Keus van instrument, instrumentkeuze

Het eerste niet-ritmisch muziekinstrument (dus geen trommel of iets dergelijks, iets wat je als kind altijd kunt vinden) en dat ik leerde spelen, was een blokfluit. Voor wie dit blog leest en niet in de Nederland woonde in die tijd: in Nederland ontstond in de jaren 60 of 70 bij planners en beleidsmakers het idee dat kinderen op de basisschool blokfluit moesten leren spelen. Klein instrument, niet te duur, makkelijk te leren. Overigens, dat laatste is een grove misvatting, maar goed, die fout maken beleidsmakers altijd als ze zich met kunst gaan bezighouden. Menigeen van mijn leeftijd heeft als kind met die fluit in zijn mond gestaan.

Het instrument dat ik echt zelf wilde was een goedkope akoestische gitaar. Ik had 100 gulden gekregen van mijn Duitse overgrootvader, en ik mocht dat geld besteden zoals ik wilde. Ik kocht een gitaar met ijzeren snaren bij muziekhandel Reichenbach, wellicht de oudste muziekhandel van Nederland. Ik kreeg noch nam les. Ik leerde spelen zoals ik dacht dat het goed was: akkoorden, om zo liedjes na te kunnen spelen. En iets in mijn hoofd zei me dat gitaar spelen ook goed was om meisjes te verleiden. Ik leerde die akkoorden van een klasgenoot. Na een paar jaar oefenen speelde ik op mijn 14e in een bandje en trad ik op.

Na enkele jaren in dat bandje stapte ik over op andere instrumenten. Eerst de bas, en in mijn studententijd banjo, nog weer later ukelele. De bas werd uiteindelijk mijn thuisinstrument. Op de bas ben ik baas. Mijn allereerste bas, een goedkope Fenderkloon, was een zwarte bas. Die bas is gestolen aan het einde van mijn studie. Ik heb daarna jaren nauwelijks meer bas gespeeld. Tot ik weer de kriebels kreeg. Het blijft toch je kind. Ik heb sinds een jaar of 10 weer een bas.

Beter gezegd: ik heb sindsdien meerdere bassen. Toen ik weer begon te bassen, wilde ik eerste uitproberen of de liefde er nog was. Dat bleek zo te zijn. Ik kocht een (wederom) tweedehandse Fenderkloon. Een Squire. Ik kocht er ook een Fender-amp bij, een enorme kast. Loodzwaar. De bas had ik tot voor kort nog. Een aantal optredens mee gespeeld, zelfs een demo mee opgenomen. Geen geweldige bas qua geluid, maar wel een makkelijk te spelen bas. Dunne hals. Door de leeftijd van de bas waren de fretten niet helemaal goed meer, maar na wat afstellen bleek de bas nog goed te bespelen. De amp is ook min of meer gestolen.

Omdat ik ook graag akoestisch wil kunnen spelen, kocht ik daarna een Takamine. Grote bas, die je niet even om je hals hangt. Een zitbas. Behoorlijk werken.

Ik wilde ook graag een vijfsnarige bas uitproberen, dus kocht ik tweedehands een Ibanez Ergodyne. Door materiaal en vorm een lichtvoetige bas. Het is geen shortscale, maar voelt wel zo. Maar nee, vijfsnarig is niet mijn ding. Die lage noten verstoren vaak een nummer. Ik zou alleen wel eens een lage D willen spelen. Dus 1, 2 weg ermee: verkocht.

De bas waarop ik nu live speel is overduidelijk de mooiste qua sound, qua uiterlijk en qua spelen. Die voelt ongehoord prettig aan. Ik voel de bas niet eens als ik speel. Het is een verlengstuk van mijn lichaam. Het is een Fender Urge II (Stu Hamm). 3 pick-ups, zowel jazz als precision. Warm geluid, vol ook.

Ik heb nog wel een wens, qua bas. Ik heb een paar jaar geleden gespeeld op een Ernie Ball Musicman Stingray. Wat een beest van een geluid. Powerbas.

Maar uiteindelijk is elke bas goed, zolang ik er mee uit de voeten kan. Dat betekent vooral dat een bas mijn vriend wordt. Een vriend waar mee te werken valt.

