Proefschrift van de week

Titel: Het schoonmaken van het riool: de sociologie van zelfdenkende borstels. Auteur: Simon Vroman.

Samenvatting: Stromingsleer is de wetenschap die de beweging van gassen en vloeistoffen onder de loep neemt. Eigenlijk is stromingsleer op alles toe te passen waarin kleine onderdelen samen een stroom maken. Denk aan files van auto’s, gletsjers en meer. De onderzoeker van het onderzoek, Vroman, is van huis uit gespecialiseerd in de hydrodynamica van halfopensystemen. In zijn zoektocht naar praktische toepassingen is Vroman echter een geheel andere kant opgegaan. Uitgaande van de kennis van de hydrodynamica heeft hij zich afgevraagd hoe storingen in stromingen in een riool kunnen worden aangepakt. Hij stelt die vraag  in een tijd dat in London ‘monstervetbergen’ het riool verstoppen (zie onderstaande afbeelding).

London vetberg riool

Vromans idee is dat borstels met vetoplossende substanties zich een weg vreten door het vet. Het lijkt ver weg op hoe de witte bloedlichaampjes lichaamsvreemde stoffen opeten. Het bijzondere aan Vromans verhaal is dat de borstels zelf nadenken en met elkaar samenwerken. Hoe ze dat doen, wordt in de studie uit de doeken gedaan.

Eindoordeel: het blijft allemaal een beetje aan de oppervlakte. Het lijkt er op dat Vroman het liefst zou willen schrijven over hoe borstels op een bepaald moment nadenken over hun eigen bestaan en of ze wel in staat om goed te werken in een omgeving die vol afval zit. Wetenschappelijk is het verhaal niet goed dichtgetimmerd.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Scenes from a thesis: modelling development

“One of the main concerns […] is how to account for quantitative growth in development and how to relate this quantitative growth to qualitative analyses and to the parameters in the model. The definition of such quantitative growth (or development) is an autocatalytic quantitative increase in a growth variable following the emergence of a specific structural possibility in the cognitive system. In other words, language development (or cognitive growth in general) consists of growth which is expressed in numbers (quantitative) and which is not entirely caused by some external factor (autocatalytic). This growth is caused by the system itself, i.e. change is induced by the cognitive system itself.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Semantische inflatie

Semantiek is met een ander woord gezegd betekenisleer. Formeler gezegd: semantiek is de wetenschap die de betekenis van symbolen bestudeerd. En symbolen zijn in onze natuurlijke talen de klanken, woorden en zinnen, en zelfs hele teksten.

De studie van de betekenis van symbolen is een (geslaagde) poging om een formeel systeem te bedenken om natuurlijke taal, zoals het Nederlands, te analyseren. Om voorspellingen over een taal te doen. En deze analyses zijn niet alleen een wetenschappelijke exercitie, ze zijn ook van groot nut bij (ik noem maar wat) het vastleggen van informatie in computertalen. Lang geleden, nog in mijn studietijd, heb ik daar met twee andere onderzoekers een artikeltje over geschreven. Al deze exercities in de (formele) semantiek zijn dus niet alleen wetenschappelijk boeiend, maar hebben ook een praktisch nut.

Welnu, als ik de wetenschappelijk wereld van de studie van semantiek een verzoek mag doen: analyseer de huidige semantische inflatie. De wat? Semantische inflatie is het verschijnsel dat woorden die vroeger een bepaalde betekenis hadden, een bepaalde ‘standing’ hadden, verwaterd raken en erger, steeds minder zeggingskracht hebben.

