een niche. Daar waar je nog een individu bent. Waar je iets zinnigs zegt over een prachtig iets als een zo goed als onbekende componist, afwijkende geologische structuren zoals op Sardinië, gek dieren zoals de poedelmot, de wiskundige wetmatigheden van Escher en Bach, verschillende bagpipes in Schotland, afwijkende humor, de mascottes van Japan, bassisten in de rock en pop, alle composities van Bach, en zo kan ik nog jaren doorgaan.

Ik ga waarschijnlijk over al die onderwerpen nog schrijven. Omdat die boeien. Omdat ze meer aandacht verdienen. Omdat het massale herhaling is. Omdat herhaling ons in de grot van de prehistorie houdt.

© Rick Ruhland 2018

Groepsdynamica van robots

Robots worden vaak bezien vanuit hun nut voor de mens, en hun interactie met mensen. Daarbij moeten ze vooral voldoen aan zogenaamde wetten en uitgangspunten, ooit geformuleerd (en hier terug gebracht tot één uitgangspunt) als de mens is uitgangspunt van de interactie en die mag geen schade van een robot ondervinden.

In deze eeuw heeft de mens, meer dan voorheen, volop in interactie met robots. Een robot is, simpel gesteld, een apparaat dat met een zekere intelligentie voorwerpen kan hanteren. Even los van de fysieke vorm van zo’n robot (een vorm die vaak iets menselijks heeft) is een robot tot nu toe vooral een hulp. Dat is aan het veranderen, zoals robots in de industrie en zorg laten zien. Steeds vaker beslissen robots in situaties wat moet gebeuren.

Een interessante vraag is mijn inziens die volgende, en dat is een vraag die ik vorige week tijdens een van mijn filosofische wandelingen met een vriend doornam: hoe kijken we aan tegen robots die beslissingen (mogen of zelfs moeten) nemen? En wat als die beslissing een ethische moet zijn? Hoe zit het morele dilemma’s, empathie, goedertierenheid: moeten die niet een onderdeel van robots worden? En ook: hoe we krijgen we die ‘karaktertrekken van de mens’ in een robot ingebouwd, en moet dat wel?

Ik hoef geen discussie over wat die moraal en wat die ethische dilemma’s überhaupt zijn. Een robot, als entiteit (of individu, zo je wilt), moet voldoen aan de eis dat ze mensen dienen, of in ieder geval niet schaden. Ik zeg niet dat dat zo moet zijn, dat een robot alleen maar bestaat om de mens te dienen, maar het is een uitgangspunt. Die robots dienen moet veilig zijn.

Willen we dan dat een robot empatisch, inlevend, goedertierend is, en morele en ethische dilemma’s de juiste beslissing(en) neemt? Dat zou heel mooi zijn, als dat lukt. Ik denk dat het goed is als een robot dat doet: in dienst staan van de mens en daarbij de mens niet schaden.

Nou is het wel zo dat de mens heel goed is in ‘het *niet* in dienst staan van anderen’ en ‘andere mensen *wel* schaden’. Feit is dat de mens in veel situaties niet altijd de juiste beslissing neemt. De mens behoedt een ander mens niet altijd voor onheil. De tweede wereldoorlog en andere genocides zijn daar voorbeelden van. Niet alleen de mens alleen is slecht in staat om onheil tegen te gaan: in groepen wordt het zo mogelijk nog erger. Groepsgedrag (zie ook experimenten zoals die van Millgram en Asch) is een eigenschap van sociale interactie die niet zelden mooie gevolgen heeft, maar net zo vaak tot slechte en zelfs gevaarlijke situaties leidt.

Maar het gaat nu even niet om mensen. Het gaat over robots. Voortbordurend op de gedachtegang over robots en robots in groepen: ik zie dat in discussies over robots en het gedrag dat robots moeten vertonen, iets over het hoofd wordt gezien. Namelijk groepsgedrag van robots. Mijn vraag: moet je het gedrag van een robot niet alleen beoordelen op regels die de individuele robot moet volgen in zijn omgang met de mens, maar ook dat robots regels voor samenwerking (groepsgedrag) moet volgen?

Voorbeeld (dit voorbeeld is een aangepaste versie van een voorbeeld uit een artikel in de wetenschapsbijlage van de NRC van 4 november 2017; dat artikel met de titel ‘Robots die raad weten met morele dilemma’s’ was het startpunt van mijn verhaal hier): als een mens door een straat loopt, en een robot ziet dat een mens gevaar loopt als hij door loopt (bijvoorbeeld vanwege een gat in de grond), dan moet een robot ingrijpen. Als hij twee mensen ziet die allebei gevaar lopen, dan kan hij misschien maar een mens redden. Daar moet dus een afweging gemaakt worden, als de robot dat gevaar ziet, en hopelijk wordt een van de mensen gered. Wat nu als er meerdere robots zijn (en die zullen in de toekomst vaak samen zijn)? Hoe moeten die handelen en zitten die elkaar misschien niet in de weg?