Over amps en pedalen een andere keer meer.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Bach-Werke-Verzeichnis 7: Christ unser Herr zum Jordan kam

Deze cantate is voor St. Jansdag, feestdag van Johannes de doper, op 24 juni en is geschreven in 1724. Bach houdt het thema dicht bij Johannes de Doper die vaak mensen (ook Christus, naar het schijnt) doopte in de Jordaan. Wat ik bij de overige cantates niet noteer (ook omdat ik het niet zo heel relevant vind: het draait mij om de muziek en de uitvoering daarvan), is dat de opvoering van de cantates in Bachs tijd ook gepaard ging met het lezen uit de Bijbel. Zie de site www.bach-cantatas.com voor meer informatie. Zie ook beneden voor sites over deze cantate.

De eerste opname die ik goed beluisterd heb, is die van Gardiner (Spotify; in twee delen te vinden op YouTube; hier is deel 1 en hier deel 2). Ik kan er niet echt chocola van maken. Spel van musici is goed, maar wel wat traag, zo lijkt het. Koor is mooi door de unisono gedeeltes en tevens, in andere delen, door de stratificatie van de stemmen (van bassen tot sopranen). Ligt ook aan de compositie, dat spreekt voor zich, maar Gardiner c.s. maken er zeker iets moois van, maar niet alles van deze uitvoering is aan mij besteed.

Ton Koopman en het Amsterdam Baroque Koor (Spotify; op youtube te zien als deel van drie cantates; de cantate Christ unser Herr begint bij 25.17). Het koor is niet geheel in balans, voor mijn oor. De bas (ik meen Klaus Mertens) hoort prettig, kalmerend. Of is dat omdat het koor in de openingskoraal niet in balans is, waardoor de aria meer opvalt, in de beste zin van het woord?

Bach Collegium Japan (gehoord op Spotify). Sneller dan Gardiner, maar de noten vallen te veel op hun plek. Dat klinkt te netjes te aangeharkt, te ‘technisch netjes’ (als dat de juiste woorden zijn). Teveel noten die niet leven.

De uitvoering van de Stuttgarter Kantorei en de Stiftsbarock Stuttgart onder leiding van Kay Johannsen is niet slecht, maar ik vind na de snelle opening geen rust. Wordt het stuk te snel gespeeld? De noten jagen mij iets te veel. Nog een reden waarom ik niet geniet: een veel te groot koor. Ik heb in de loop van mijn leven een zekere antipathie tegen grote koren opgebouwd. In de jaren 70 kwamen de Fischer-chöre (o.a. bij het WK voetbal in 1974) veel op televisie. Alsof iedereen maar kan zingen. Nee. Ik zeker niet, al zou ik in zo’n enorm koor wegvallen en het idee hebben dat dat ik best mee kan doen. De bas (in het tweede deel, de aria) is ook zonder echte beleving. Deze opname is geen winnaar derhalve.

Gustav Leonhardt. Oude opname wederom (uit 1971). Ik voel de behoefte om orkest en koor aan te sporen meer haast te maken. Ik kan me wel vinden in het commentaar bij de uitvoering op de youtube-pagina: “Typical early music mind frame : all brain and no feeling, all sound and no forward motion. Museum piece instead of bringing it to life.” En dat terwijl ik normaal wel een liefhebber ben van Leonhardts uitvoeringen van o.a. zijn klavecimbelconcerten.

In de uitvoering van Montreal Baroque staan de noten los van elkaar. Beetje afstandelijk. Ook de zang is zonder de bezielende overtuiging die een cantate van Bach wel nodig heeft. Het is ook een tragere uitvoering dan die van andere orkesten en dirigenten, maar  deze is wel erg traag. Dat is niet altijd een pre.

De versie van de Stuttgarter Kantorei, Stiftsbarock Stuttgart, is Formule 1. Racen, snel snel snel, opzij opzij opzij. Gillend koor. Nee.

En dit? Shinji Ishihara (gehoord op Spotify) die op een synthesizer (?) de cantate speelt. Nee. Nee. Driewerf nee.

