Narcis

Jaren geleden beoordeelde en veroordeelde een man mij. Hij keek naar mij toen ik hem op zocht en hij noemde mij een narcist. Die opmerking kwam aan. Ik een narcist? Iemand die zichzelf zo belangrijk vindt dat hij de wereld laat voor wat hij is en steeds weer moeten laten merken dat hij de belangrijkste persoon is? Zo zag ik mij zelf niet, maar dat zal wel eigen zijn aan narcistische mensen. Maar erger, hij gaf geen duidelijke reden. Ik was in de war, zoals ik wel vaker in de war ben. Maar waarom ik nou een narcist was?

Het zit mij nog steeds dwars dat deze man mij inschaalde in de categorie Narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ok, ik weet dat mijn hoofd niet helemaal is zoals het bij de meeste mensen wel. Dat was ook de reden dat ik bij hem was gekomen. Uit noodzaak. Ik was weer eens zo ver in de geestelijke shit gekomen dat ik gedwongen werd, door een vriendin, hulp te zoeken. Ik zat in de put. Of eigenlijk in ruimte onder de put waar je niet meer uitkomt. Omdat je niet weet wat boven, onder, links, rechts, achter, voor is. Waar het intens zwart is en alleen vervormde geluiden binnen dringen, of waar je de geluiden van je lichaam (suizen, hartslagen, gasvorming, enz. etc.) zo hard hoort dat ze je angst aanjagen. Waar de geest zijn eigen indrukken creëert. Waar je zintuigelijke waarnemingen hebt die niet echt kunnen zijn. Geuren die er niet zijn, geluiden die er niet zijn, enzovoort. Dat zei ik hem ook. Hij, een “professioneel psychiater”, leek het een en ander dat ik zei niet te begrijpen. Of hij kon het niet plaatsen. Veel psychiaters zitten vastgeketend in – en aan – hun vak met hun eigen wereldbeeld als loden bal aan hun hulpverlenersbeen. Gevangene van hun eigen overtuigingen en opgesloten in de cel van de DSM (het standaard-diagnose-boekwerk van psychiatrische hulpverleners). Ondanks hun opleiding kunnen ze een mens en zijn verhaal niet anders zien dan wat zij geloven als waar: de geesteszieke mens moet ergens in het diagnostische handboek (de DSM) passen.

Nou terug naar mij: ik zei deze psychiater dingen die ik meende, maar die hem in het diepste van zijn ziel moeten hebben geraakt.Wat ik zei? “Ik vertrouw psychiaters niet.” Ik geloof ook niet in priesters, die hetzelfde werk doen: werken voor het zieleheil. “Ik heb gezien hoe jullie mijn broer naar gene zijde hebben geholpen.” “Door jullie zorg is hij nu dood.” Dat was natuurlijk tegen het zere been waaraan die loden bal vastzat.

Nog erger, ik ben in stemmingsgestoorde periodes mijn intelligentie, creativiteit en humor niet kwijt. Die worden dan alleen maar sterker. Maar kom daarnaar eens mee aanzetten bij een psychiater. Ik heb trouwens bijna een keer – bij de hierboven geschetste hulpverlener – het grapje ‘psyche hater’ gemaakt, als woordspeling op zijn beroep. Bijna. Ik was net op tijd met die twee woorden inslikken, waarna ik een grote hoestbui kreeg.

Ik heb daarna natuurlijk eens gekeken naar de kenmerken, de symptomen, de verschijnselen die bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis horen. Volgens het handboek van psychiaters zijn dit ze, en heb ik die kenmerken ook (misschien niet allemaal, maar in ieder geval genoeg om mij een narcist te noemen). Een narcist, aldus de DSM:

(1) has a grandiose sense of self-importance (e.g., exaggerates achievements and talents, expects to be recognized as superior without commensurate achievements)
(2) is preoccupied with fantasies of unlimited success, power, brilliance, beauty, or ideal love
(3) believes that he or she is “special” and unique and can only be understood by, or should associate with, other special or high-status people (or institutions)
(4) requires excessive admiration
(5) has a sense of entitlement, i.e., unreasonable expectations of especially favorable treatment or automatic compliance with his or her expectations
(6) is interpersonally exploitative, i.e., takes advantage of others to achieve his or her own ends
(7) lacks empathy: is unwilling to recognize or identify with the feelings and needs of others
(8) is often envious of others or believes that others are envious of him or her
(9) shows arrogant, haughty behaviors or attitudes

