Proefschrift van de week

Titel: Fibonacci-vogels. Auteur: Pierre Diepenbrock.

Samenvatting: De onderzoeker heeft met dit proefschrift niet zijn eerste meesterproef afgelegd. Al eerder deed hij onderzoek en schreef de proefschriften De zwaartekracht van parfums en Zure tranen (een onderzoek naar de samenstelling van dierentranen).
Met dit derde proefschrift levert Diepenbrock het wiskundige bewijs dat vogels op elektriciteitsdraden in meer gevallen dan op kansniveau zou kunnen worden verwacht, in een Fibonacci-reeks van elkaar zitten. Het maakt wel uit welke vogels op de draad zitten, beweert Diepenbrock. De kans dat er meer dan twee of drie adelaars op een elektriciteitsdraad zitten, is zo klein dat een dergelijke reeks bij die soort niet gevonden kan worden. Overigens is ook bij konijnen en bijen deze reeks al vastgesteld, maar die zitten zelden op elektriciteitsdraden, aldus Diepenbrock.
De wetenschapper heeft ook andere reeksen getoetst, zoals de hyperharmonische reeks, maar die leverden niets op.

Eindoordeel: wij weten goed beschouwd zo weinig van de natuur en van de wiskunde dat we nauwelijks begrip hebben van ordening en volgorde in levende wezens en hoe deze functioneren. Het proefschrift is overigens vooral daarom zo bijzonder omdat de schrijver een waslijst aan voorbeelden geeft van dergelijke reeksen. Niet alleen op elektriciteitsdraden, maar ook op waslijnen en op schrikdraden (van die laatste merkt Diepenbrock op dat het gezelschap vogels in dat geval nog wel eens van samenstelling wil veranderen als er een vogel bij komt zitten; vaak gaat de Fibonacci-reeks over in een kwadratische functie).

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

Proefschrift van de week

Titel: Zelfbedrog als wetenschapsdiscipline. Auteur: Inge Duinvent.

Samenvatting: Als je steeds op je eigen denken kunt reflecteren, dan is zowel dat wat je beoordeelt als fout, even juist of goed als datgene dat je beoordeelt als goed. Wat je beoordeelt als goed kan even zo goed volslagen fout zijn. Zie hier de premisse van de lijvige dissertatie van Duinvent.
Het moet gezegd, de promovendus heeft in haar onderzoek – geheel gebaseerd op literatuur en de eigen argumentatie, dus geen onderzoek met bijvoorbeeld proefpersonen – niet de makkelijkste weg gekozen, en zeker niet het makkelijkste subject van studie. Ze doet een net onaardige poging eigenbelang, vooroordeel, verlangen, onzekerheid en andere psychologische factoren die de wens en wil om [alles] te geloven beïnvloeden onder één paraplu te brengen. Begrippen als onwetendheid, luiheid of cognitieve incompetentie komen daarbij al snel aan de orde.
Ze doet een grappig gedachte-experiment. Stel dat we niet de wetenschappelijke rigiditeit hanteren van een duidelijk omlijnd onderzoek, dat dubbelblind, willekeurig, herhaalbaar en openbaar is. Dan moeten we, burgers en wetenschappers, accepteren dat onszelf bedriegen en dingen geloven die niet waar zijn. Of zoals zij het formuleert: wij zijn bereid om de werkelijkheid vanuit de leugen een nut te geven.
Ofschoon dat allemaal best kan zijn, en heus, haar redeneringen snijden hout, is de uitstap naar het huidige terrorisme van het populisme misschien iets te veel. Waar en juist, zonder meer, maar misschien meer een onderdeel van pamflet dan van een proefschrift.

Eindoordeel: De kwestie die Duinvent opwerpt in haar thesis is dat de huidige mores in de wetenschap net zo goed zijn als het omgekeerde of tegenovergestelde. Dat is echter een gevaarlijke richting. Wat je dan krijgt is dat een stelling als ‘Geen fiets is ook een fiets’ voor waar wordt aangezien. Dat komt te echt in de buurt van ‘nonchalante filosofie’ (een begrip uit het werk van de realistisch filosoof Neede). Haar pleidooi niet-wetenschappers verre van de wetenschap te houden is beter vol te houden. Wie niet nadenkt om zijn overtuigingen te staven, heeft minder recht van spreken dan wie nadenkt om zijn overtuigingen te ontkrachten.