Over het stuk zelf:

Het voelt voor mij als een vlakke compositie. Bijna te makkelijk voor Bachs vermogens. Niet rot bedoeld: een beetje Mozartiaans. Vrolijk, lichtvoetig. Zeker het voorlaatste deel, de Aria Mensen glaubt doch dieser Gnade, is wat mij betreft een vooruitverwijzing naar muziek van een eeuw later: de melodielijnen, zangwijze, de begeleiding. Of hoor ik nu iets wat er niet is? Het is niet een cantate die me 100 % boeit. Zijn het de vele mineuren?

Meer informatie? Hier, hier en hier.

© Rick Ruhland 2018

Basboventoon: flageoletten in Dmaj

Muziek maken is mijn tweede natuur. Echt, muziek gaat voor praten, voor bewegen, voor alles. Muziek is een voor mij niet-talige manier, niet-cognitieve manier van uiten en communiceren. Ik mag beweren over mijzelf: ik communiceer liever via muzikale noten dan via de klanken van woorden.

Overigens komen muziek en taal volgens wetenschappers uit het zelfde deel van het brein. Er zijn aanwijzingen dat muziek en spraak / taal uit dezelfde bron tappen. Het goed toegankelijke boek Musicophilia (van de in 2015 overleden Oliver Sachs) dat ik jaren geleden las, is een aanrader als je meer over muziek en de hersenen wilt weten. Ik wil zelf nog wel een keer het boek van Diana Raffman lezen, over taal, muziek en het brein (getiteld Language, Music, and Mind uit 1992).

Maar ik dwaal af. Want wat ik wilde schrijven: ik wil vaker en vaker muziek maken die er nog niet is. Of waar ik het bestaan nog niet van weet. Wie van het hiernavolgende weet heeft, wie van de hier voorgestelde vorm van muziek een nummer weet (maakt niet welke stijl of periode), mail me of reageer op dit blogbericht. Sommige muziek bevat wel elementen van mijn stuk, zoals The Edge van U2 in vroegere jaren live in 11 o’clock tick tock flageoletten gebruikte.

Ik heb een muziekstuk geschreven, getiteld Basboventoon, dat enkel uit flageoletten bestaat. Flageoletten zijn tonen die je op bijv. een basgitaar tevoorschijn tovert door een snaar niet helemaal in te drukken tot op het ijzer (de fret), tot op de hals dus, maar de vinger op de snaar te leggen. Je hoor dan alleen de boventonen. Ik gebruik baspedalen met een aantal effecten, waaronder chorus met delay, en wahwah met distortion. Erg psychedelisch. De speelwijze beperkt het aantal noten, hoewel een aantal versterkers in het baspedaal van hoge en lage tonen meer flageoletten eruit weet te persen dan kan zonder die versterkers. Veel lange noten.

Wat is dan tot slot je eerste natuur, hoor ik een enkeling vragen. Wel, dat is muziek luisteren.

© Rick Ruhland 2018

 

Nieuw nieuwe nieuw: De Silent Disco Flash Bootcamp

Afvallen moet wel leuk blijven. Bewegen op muziek is beter dan simpel weg wat rond rennen en op en neer te springen. Afvallen zonder verplichtingen is als dansen zonder verplichtingen.

Na de zomer begin ik om die redenen met iets geheel nieuws.

Silent Disco Flash Bootcamp in the park.

Wat gaan we doen?

In het Westerpark te Amsterdam komen we bij elkaar. Na 5 minuten lichte strekoefeningen krijgt iedereen een koptelefoon op. Die is via bluetooth verbonden met een playlist. De muziek die wordt gespeeld, is muziek van diverse muziekfilms en -series. Denk Fame, Footloose, Flashdance, Dirty dancing. Grease kan ook nog net.

Niet alleen worden de songs van die films en tijd gespeeld, de kleding is ook speciaal: denk Jane Fonda in aerobic-style. Hoogopgesneden pakjes, roze zweetpolsbandjes, beenwarmers. Veel kleur.