Mijn punt is nu: je moet niet alleen regels opstellen voor robots wat ze moeten doen, niet alleen moeten robots beslissingen nemen die voor de mens (en liefst ook voor de robot), maar het samenwerken van meerdere robots moet niet leiden tot juist meer ellende. Want wat bij mensen duidelijk wordt: zodra individuen groepen worden, ontstaat veel goeds, maar niet zelden en verrassend genoeg heel vaak ook heel veel slechts. Hoe zit dat met robots? Misschien nog een graadje erger zolang robots geen bewustzijn hebben, zolang ze nog niet redeneren over hun eigen handelen en het handelen van soortgenoten.

We hebben daarom een groepsdynamica van robots nodig. Om robothandelingen tot een hoger niveau te brengen. Om te voorkomen dat robots samen niet tot meer ellende leidt. Maar hoe krijgen we dat voor elkaar? De mens is in een groep niet in staat om goed te doen. Zie eens hoe iemand mishandeld wordt op straat, hoe iemand bedreigend is, en dat omstanders dan niets doen.

Dat mag niet gebeuren bij een robot.

Groepsdynamica van robots is een nog onvoldoende vakgebied, dat we hard nodig hebben.

© Rick Ruhland 2017

Facebook in real life

I admit. I am not a big fan of social media. I am a fan of my own blog, but that’s because I need to express and share my thoughts, my insights, my experiences. I do (or better: did) that on other media as well, but right here I have full control over what I want to say, how I want to say it. No restrictions. No daily chichatshit.

Till 2013, I had a Facebook account with my own name. I killed the account. I didn’t want to update on my life through Facebook, of Farcebook as I – most of the time – call this social media service (although I hesitate to use the term ‘service’), anymore. I wanted to see friends and other people, smell them, hear them, even touch them, and sometime even taste them. Facebook and other social media are just something extra. Real life is happening while you’re writing nonsense on the internet.

I am on Facebook though. I write stuff on the Facebook wall. I post my blog post there. I use Farcebook to inform people when we are on stage with my band. I try to connect to people I know and I don’t know. I use an alias, a pseudonym, a nickname, an alter ego. Because it’s not me on Facebook, but a part of me, or maybe it’s not even me, I don’t really care what Facebook is. If it really is. Put differently, facebook is not reality.

Okay, that was a long intro to post this video.

(c) Rick Ruhland 2015

Tablets, phablets, phones en kids

Als vader heb ik een opvoedopdracht. Die opdracht is voor mij: een set van waarden en vaardigheden meegeven aan mijn zoon. Die set bevat onder andere ook kennis en zelfvertrouwen. Daarnaast wil ik ook dat mijn kind zijn mogelijkheden gebruikt (wat die ook zijn).

Wat gaat helpen bij zijn leven, denk ik, is dat hij de wereld kent. Het helpt mij in ieder geval te overleven, om het maar eens zwaar aan te zetten. Overleven is meer dan kunnen eten, slapen, urineren en poepen. Overleven is ook iets dat met het kennen en kunnen gebruiken van apparaten (los nog van het kennen van wetenschap, kunst, muziek, literatuur, etc.).

Wat ik goed besef is dat kinderen van de basisschool nu veel meer apparaten hebben dan toen ik op de lagere school zat. Toen was het tv, radio en het gasfornuis. Misschien dat mijn moeder nog een Carmen krulset en een haardroger had. Maar dat was het dan wel.

Nu: computers, tablets, smartphones, zingende magnetrons, muziek makende wasmachines, nu ook al met de telefoon aan te sturen licht en verwarming, auto’s en horloges met computers. Ik ben opgegroeid met die toenemende hoeveelheid computers, die geleidelijk in mijn leven kwamen. Ik ken dus ook de ontwikkeling van die apparaten. Eerst een commodore 64 (met cassettebandje en eigen programmeerregels), toen een dos-machine (met WordPerfect 4,2), toen computers met windows (in 1992 zat ik op internet; dat had mijn universiteit toen al, met een snelle verbinding; thuis belde ik nog in…), toen breedband en internet, etc etc.

Kinderen van nu krijgen die apparaten en de mogelijkheden die internet in de schoot geworpen. Ik zie aan mijn zoon dat hij er vanaf jonge leeftijd al mee om kan gaan. We hebben hier al van voor zijn geboorte tablets en smartphones met touchscreens. Sinds hij de fijne vingermotoriek een beetje onder de knie heeft, speelt hij met die ‘touchscreens’. Ja, dat mag van ons, en graag zelfs. Leren omgaan met computers en dergelijke is goed; computers zijn een belangrijk onderdeel van heden en toekomst.