Ik heb het gecheckt bij mijn vrienden die ik het langst ken. Ik bedoel, vrienden die ik het meest uitbuit, maar die het wel gewend zijn dat ik uit de hoogte doe. Niet dat het me ook maar iets kan schelen wat zij vinden. Zij zijn toch alleen maar jaloers op mij. En dat is meestal omdat ze niet bereikt hebben wat ik wel bereikt heb. In plaats van mij te bewonderen om mijn grandioze successen en mijn prachtige vrouw, zijn ze alleen maar op deze wereld om mijn intelligentie neer te halen. Is het dan niet verwonderlijk dat ik die gasten weinig wil zien? Nou dan.

Maar dat alles heb ik deze psychiater niet gezegd. Dat zou hij toch niet begrijpen en bovendien zou hij dan zijn gelijk krijgen. En ja, ook omdat hij en zijn beroepsgroep grosso modo geheel en al gespeend was / is van humor. En: hij moet in de gaten gehad hebben dat ik hem intellectueel en creatief superieur was.

Ik keek mezelf die avond – na de ontmoeting van deze man die zichzelf psychiater noemde maar die misschien wel patiënt was -, en alle dagen daarna, in de spiegel en zag een voorjaarsbloem. Met een prachtige trompetter als neus.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Een andere pil

Ik heb een vreemde band met de psychologie en psychiatrie. Een soort haat-liefde-verhouding, waarbij de haat vaak wint wat die is stekeliger. Dat geschreven hebbende: ik kan de twee vakgebieden ook niet terzijde schuiven als zijnde niet interessant of niet belangrijk. Ik lees veel over hersenen, over hoe ze werken en hoe het mis kan gaan, zoals bij psychische stoornissen. En ik heb een heleboel kritiek op ziens- en behandelingswijzen. De zienswijzen zijn niet zelden een soort persoonlijke of haast gelovige benadering van psychische probleem. Dat is een kant van de haatmedaille. De anderen kant is die van de psychotherapeutische behandelingen. Vele daarvan zijn nooit wetenschappelijk onderzocht op hun werking, op hun effectiviteit, op hun nadelen, etc. Veel van deze ‘behandelingen’ hebben minder nut dan een goed gesprek met een dronken man in een kroeg. Ik ben er dan ook als de kippen bij om op te merken en anderen te vertellen dat de psychiatrie een stap terug moet doen of dan toch minstens tot verbeterde behandelingsmethoden moet komen, of om te melden dat bestaande pillen niet of nauwelijks werken en dat je net zo goed een dropje kunt eten. Over dit onderwerp, de ‘psychische pillen’, werd 10 jaar geleden dit geschreven (tekst is terug te vinden op sites van o.a. Trouw, De Morgen, Nu.nl, en Nieuwsblad):

”LONDEN – Antidepressiva als Seroxat en Prozac helpen alleen zéér depressieve mensen. Ze hebben voor de meeste patiënten geen nut. Dat is de uitkomst van een recent onderzoek, meldde de Britse BBC dinsdag. ,Alhoewel patiënten beter worden als ze antidepressiva nemen, worden ze óók beter als ze een placebo slikken. Dit betekent dat depressieve mensen zonder chemische behandeling beter kunnen worden”, aldus een van de onderzoekers. De wetenschappers bekeken 47 eerder gehouden tests met de medicijnen opnieuw. Volgens een van de wetenschappers heeft de farmaceutische industrie daarvan alleen onderzoeken naar buiten gebracht die hun producten in een goed daglicht stellen. De onderzoekers wisten ook de hand te leggen op niet gepubliceerde onderzoeken dankzij de wet op vrijheid op informatie. De makers van Seroxat en Prozac hebben de ‘nieuwste’ bevindingen weersproken.”