Enige vereisten van de Silent disco flash bootcamp: je moet kunnen meebewegen op de muziek van Fame, Grease, Footloose: zelfde danspasjes.

Ter afwisseling hoor je af en toe een kinderliedje; bij die liedjes moet je zelf pasjes bedenken, maar wel in de stijl van de muziekfilms.

PRAKTISCH:

Waar: het Westerpark in Amsterdam

Wanneer: vanaf half september 2018.

Kosten: 10 euro per keer.

Aanmelden: SDflashbootcamp@gmail.com.

Disclaimer: alleen bij voldoende aanmeldingen en dan elke 2 weken op zaterdagmiddag.

© Rick Ruhland 2018

Bach-Werke-Verzeichnis 5: Wo soll ich fliehen hin?

Deze koraalcantate, die qua tekst ook een verwijzing is naar de Dertigjarige oorlog, is uit 1725 en ze is bedoeld voor oktober, midden tussen de christelijke feestdagen in.

Ik heb, omdat ik de vorige keren nog wel eens een uitvoering beluisterde die ondermaats was, in ieder geval bij deze cantate (en misschien wel vaker) besloten om geen aandacht meer te besteden aan verdrietig stemmende versies. Geen Stuttgart Bach Collegium en dergelijke meer.

Goed, de uitvoering van The English Baroque Soloists en het Monteverdi Choir onder leiding van J.E. Gardiner. Lichtvoetig en aangename solisten. Toch is het een en ander niet af. Ik kan er niet achter komen wat het is. Is het het koor? Tenor lijkt niet uit te komen met zijn aria. Overigens, ik lees bij de commentaren eronder: “Boring, mediocre singers, weak trumpet. As usual with JEG.” Als ik deze persoon dan op YouTube aan een nader onderzoek onderwerp, dan blijkt zij een liefhebber van Karl Richter (*koude rillingen bespotten mijn rug*). Is de conclusie gerechtvaardigd dat deze mevrouw weinig tot niets van Bach of barok begrepen heeft?

Ondanks de leeftijd (opname stamt volgens mij uit 1971) heeft deze uitvoering van Harnoncourt zo zijn charme. Wel veelzeggend is het als bij het Youtube-filmpje mensen vooral vragen stellen over de gebruikte plaatjes (hier een schilderij van Hendrick Andriessen, te weten ‘Vanitas’). Misschien vind ik dit wel de fijnste versie.

Dan Ton Koopmans versie. Hm. Ik luisterde wel, maar ik hoorde nauwelijks de cantate. Of andersom: ik hoorde wel, maar luisterde niet. Ging een beetje langs me heen. Bij een tweede keer luisteren valt me op dat de uitvoering niet uitgesproken is. De tenor is wel beter dan bij Gardiner.

Over het stuk zelf:
De vele mineurklanken, en het gejaagde van o.a. deel 3 (Ergieße dich reichlich) bekoort mij niet. Het tweede deel van de cantate is overigens wel beter dan het eerste deel.
Ik ben kort van stof, ik mag derhalve concluderen dat deze cantate me weinig doet. Terecht?

Meer informatie? Kijk hier en wederom de diepgang van JSBAchcantatas.

© Rick Ruhland 2018

Best bass players: Steve Harris

When I discovered Iron Maiden in the 80-ties, my musical development had already led me to enjoy all kinds of styles. From dixieland, rock ’n roll, and German Schlager-music (my father’s favourites) to disco, new wave, punk and psychedelic bands, from classical music to Scottish folk music: I take every music.What is it about Maiden? It certainly about energy. About power.

About renaissance like guitar playing. Say what? Yes. If you listen to the guitar riffs and solo’s, Maiden songs sound like a renaissance composition. Polyphonic. Play Some of there songs on acousuc guitar, and then listen to a lute song, like Dowland (played by Hopkinson Smith or Paul O’Dette). Here’s an example:

Back to Iron mainden. A very important is the running of the bass. What I mean, is that Maiden’s bass player Steve Harris forces the song to go ahead. Galopping, if you will. One of my favourite songs is Run to the hills:

He is quick and he is emphatically present. He’s more that a bass player. Steve Harris is the kind of bass player that is the motor of melodic rhythm.