© Rick Ruhland 2019

Scenes from a thesis: competence & performance

“The idea of an underlying structure is a crucial element of generative grammars. This idea makes it plausible that language is more than just a string of sounds and sentences. Furthermore, complementary evidence for underlying structures can be found in a discussion on competence and performance. When adults are asked to, they can perfectly well say which utterances are and which utterances are not grammatical. Apparently, we humans have inbuilt knowledge of language, usually referred to as competence. Even children (at the age of 4) seem to have a knowledge of language when they are offered incorrect sentences that they have to repeat (Ruhland, 1991)*. In daily life, we do not use all language knowledge we can [use], for practical reasons. Performance is what we use everyday in communication: it is our competence hampered by factors like memory and abilities of the hearer or the reader to understand language.”

© Rick Ruhland 2018

* De acquisitie van ‘hoeven’ / Rick Ruhland’, In: Tabu. Jaargang 21, 1991.

Scenes from a thesis: final remarks

My Ph.D. thesis Going the distance was published 20 years ago.

The only reason to dedicate a couple of blogs on that thesis was that science should not stay within the walls of research institutes and universities.

Okay, there are two reasons. The second reason for paying some attention to the thesis is that I think my findings are still of great value and truth. It is good research.

Those are the two reasons why…

No, there are three reasons. It is 20 years ago – anybody sense a Beatles reference here? Could be: the thesis is full of references to pop and rock music – this year since I got my Ph.D. Which I never use anymore (I am not a scientist anymore).

So, there you are. These are the main three reasons (for any Monty Python lovers reading this post, there is a reference to a famous sketch).

If you like to read more, here is a link to the thesis. If you have questions about the research, the thesis, the bigger picture, do not hesitate to contact me.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: Relationship between growth and structural models

“[First,] The structural model and the growth model may be completely autonomous. The growth model is capable of describing the observed changes in performance without recourse to hypotheses on the quality of the developmental process that may follow from a structural model. In fact, this seems to imply that the growers do not entertain any relation to the notions of the structural model. Thus, the growth model neither supports, nor refutes the assumptions of the structural model.

Second, growth models and a linguistic theory are compatible. This comes in two varieties. First, it may be the case that the parameters of a growth model that was constructed inductively (i.e. with the single objective of obtaining a perfect fit with the data) can be meaningfully interpreted in terms of a structural model, and that this leads to (quantitative) predictions that concur with the predictions derived from the structural model. Alternatively, a growth model that was constructed deductively, i.e. by choosing its parameters on the basis of notions and considerations supplied by a structural model, is supported by the empirical data.

Third, growth and linguistic models may contradict each other. Again, we envision two versions of this situation. In the top-down scenario, a growth model that was informed by a structural model does not fit the data, whereas, possibly, a bottom-up (i.e. based on the data) model does. Alternatively, an inductively constructed model comprises parameters that can be interpreted as refutations of (some of) the core assumptions of the structural model. In either case, the bottom-up model (that was validated by its fit on the data only) may be thought of as the instantiation of a hitherto unidentified structural model.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development / H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Versprekingen: de motor van taalevolutie. Auteur: Jinke Flongen.

Samenvatting: De linguïstiek is niet wat je noemt een vakgebied dat zich vaak in de kijker speelt. Vaak zijn toepassingen van taalwetenschappers maar beperkt geldig. Althans, die indruk wekken linguïsten mijns inziens meestal. Misschien hebben zij met hun bevindingen wel meer in hun mars, en is de impact hun wetenschappelijke vragen en inzichten en uitkomsten veel groter dan taalwetenschappers zelf beseffen.
Dat gezegd hebbend: niet elk proefschrift op het gebied van de linguïstiek is dus de moeite waard. Ik lees af en toe proefschriften die van los zand en speeksel aan elkaar hangen. Flingen is daarvan een flagrant voorbeeld. Hij komt met een bulk aan voorbeelden (waarvan niet duidelijk is of hij die zelf heeft verzameld of dat die uit een bestaand corpus komen). De voorbeelden die hij aanhaalt zijn zowel fonologisch, morfologisch, syntactisch, als semantisch van aard. Het is een grote vergaarbak. Ratjetoe. Radjetoe.

Eindoordeel: Ik denk dat Flongen uit alle macht een reden zocht naar DE reden hoe en waarom taal zich ontwikkelt. Anders dan een linguïst – die elke verhandeling mathematisch dan wel logisch aanpakt en veranderingen en fouten (en wat Ties meer zei) als een gevolg van de taal zelf ziet – is Flongen de weg ingeslagen van probabilistische taalwetenschap. Wat ‘zou kunnen’ is belangrijker als verklaringsmodel dan een theorie. Ik denk dat versprekingen best mee spelen in taalverandering, maar dit lijkt meer een kwestie van ‘de kok horen luiden, maar niet weten waar de lepel hangt’.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: explanations for the change

“Possible explanations fo the sudden change in function words is sudden.