Is er iets laat staan veel veranderd sindsdien? Nee.

Het slikken van deze pillen is mij een doorn in het oog. Okee, ik vind het natuurlijk prima als mensen er uit de grootste ellende komen, waardoor ze eindelijk aan een goede vervolgbehandeling toe komen. Maar deze pillen zijn geen pretpillen, geen geluksbrengers. Ze zijn meestal rotzooi gezien de vele bijwerkingen. Bovendien weten (klinische) onderzoekers vaak niet eens wat de pillen doen. En de meeste mensen hebben er niets aan.

Ik weet het, het bericht staat niet op zichzelf, eerdere en latere onderzoeken laten dezelfde waarheid zien, maar steeds weer zal het psychofarmaterrorisme van zich af slaan, en het tegendeel beweren. Het schofterige daaraan is: mensen die in de geestelijke shit zitten, hebben weinig te willen en zullen elke – ook valse – belofte omarmen om uit de ellende te komen. Grote bedrijven maken pillen die weinig meer doen dan een placebo-effect oproepen, maar die ondertussen – anders dan een placebo-pil – ook nog eens een reeks aan bijwerkingen hebben. En geen kinderachtige bijwerkingen. Ze verdienen bakken met geld. En dat terwijl alle studies waarin een gebrek aan effect van bijv. antidepressiva niet worden gemeld, in ieder geval niet door die bedrijven die antidepressiva, antipsychotica en andere medicijnen tegen psychische problemen maken.

Ik roep alle artsen op meer placebo’s voor te schrijven bij lichte depressies. Niet om de farmaceutische industrie om zeep te helpen, wat an sich ook mooi zou zijn, maar om meer respect voor mensen met psychische problemen en om hen voor nog meer ellende te behoeden.

© Rick Ruhland 2018

Notes regarding my blog

This winter and early spring, I posted dozens and dozens of texts on my blog. Not all good, sometimes even very bad. But I had to. My brain, my mind, my spirit if you will, was in a manic phase. My mood had to go, and I had to follow. I knew it myself, and there was nothing I could do about it (except for pills and shrinks, both no option in my life; contact me if you want to know why). There is no choice, no option in a manic period: I was at the mercy of my mind.

With regard to this blog: I posted on a lot of subjects, with no direction, no bigger idea, no whatsoever.

SInce Japan, the manic mood swings have been replaced by something similar sinister: the opposite of manic moods. It’s not that bad this time, I seem to have some energy to makes long walks through the countryside, to write stories and work on my novel, to make music with my formidable band, and occasionally I can even stand other people. But the energy is fading, sleep is becoming an issue again, smoking and drinking are on the increase, and there’s more shit happening.

Anyway, I am still here and I decided to post less frequent, more substantial. Longer texts, maybe specific weekdays for specific subjects, no hurry, because, well, in this given situation time is not a factor. That means: the concept of time is for a bipolar person like me meaningless. I can still read time on computer or clock, but time beyond today is a tricky concept. Even worse: I do not know how to handle time.

So, if you are following my blog, do not worry. I am sort of okay. I am familiar with my mood swings, my bipolarism, and have been with those periods of ‘moodism’ for over 30 years. I managed to stay alive. Somehow. I have help from wife, family and friends.

And I will post, less often though, stories (fiction) and thoughts (facts). Maybe even start organising my posts: certain posts on certain weekdays (like the photo’s on Friday).

I don’t know how things will turn out, blogwise. However, I know I had to write this post to get this of my chest.

© Rick Ruhland 2018

Mijn eerste keer: visioen

Het klinkt middeleeuws. Het woord visioen. Maar dat is het om de drommel niet. Het is een levend verschijnsel. Helaas, zo is mijn overtuiging, heeft visioen vooral een betekenis in religieuze contexten. Daar betekent visioen zoiets als een droombeeld of verschijning hebben die ervaren wordt als bovennatuurlijk of mystiek. Aan die beelden wordt vaak ook een voorspellend vermogen toegeschreven. Dat zal wel zo zijn, maar ook gewone mensen als ik hebben visioenen.

