Waaromwoensdag: wetenschap en bellettrie

Waarom is er zoiets als wetenschappelijk onderzoek naar literatuur? Ik stel die vraag steeds vaker. Geen idee waarom dat steeds vaker is, maar het zal zijn oorzaak hebben in het feit dat literatuur en wetenschap in mijn ogen haaks op elkaar staan. Het ene, literatuur, is aangename schoonheid. Het andere, wetenschap, is cognitief nut. Beiden raken elkaar soms, maar samengaan doen ze nooit.

De vraag over wetenschap en literatuur is ook ingegeven door mijn periode aan de universiteit. Eerst als student, dan als docent en onderzoeker. Ik studeerde uiteindelijk af in de taalwetenschap, een voor literatuurbestudeerders behoorlijke abstracte en moeilijke studierichting.

Nou wil ik hier niet sec kritisch zijn op wetenschappers die er een dagtaak van maken een wetenschappelijke analyse van de bellettrie. Je moet doen wat je niet laten kunt, en als je er geld mee verdienen kunt, dan moet je dat zeker doen.

MAAR:

Toen ik een student taalwetenschap was, aan de universiteit, kreeg ik in het eerste studiejaar ook les van literatuurwetenschappers. Ik keek met grote ogen naar de methoden van deze “wetenschappers”. Wat zij stiekem deden, was hun liefde voor hun verhaal verpakken in de illusie van quasi-doorwrochte vragen met daarbij een theoretisch kader en een methodologie die hout zou moeten snijden, maar die dat op geen enkele wijze deed.

Dat, het hobbyisme van liefhebbers van literatuur dus van bellettrie, is niets anders dan genieten. Mooi. Ik geniet ook van goede verhalen die literatuur worden genoemd. Maar de aanpak die verondersteld wetenschappelijk te zijn, de bestudering van bellettrie, is dat niet. Literatuurwetenschappers (eigenlijk twee termen die onverenigbaar zijn) hebben als basis een geloof. Voor veronderstelling. Voor ‘Dit is wat ik denk en dat is mijn waarheid.’

Wetenschap is dat alles niet. Een antwoord op de vraag ‘Waarom is er zo iets als een wetenschappelijke discipline die zich stort op de bellettrie?’ is dan ook niet meer dan ‘Geen idee, maar vanuit een doortimmerd, solide, en deugdelijk geheel van vraagstellingen, methodes, analyses, en meer slaat deze discipline als een tang op een varken.’

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

Het einde van het jaar

De veer van een meeuw

Aan de jonge spruit van helmgras

Laat de wereld los

De wind blaast fijn zand

In neus en oren en ogen

Inadem leven, uitadem dood

De zee slaat met orkaankracht

Zilt neer op de tong

Water vloeit over de geest

En het schip,

Ach,

Het schip schuift huilend de haven uit

Eeuwige baren,

Nooit verlossing,

Van eiland naar eiland

 

© Rick Ruhland 2015

Genieten, genot

Ik neem mijn werk altijd serieus, in de zin dat ik goed tot perfect mijn werk probeer te doen. In mijn persoonlijke leven, echter, ben ik niet of nauwelijks serieus. Bovendien, werk is bedoeld voor geld, voor ambitie misschien, voor sociale contacten, voor het toepassen van wat geleerd is in onder andere studies en banen. Maar mijn persoonlijke leven? Dat is andere Kuchen, om het maar eens in mijn tweede moedertaal Duits te zeggen.

Voorop in het leven staat plezier en genot. Die kan samen gaan met een flinke dosis diepgang, zoals een goed gesprek over oude jazz of de betekenis van reizen op de menselijke geest. Daarom is dit weblogbericht gewijd enkel en alleen aan het grote genieten. In genot en genieten komt zo ongeveer alles terug wat maakt dat ik in leven blijf.

De meeste mensen (zelfs ik af en toe) vergeten het, maar we zijn niet in het leven om dood te gaan. Dat zal wel gebeuren, maar die zelfde meeste mensen verwarren die eventualiteit en waarschijnlijkheid als maatgevend voor het leven. Doodgaan is geen daarom om geen hedonist te zijn, om dus maar niet te genieten. U merkt het, ik heb weinig linksradicale en strengreligieuze mensen in mijn omgeving. #Mens, durf te leven! #

Dus wie leeft, zal zich toch minstens met eten bezig houden. En dat kan simpel of saai, maar ook met smaak en verrassing. Wie leeft, kan verstrooiing gebruiken, zoals muziek, films en beelden kunsten. Dat is voor mij bijna noodzaak. En wie even geen zin heeft: #Whatever gets you through the night, it’s allright!#, dus steek een verdovend rokertje op, heb seks met je lief, dans, drink een goed glas wijn of whisky. En humor dan? Ook.

En als je echt niet meer hier wilt zijn: ga reizen. Zoek andere culturen op, andere naturen, andere landen, andere gewoonten. Ik kom graag in Italië, Frankrijk, Duitsland. En Schotland, natuurlijk, maar dat is verhaal apart. Zie mijn website.

Maar in mijn naam: geniet! Van Muziek, Reizen, Films, Beeldende kunsten, Humor tot Koken & eten. Want dat maakt het leven de moeite waard, en geeft het bestaan pas echt een reden.

© Rick Ruhland 2015

DefinitieDinsdag: Duscussie

Twistgesprek waarin iemand een ander op voorhand zegt dat iets zo is als het is, niet van gedachten wisselt en de ander de een of andere waarheid zegt waaraan nooit en te nimmer getwijfeld dient te worden. Niet te verwarren met een overlergo; dat is wanneer  iemand wel met een ander praat en van gedachten wisselt, en toch de conclusie al op voorhand trekt. Een duscussie komt vaak voor in deze tijd van godsdienst- en andere waanzin, en die ook nog eens door digitale anonimiteit wordt vergroot.

© Rick Ruhland 2015