Ik zal een paar voorbeelden geven, en ze komen allemaal uit ‘het onderwijs’. Lyceum. Van oorsprong een instelling als atheneum en gymnasium: een schooltype dat voorbereid op een universitaire studie. Helaas, heden ten dage wordt het woord gebruikt voor elke plek waar een jong persoon een poging doet een boek open te slaan. Nog zo’n woord: intelligent. Was dat vroeger een woord voor een mens die in staat was op een IQ-test behoorlijk te scoren, tegenwoordig is het een woord dat wordt gebruikt voor iedereen die zinnen kan maken van meer dan vijf woorden. Volgende woord: universiteit. Een plek waar je wordt opgeleid om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te doen, waar je iets leert over normen en waarden van kennis en kennisoverdracht, waar je nieuwe kennis verwerft en zelfs genereert. Helaas, in dit ‘verangliserende’ land, waar doodnormale woorden ogenblikkelijk worden vertaald in het Engels, is het Hoger Beroepsonderwijs (hbo) inmiddels ook een universiteit: ‘university of applied science’. Zo noemen deze instellingen voor hoger onderwijs zich tegenwoordig. Maar eh, laat me niet lachen: met wetenschap hebben deze instellingen niets van doen en wetenschap is er bij de oren bij gehaald. Laatste voorbeeld is helemaal van de ratten besnuffeld: student. Dit wordt inmiddels door en voor leerlingen, pupillen nog, van middelbare scholen gebruikt (zo zag ik deze week een ingezonden brief in de NRC van twee leerlingen van een middelbare school die zich, ik zweer het je, student noemden). Studenten zijn deze kinderen zeker en voorwaar niet; sterker, de meeste van deze kinderen komen niet eens in de buurt van studeren, studie, student zijn.

Overigens is hier al eens wat geschreven over grammaticale inflatie. Lees maar wat er staat (of staat het er niet, Meneer Nijhoff?).

Ja, ik maak mij druk om deze inflatie van betekenissen. Het is net alsof we het woord magnifiek gebruiken voor een gebeurtenissen als ‘poepen in het bos’. Alsof dat een prestatie van wereldformaat is. Ik moet heus wel lachen om deze inflatie, het is ergens, ver weg, humor om te zien dat in deze tijden mensen en organisaties zichzelf belangrijker maken dan ze zijn, maar het is lachen en humor met tranen in de ogen en pijn in het hart.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: forms of change

“In sum, I distinguish[ed] six forms of change in time series. There is change which has no end point, i.e. linear and exponential change, and there is change with an end point, i.e. logistic, asymptotic, discrete and cusp. […]. This end point is constant with respect to the score on the y-axis. The difference between logistic/asymptotic and discrete/cusp (all four have an end state) is the suddenness of change. The difference between logistic and asymptotic growth is the starting point. The difference between the discrete step and the cusp is that the cusp has an overlap of states and more than one possible jump from one state to the other. Despite the intuitively appealing descriptions, all forms of growth lack a formal criterion (e.g. how can one distinguish between a rapid gradual change and a discrete step?). Apart from a conclusive definition, the descriptions are also problematic in the sense of testing. Therefore, I present a mathematical approach to quantitative development. [These] Non-linear models and theories […] models and theories allow for an estimation of parameters and [they] state the relationship between x (a time index) and y (the variable) values in terms of a growth indication (e.g. in terms of continuity and discontinuity).”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

 

Geheugenafbouw

Een jaar of 20 geleden ontmoette ik Elisabeth Loftus. Zij was in Nederland voor een lezing aan de universiteit waar ik toen werkte (als onderzoeker en docent op het gebied van taal & ontwikkeling) en op de dag dat ze de lezing hield, checkte ze op mijn computer haar email. Boeiende vrouw om naar te kijken. Niet in de laatste plaats door haar ontspannen uitstraling.

Maar belangrijker dan haar fysieke voorkomen was en is haar wetenschappelijke werk. Als een jaar of 40 houdt zij zich bezig met de werking van het geheugen. Nou interesseert me de werking van het geheugen bovenproportioneel, maar waar zij echt stappen gezet heeft in het begrip van het onthouden, is het “misinformation effect”. Dat houdt in dat wij mensen achteraf onze herinneringen vervormen. Actief en passief, dat doet er niet toe. Feit is dat wij niet echt zeker kunnen zijn van ons geheugen. Ander onderzoek van Loftus is naar het geheugen van ooggetuigen en valse herinneringen. Alles bij elkaar genomen: ons brein is qua herinneren en geheugen niet alleen plooibaar, het is makkelijk te ver- en misvormen.