Wat nou buitengewoon eigenaardig is, is dat een groep ouders en zogenaamde pedagogen angsten ontwikkelt. Bij zichzelf. Die angsten hebben te maken met het idee dat het kind niet meer zonder die touchscreenapparaten kan. Niet verwonderlijk; ouders die aan tafel, op vakantie, in de auto zo’n scherm toestaan. En zelf ook om de haverklap op een schermpje kijken. Onrust, geen aandacht , etc. Dat gedrag van een ouder kopieert een kind maar al te makkelijk.

Ik ken die angst niet. Ik ben ook niet constant online. Wij lezen een boek hier in huis. Spelen met Lego (ja, ik ook). Ik zie vaak dat mijn zoon een half tot een uur op de iPad kijkt (spelletjes als Osmo, Gesundheit, Toca Boca, Windosill of filmpjes van Chuggington, Fireman Sam, of een film van studio Ghibli), en dat hij dan wil spelen. Met Lego, buiten, met de trein. Of dat hij creatief wil zijn: tekenen, knutselen, zingen. Of dat we samen iets doen: een boek lezen of gewoon kletsen over hoe school was.

En als dan toch met de iPad spelen, dan kort. Vaak doet de iPad hier een huis dienst als fantastisch naslawerk. Om een voorbeeld van een dier, plant, voorwerp etc. erbij te zoeken. Om iets uit te leggen, dus als verlengstuk van mijn kennis. Om filmpjes of foto’s erbij te pakken. Dus als ik wat vertel, dan gebruik ik een computer (tablet, smartphone) om een relatie met werkelijkheid (of het ontbreken van die relatie) te leggen.

Nog een fout die ik vaak gemaakt zie worden: geen beperkingen op het gebruik opleggen. Zo hadden we een tijdje een racespel op de iPad, dat mijn zoon graag speelde. Van dat spel werd hij helemaal hyper. Dat spel ging er linea recta weer vanaf. Waarmee ik maar wil zeggen: je hebt als ouder je verantwoordelijkheid te nemen, en dus van tijd tot tijd in te grijpen in de opvoeding van je kind (iets wat ik te veel ouders te vaak niet zie doen, overigens, maar dit geheel terzijde en toch on topic.). Ook als het gaat om computers. Een kind dat constant voor de tv zit, achter een computer of alles mag eten wat het maar wil (om maar eens drie voorbeelden te geven) wordt geen prettig, zelfstandig, nadenkend, genietend mens.

Want is dat niet de kern van opvoeden? Aangeven waar de grenzen liggen. Dus niet: een barbie met een webcam in de ogen die constant met blue tooth en internet contact leggen. Niet alleen omdat mijn zoon niet veel met knuffels heeft, maar omdat nut en noodzaak en vermaak hier zoek zijn. Een touchscreen apparaat mag best speelgoed zijn. Een puzzel doen, een spelletjes spelen, een filmpje kijken. Maar kijk mee. Leg uit, leg contact. Verbied of beperk (als verbieden niet in je woordenboek voorkomt) wat tegen je eigen maatstaf ingaat.

Te vaak leggen ouders de verantwoordelijkheid niet bij zichzelf. Dan is het touchscreen degene die zaken moet oplossen, die tijd moet nemen voor het kind. Het is die gemakzucht, vermengd met een zekere digivrees of onbekendheid, die maakt dat kinderen, nee, juist de ouders met de tablet en smartphone worstelen. Terwijl dat nergens goed of nodig voor is.

© Rick Ruhland 2015

Het einde van Facebook

Ik heb een jaar geleden besloten het boek van de gezichten, farcebook, te sluiten. Niet alleen vond (en vind) ik dat die website het contact tussen mensen vermindert, ik voelde ook een fysieke misselijkheid als ik weer iets postte op farcebook. Alsof ik een bericht stortte in het absolute niets. In een vacuüm van een digitaal zwart gat. Er is niets sociaals aan sociale media als farcebook. Sterker, het is de manier om geen enkele moeite meer te hoeven doen om met iemand te praten.

Je zult zien: voor we het weten delen we, als we ons nog buiten ons veilige huis wagen, kaartjes met teksten uit aan elkaar. Of laten thuis ingesproken teksten horen op onze telefoon. Als maar niet met elkaar gesproken hoeft te worden. Want dat betekent dat we echt moeten luisteren en reageren op wat een ander zegt.

Eenrichtingsverkeer op internet is prima. Ik schrijf graag op mijn blo, ik twitter. Eenrichtingsverkeer. Niks sociaals aan, hoewel af en toe lezers een bericht sturen, wat ik leuk vind, maar het is geen communicatie. Het is zenden. En wie echt wil, die schrijft iets terug. Maar het is geen communiceren.

Farcebook ging ten onder bij mij. Omdat ik het asociaal vond en vind om iemand iets te zeggen via een beeldscherm als ik verwacht dat hij of zij iets terug zegt. Kom langs en hef een glas met mij en zeg me wat je denkt. Deel me je verdriet en je geluk. Kom van dat scherm weg.

© Rick Ruhland 2014.