Ik ben niet monotheïstisch religieus, ik ben geen overtuigd aanhanger van een leven na de dood, ik denk niet dat er een hemel is, en zo kan ik nog wel even door gaan. Als ik al een geloof aanhang, dan is het een geloof in mensen. In menselijkheid. In mijn dagelijkse doen en laten ben ik misschien een beginnend boeddhist, of een agnosticus. Ik kom vaak niet verder dan ‘Ik weet het niet’.

Wat ik wel weet is wanneer ik mijn eerste visioen had. Ik was student, en op een windstille zondagmiddag zat ik in de leren stoel in mijn studentenkamertje en keek naar buiten. Ik voelde opeens dat ik uit mijn stoel opstond zonder dat ik opstond. Toen ik dat besefte, klommen mijn lichaam en geest terug zijn mijn lijf. En toen gebeurde het: ik was terug in mijn lichaam en zag toen een andere werkelijkheid. Ik zag mezelf en onbekende mensen die in een ruimte waren waar zij spraken over onderwerpen die ik niet snapte. Nog niet snapte, moet ik zeggen, want ruim zeven jaar later had ik een déjà vu van wereldformaat. Ik was werkelijk in die ruimte die ik in mijn visioen had gezien. Ik hoorde de woorden van weleer. En ik wist: in die stoel op die zondagmiddag jaren eerder heb ik een visioen gehad. Een beeld uit de toekomst. Mijn eigen toekomst.

Ik heb die visioenen vandaag de dag nog. Maar net als over tijdreizen en tijdreiziger zijn kun je beter maar niet spreken over die zaken die andere mensen niet snappen, die andere mensen afwijzen, die niet passen in het tijdsgewricht.

© Rick Ruhland 2018

A reason to write

I make music (both performing and writing bass lines to songs), I am an actor (on stage and in front of camera), I write (scientific, poetic, bloggic, novelic, and more). I am not the only one who is creative, who likes to be ‘on a stage’, but different people have different needs, especially when it comes to those creative activities. So, what reasons could one have to make music, write, act, sculpt, direct a movie?

Let me stick to writing. For some people, writing is a way to become famous. Write poetry, a novel, essays, and people will know who you are. The only problem is: there are so many writers who publish. Books, blogs, literary journals, newspapers. Fame is hard to achieve. And why is that so important? Does it really make you a better person or artist? When I think about great painters, like Van Gogh, it is clear that they were not famous in their living years. He painted because that’s what Vincent wanted to do. Fame is futile. I could quote thousands about fame, I do one (since, hey, when you quote a famous philosopher, it means that you are clever yourself…):

“Wealth is like sea-water; the more we drink, the thirstier we become; and the same is true of fame.”

Schopenhauer allegedly said that. Or wrote that. Or had that in his mind.

So fame as a reason to write?

No.

Next please.

Some people want to write because they want to be rich. Earning some or a lot of money is their goal. A itsy bitsy teenie weenie insight on my behalf: becoming rich is only an option for the happy few. Those writers that sell a lot books (or other stuff that is associated with their writing). If you knew how many books are published each day, week, month, year, you probably would not consider writing one yourself. Earning a living? From writing? Good luck.

I have thought about another aspect of writing. The word is communication. Writing a book is about exchanging views, maybe to help others, to make someone happy. Is that really a reason to write? Call me a cynic, but I don’t really think that people who write want to communicate. A fraction of those writers, yes, maybe. But there’s at least one person in the world who doesn’t really care about communicating. If it happens, fine. If not, fine too.

Reason no. 4: interesting insights. Pardon my french, but that’s bull shit. Most people have no interesting insights. At. All. They’re rambling on about the sad, silly trivia of their lives. Period.

No. I have wondered ever I since started writing texts – other than those needed for school – why I write. In the beginning (when I was 11, 12) I wrote letters in German to a girl from Essen (40 years later, I still have her letters, that are written on pink paper and full of hearts and I wonder: what is she doing right now?). I started a journal many moons ago, and I still keep track of my live. I started writing my first novel in college. Since then: more novels, articles, thesis, blogs, poetry, short stories, even a play is in the making.