Wat mij zo boeit, nu in deze tijd van computers, tablets en smart phones, is dat ons geheugen steeds minder hoeft te doen. We kunnen alles wat we zien en horen ergens op vastleggen. We kunnen geuren en smaken nog niet zo goed bewaren in de digitale vorm (bijvoorbeeld als we ergens eten en de smaak en geur van de gerechten), maar ons omringende klanken en beelden wel.

Al een tijd zie ik dat het niet hoeven onthouden van informatie leidt tot het niet kunnen onthouden. Bij het geven van les aan studenten – enkele jaren geleden – viel me op dat bij zo goed als elke vraag van mij over feitjes of berekeningen het merendeel naar hun digitale slaaf greep.

Ik moest aan Loftus en aan de lekkende geheugens van studenten denken toen ik dit artikel las. Door mobiele computers hoeven we niet alleen weinig meer te onthouden, ons brein wordt ook nog eens afgeleid door deze apparaten waardoor het vastleggen van informatie (even kort door de bocht gezegd: herinneren en leren) slecht of zo goed als niet lukt.

Mooi citaat als het gaat om foto’s nemen en niet meer om ons heen kijken:

When we’re hunting for the perfect Instagram shot, we’re not listening, we’re not smelling, we’re not always paying attention to the beautiful, complex minutiae that make up the moment.

We raken het contact met, het benul van en de waardering voor de werkelijkheid kwijt.

Erger: de emoties die ons maken tot wie we zijn, namelijk mens, verdwijnen naar de achtergrond. Wat we hebben vastgelegd, is waar. Wat we hebben ervaren en gevoeld is tweederangs geworden. Soms is die ervaring en dat gevoel afwezig.

Al met al: wat echt is, is alleen dat wat is vastgelegd. Het rare: vastleggen maakt het geheugen zwakker, terwijl we misschien denken dat we een deel van ons leven bewaren. Wie wat bewaart, heeft wat, zegt het spreekwoord, maar wie bewaart op een digitaal geheugen, bewaart niet perse een waarheid die waarde heeft.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het paargedrag van de groengerande mestkever in zuidoost Australië tussen 1820 en 1840: een casestudie. Auteur: Icke van Yke.

Samenvatting: Het mag geen verbazing wekken dat we van het gedrag van dieren die al 100 of 200 jaar dood zijn niet tot nauwelijks weten wat en hoe ze deden. Denk aan de quagga, de Tasmaanse tijger, de dodo. Om een mijns inziens nog aansprekender voorbeeld te geven: we hebben geen idee hoe dinosauriërs klonken. Jankten ze als honden, brulden ze als leeuwen, loeiden ze als koeien, blaften ze als hyeana’s?
Van Yke heeft een onderwerp van die orde bij de kop gepakt. De voortplanting van kevers in het verleden. Haar onderzoeksobject is wel zeer specifiek: de mestkever. Het gevaar van de studie zit echter elders: de periode waarover het onderzoek gaat. Waarom die jaren: 1820 tot 1840? Alsof er toen al genoeg mest was in Australië!

Eindoordeel: Niet best. Geen DNA-onderbouwing. Selectieve dataverzameling. En waarom zuidoost Australië? Daar kwam de kever destijds helemaal niet voor!

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: De wiskunde van letters in woorden. Auteur: Gé Brouwer.

Samenvatting: het proefschrift begint eenvoudig met getallenleer en letters. Bijvoorbeeld dat A = 1 is, B = 2 etc. Daarna behandelt Brouwer het feit dat letters als x en y en andere parameters en variabelen in de wiskunde ingebakken zijn. Voor het eigenlijke onderwerp van de studie aan de orde komt, bespreekt zij simpele feiten zoals: de woorden voor cijfers en getallen – een, twee, drie, etc. – schrijf je met letters. Ook Griekse letters komen voor in de wiskunde, maar daar gaat ze niet uitgebreid op in.
Maar nu het rare, en dat rare is onderwerp van de studie: Brouwer heeft een systeem uitgedacht waarbij de relatie tussen letters in elke taal steeds terug te brengen zijn tot hooguit 5 verschillende vergelijkingen met 3 variabelen (die zij vocaalriabelen noemt) en 2 constanten (die consonstanten worden genoemd). Ik kan niet elke taal controleren, maar voor de talen die ik spreek, klopt het in ieder geval.