© Rick Ruhland 2018

Bach-Werke-Verzeichnis 6: Bleib bei uns, denn es will Abend werden

(Opmerking: ik heb BWV 5 even overgeslagen vanwege het simpele feit dat BWV 6 voor paasmaandag 2 april (1725) is geschreven, en dit jaar valt paasmaandag ook op 2 april :-)).

Deze cantate is een paascantate die voor Tweede Paasdag (2 april 1725) werd geschreven. De cantate begint met een openingskoor over een bijbeltekst, ontleend aan de evangelielezing die voor die dag voorgeschreven stond. Verder kent de cantate een opbouw als vele andere. Zie Meer informatie voor details die ik best grappig vind, maar ik niet het belangrijkste acht. Het gaat om het horen, het luisteren, en als het me lukt, dan geef ik aan waarom ik iets mooi vind en wat niet.

De uitvoering van Harnoncourt kent een lelijk koor. Gillerig. Geen balans tussen de stemmen. Had Bach het zo bedacht? Instrumenten zijn wel weer bijzonder: mooi gedoseerd. Ik ben een fan van de hobo in deze cantate, en dan met name de hobo da caccia’s. Melancholiek tot op het bot. Alsof je op reis moet, op een winterse ochtend, en van plan je huis uit te gaan, maar dat de mist zo dik is dat je met je winterjas aan achter het raam wacht tot je weg kunt.

Bij Gardiner is het openingskoor veel meer in balans dan bij Harnoncourt, maar misschien zelfs een beetje te veel balans? Bijna te netjes, zo voelt het. De instrumenten zijn ook minder uitgesproken.

Koopmans versie voelt een beetje als een belegen versie. Het koor is uitgesprokener dan in Gardiners versie, dat is goed. #geenmening

Het intro – Chorus – bij Herreweghe kent vele versieringen door het koor. Bekoort mijn wat minder. Ik houd van de Aria met de hobo en de alt, Hochgelobter Gottessohn, maar niet als die door een countertenor wordt gezongen.

Ik heb voor de gein en de vergelijking weer eens naar andere dirigenten, orkesten, solisten en koren geluisterd. Versies van orkesten en dirigenten die ik niet zo mooi vind. Ik blijf bij mijn oude punt: het meeste is niet fraai.

Bach Collegium Japan (beluisterd op Spotify). Niet lelijk, maar wel erg netjes. Binnen de lijntjes, binnen de noten. En ik schrok van het openingskoor. Potjandokie, wat knallen die erin. Zeg maar dag tegen subtiliteit. Wat is er nog meer te zeggen? Erg netjes, alle noten gespeeld, maar niet in het hart geraakt.

De versie van Karl Richter en het Münchener Bach Orchester is niet eens lelijk, maar een tikkeltje treurig. Ik mis de accenten, anders gezegd, de ‘voetafdruk’ van koor, solisten, musici en dirigent. Niet eens slecht perse, maar geen echte wens om een indruk achter te laten. Te glad. Alsof je een goulash maakt, met allerlei kruiden, en dan aan het eind de staafmixer in de pan zet en alles pureert. De alt zingt bovendien niet echt mooi; geaffecteerd, alsof ze zingt omdat ze denkt dat het zo hoort. Ik geloof de uitvoering uit 1974 is; uit een andere tijd, dus.

Helmuth Rilling heb ik gelaten voor wat het is. Luister zelf en hoor of je dit mooi vindt.

Over het stuk zelf:
Het koor is mits mooi gezongen een van de mooiere stukken van Bach. Helemaal blij word ik van de aria met de alt en de hobo.
En vergis ik mij? Waarschijnlijk wel, maar ik heb het gevoel dat dit een wereldser stuk is dan andere cantates. De noten blijven je je hele leven bij:

Schermafbeelding 2018-03-31 om 13.13.00

Meer informatie? De twee websites van respectievelijk Eduard van Hengel en Julian Mincham geven interessante achtergrondinformatie qua compositie, tekstdichter en veel meer. Ik heb het nog niet gezegd, maar ik dank hun voor hun inzichten. En heus, er zijn veel meer sites over Bach en zijn composities (of alleen al over zijn cantates), maar deze twee sites hebben mijn blik aangenaam verruimt.