But why? Why do I write?

One of the writers I follow wrote a blog on art, being an artist and the (non-)importance  of pain and struggling.

I have my struggles. Probably like anyone else who wites. But that’s just a small fraction of the overall reason why I write. Actually, I don’t write because I feel pain or because I struggle.

No.

My reason to write is to get rid of those thoughts, stories, puns, and what have you. To make room for peace. And also: to make room for more stories. Which makes it kind of weird: I write to get those stories out of my head, only to fill them with new ones.

Here’s the twist: I want those new stories to be soothing. Alas, in the end most of those new stories in my head are not soothing at all. And they are so many. You loose one story, two or three or more pop up. So, I have to write more stories. Some would say: that sounds therapeutic. Well, if that’s the word, than that’s the case. It’s worse than that, Jim: it’s manic.

I do have another reason to write, though. I want to leave something behind. Something to be remembered for. Something which says: he was alive at some point in the human history. Maybe a sad reason, but that is what keeps me going.

© Rick Ruhland 2018

Misvattingen: manische depressiviteit

Ik had een lang, in zekere mate ironisch (cynisch? sarcastisch?) stuk over mijn bipolaire leven geschreven, maar uiteindelijk plaats ik dat niet. Ik vind het beter om hier een link te plaatsen naar een artikel op arstechnica.com. Dat stuk is om meerdere redenen beter dan mijn eigen verhaal. Ik vind dit stuk goed omdat de schrijver er in uitlegt dat het (bipolariteit, manisch depressie, stemmingsstoornis) niet een ‘snap out of it’-verhaal is. Dat er niet één oplossing (pillen, praten, overige methoden) is die altijd bij iedereen werkt (er is ook niet een middel voor de behandeling of genezing van kanker die bij iedereen altijd werkt). Geen One cure fits all. Dat slim zijn, of geld hebben, of een doel in het leven hebben, of een levensgenieter zijn, niet kunnen voorkomen dat deze ellende opspeelt. En zo zijn er nog veel meer redenen waarom ik dit stuk omarm. Ik laat in het midden wat die overige redenen zijn. Mocht je mijn oorspronkelijke stuk toch willen lezen, mail / chat / sms / app dan. Ik kan niet beloven dat je het dan krijgt.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 610.854

Ik lijd aan een meerderwaardigheidscomplex. Ik ben meerderwarig. Meer waard.

Ik ben superieur aan mezelf. Ik ben Alfred Adler.

Steeds als ik een strijd met mezelf aan ga, dan win ik. In de finale verliezen, en dan toch kampioen van de mensheid zijn.

Beste B., ik heb je hulp niet nodig. En hulpverlener inter pares? Wat een lachertje.

Donald

© Rick Ruhland 2018

 

Ik? Manisch?

Ik? Manisch? Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet. Echt niet.
Ik ben niet manisch. Nu niet, gisteren niet, morgen niet.
Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch. Niet manisch.

Ok, een beetje dan.

Godver, omdat jij het zo nodig moet weten. Ja, ik ben het wel.

Ok, veel. Veel manisch.

Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Soms niet, vaak wel. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch. Veel manisch.

Zucht.

Geen slaap. Niet grappig.

Irritatie. Mensen, zout op.

Geld als water stroomt door het gat in mijn hand.

Wat nou Manic Monday? Manic Tuesday, Wednesday, Thursday, Friday, Saturday, Sunday.

And Monday.

Heeft iemand drugs? Die vraag maakt me nog onrustiger.

En niemand die me snapt.

© Rick Ruhland 2018

Een gewone dag in januari

Ontbijtbord en bestek afwassen, artikel in de krant lezen, 6 minuten van Mr. Nobody kijken (niet voor het eerst), driekwart pagina aan roman 4 schrijven, bericht op Facebook plaatsen, 2 tweets de luchten insturen, 5 zinnen voor blog geschreven, een half nummer op de bas spelen. Weer 14 minuten en 23 seconden voorbij.

© Rick Ruhland 201