First, the function words increase due to an increase in other variables (i.e. the change is caused by other independent factors). The best candidate presumably is the amount of words spoken during a session. Analyses, however, suggest that the words per session do increase over time (the production of speech increases as the child becomes older), but there is no coherence between this independent variable and the sudden change in function words. Thus, the increase of words per session is probably not the cause of the increase of function words. It might be the other way around: the productivity increases due to an increase in function words and other variables. The problem is a ‘chicken and egg’ problem. It is likely that much of the increase of the productivity is caused by the introduction of function words.

Second, the increase of utterance length would call for functional categories. That is, the lengthening of the utterances (expressed by an increase in both MLU and multiword utterances) is the result of an increase of lexical categories. Since lexical categories like nouns and verbs call for functional categories, longer sentences make syntactic slots become available. Longer sentences and the availability of syntactic slots can explain the timing of appearance of function words. However, they cannot explain the suddenness of growth of function words.

Third, the parents might increase their use of function words, and children follow the parental increase. This would indicate that a child uses the input to imitate it directly or with a time lag. However, on the grounds of the analyses, this assumption must be rejected. The multiple regression analyses do not confirm this hypothesis. The increase of function words in the language of a child is solely the result of an age effect. Thus, timing nor shape of change are the result of a change in language of the parents.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development / H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: old habits linger on

“A structural change in some underlying mental capacity may fail to produce an abrupt change (discontinuity) in behavior because the behavioral reflexes of the new state may be in competition with the old. The net result of this competition would be a gradual adaptation of the performance system to changes in competence. Anyone coming from the Continent must have felt the sensation of walking through a Scottish city (or in any other city in a left driving country) and planning to cross a road. In most countries one has to drive on the right lane, and cars come from the left first. In a Scottish town the cars come from the right first. The absence of [awareness and] control over this situation is dangerous, but the dangerous situation will die out if one stays long enough in one of the left-driving countries. This “old habit lingers on”-principle may explain why a structural change may not instantaneously lead to a new equilibrium (i.e. an direct adaptation to the new situation).”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: De omkeerbaarheid van vuur. Auteur: Agnes Følkæn.

Samenvatting: Filosofie en natuurkunde. Ik denk dat van alle proefschriften die ik gelezen heb op het vlak van fysica, astronomie en aanverwante gebieden, de rol van de filosofie niet onderschat moet worden. Ook al omdat een enkele goede vraag of verandering van denkwijze zoveel meer waarde heeft dan duizend slechte antwoorden.
Følkæn heeft een achtergrond als fysiochemicus en als filosoof, in het bijzonder cross-culturele wetenschapsfilosofie. Ze kan derhalve in haar onderzoek een zowel experimentele denkrichting inslaan als een onderzoeksmatige of filosofische aanpak kiezen. Dat pleit voor haar. Kern van haar vraag is of entropie van vuur, uitgedrukt in de richting van de tijd (in termen van kwantummechanische bifurcaties) en in de zin van de algehele thermodynamica, in alle opzichten een eenrichtingsverkeer is. Hoewel ze geen eensluidend antwoord geeft, is de belofte van het onderzoek – een mogelijk ja over een aantal decennia, als de wetenschap is voortgeschreden – buitengewoon plezierig.

Eindoordeel: Ik houd wel van dit soort proefschriften. Onderzoek in de letterlijke zin doet Følkæn niet, maar ze snijdt een hoogst intrigerend onderwerp aan, en komt met prikkelende gedachtegangen, stellingen, en redeneringen. Ik kan niet alles volgen (ze schrijft in het Deens, en dat kan ik prima lezen, maar ze hanteert een stijl die tamelijk compact, tegen de cementstijl van o.a. Grooters (tijdgenoot van Newton) aan), maar wat een pracht qua wetenschap. Wetenschap zoals wetenschap bedoeld is.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: syntactic categories

“Languages have a structure which is commonly referred to as grammar. This implies that language is a rule governed system. It also means that words in sentences have a relationship. Furthermore, in most languages words have a fixed order in a sentence. The assumption of an underlying structure makes it plausible that all natural languages share common features. The surface structure of languages is derived from the underlying basic order through movement procedures. The lexical categories (i.e. words) in a sentence undergo changes (e.g. verbs are inflected). The changes that form to say a shell around the lexical entities are called functional categories. Functional categories are syntactic operations, that do not refer to entities in the real world. It is assumed that these categories are more difficult to acquire.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018