© Rick Ruhland 2018

Lelijke muziek

Smaak is voor veel mensen de maatstaf voor het waarderen van kunst of eten. Als het gaat om muziek, dan vindt de een dat de ene muziekstijl mooier is dan de andere. Dat jazz voor alles gaat, of dat klassieke muziek meer klasse heeft. Als het gaat om pop of rock, dan zijn veel pop- en rockliefhebbers fan van bands of zelfs bepaalde instrumenten die zij mooier vinden dan andere. Veel van die mensen vergeten trouwens wel dat we geneigd zijn – grosso modo – die muziek het mooiste te vinden die we in onze vroege tienerjaren, of beter tussen je 10e en 17e levensjaar, hebben gehoord. Maar dit terzijde.

Over smaak valt heel goed te twisten. Smaak is geen absoluut iets. Tenzij je van lelijk en mooi begrippen als goed en slecht maakt.

En toch. Er is iets voor te zeggen dat in muziek regelmaat moet zitten om welluidend te zijn. Muziek is een indeling in noten, maten, ritme, en los van instrumenten of stemmen: die indeling is op zich al structuur. Structuur kun je alleen herkennen als er sprake is van regelmaat en herhaling. Dat gezegd hebbende: regelmaat en herhaling en structuur zijn op zich geen voorwaarde voor goede of mooie muziek.

Is het omgekeerde waar? Leidt een gebrek aan herhaling (regelmaat, structuur) tot slecht of lelijk muziek?

Klein uitstapje over die herhaling. Al voordat ik begon aan een studie taalwetenschap, met als specialisatie syntaxis en semantiek (en dan met name propositielogica en generatieve taalkunde), had ik een enorme interesse in wiskunde. De logica van getallen, de schoonheid van vergelijkingen en grafieken, en vooral ook de randgebieden zoals differentiaalvergelijkingen en logaritmische functies, die waren goed voor een enorm respect en genot. Datzelfde heb ik met muziek, waarin ik diezelfde schoonheid hoor. Zijstapje: Escher hoort in diezelfde wereld thuis. Voor wie tussen de regels leest in deze paragraaf, zal het niet als een verrassing komen dat ik Gödel, Escher, Bach in de kast heb staan en ook gelezen heb.

Terug naar de muziek. Wat als je alle herhaling weghaalt? En ook: wat is herhaling in de muziek, in zijn extreemste vorm? Daarover gaat de volgende video. Slechts tien minuten, dus niet eens een long watch (analoog aan de verbazingwekkende en zelfs ijzingwekkende term long read die gebezigd wordt voor teksten die langer zijn dan reclameslogan, maar dit terzijde). Luister vooral ook naar het pianostuk aan het einde van de video.

Is het lelijk? Ergens wel.

Ik zou nog een andere vraag willen stellen: kun je horen of het gespeelde stuk een fout bevat, in compositie of uitvoering?

Fascinerend. Zo had ik nog niet naar muziek geluisterd.

© Rick Ruhland 2018

Bass guitar players: John Entwistle

One of my earliest memories of a bass player that wasn’t merely a ‘filler of low notes’ is of John Entwistle. He was a member of The Who (he died in 2002), and on stage, he was at peace. To me, he looked like a Buddhist. He did not suffer, he had worked his way up to bass nirvana, he was zen. Or maybe even more than that: a stoic Buddhist.

I still am amazed (after listening so many times to his bass lines) about his collection of techniques. He used tapping, plucking, picking, hammering. And his sound was always so gruesome solid. He played in such a way that his bass notes were more than a fundament. They were a building themselves. In fact, listening to Entwistle playing makes me realise that his performance, i.e. his playing, was extremely self-assured and confident. As if to say:

‘Here I am, I stand my ground, you can’t and won’t fuck with me.’

His baselines and the way he played them were a song themselves. A song in a song.

Watch this and listen to his superb solo, including all the styles of playing.

A true hero of the rock base.

© Rick Ruhland 2018