Eindoordeel: buitengewoon boeiend, maar het komt hier en daar een beetje uit de lucht vallen en de studie gaat wel selectief om met de wiskunde en Brouwers studie is af en toe wel erg kort door de bocht en theoretisch matig onderbouwd. Interessant is te melden dat de auteur een verre achternicht is van Luitzen Egbertus Jan Brouwer, een Nederlandse wiskundige uit de eerste helft van de 20-ste eeuw.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: development

“Development is not an unambiguous concept: there are several meanings (or definitions) of development. Development means growth, and growth is defined as an increase in size or value. This means that something has been present all the time, nothing new is added. Development also means evolution, which derives from the Latin evolve meaning to unfold or to open out. Stage of advancement is [also] listed as a definition of development, advancement being derived from the word advance, which means (among others) to rise or to move forward. [So], If change (e.g. to increase, to open out, to move forward) is the core aspect of development, the next step is to determine the treatment of change (development) in theories on development.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Naschrift: waarom ik Universiteit en hbo verliet

Om mijns inziens walgelijke redenen heeft onze (westerse) samenleving in weinig tijd gekozen voor een inrichting van de maatschappij waarbij geloof in marktwerking, geloof in deregulering en geloof in sterk leiderschap cruciale elementen zijn. De geloofsrichting heeft een neo-liberale signatuur, en de illusie c.q.. God die boven dat denken staat, is een illusie dat meer van hetzelfde en meer rendement uiteindelijk tot betere producten zal leiden. Het is een geloof dat uiteindelijk niets anders doet dan cijfers voor kwaliteit zetten. Top-down-management vergroot de angst om af te wijken, en hoewel deregulering mooi klinkt, want wie wil er nou onder regels lijden, heeft die deregulering vooral niet plaatsgevonden. Sterker, met de nieuwe liberalisering zijn meer controlesystemen aan het onderwijs en het lesgeven toegevoegd. Meer formulieren, meer meetpunten, minder vertrouwen in ervaring en kennis van docenten, meer verplichting tot afleggen van verantwoordelijkheden, meer vingers in de pap door mensen die over het algemeen nauwelijks verstand hebben van het werk dat hun onderdanen uitvoeren. Feitelijk is de angst die ‘neoliberaliteit’ hadden voor het links en communistisch denken en handelen, door de aanhangers van dat neoliberale geloof aangegrepen om een vergelijkbare autoritaire heilstaat te stichten.
Ik ken de argumenten voor zulk geloof: hogere kwaliteit van de output, beter gebruik van grondstoffen, lagere kosten / prijzen, meer variëteit in producten, efficiëntie. Deze argumenten heb ik in het afgelopen decennium in de praktijk gezien bij een instelling voor hoger onderwijs in Amsterdam. Maar goed beschouwd is het niveau omlaag gegaan, worden meer grondstoffen verspild dan voorheen, zijn de kosten omhoog gegaan en is eenheidsworst het enige wat je als resultaat van de efficiëntie kunt aanwijzen.

Het opiniestuk van Eelco Runia (ooit universitair docent bij de Letterenfaculteit aan de Rijksuniversiteit Groningen, ook mijn Alma Mater trouwens), waarin de historicus met voorbeelden en argumenten duidelijk maakt dat de universiteit zichzelf op een perfide wijze ten grave draagt, wil ik graag aanraden als leesvoer voor iedereen, vooral bestuursmensen, om zich eens goed te gaan beraden op het doorgaan met de vrijmaking (neoliberaliseren) van de Alma Maters door middel van elkaar veren in de reet of messen in de rug steken. Want wat hij schrijft is wat voor mij, met een master in taalwetenschap en een promotie in de psychologie, een van de redenen geweest om zowel universiteit als hbo, instellingen waar kennis en vaardigheden worden doorgegeven zodat jonge volwassenen op hoog niveau kunnen nadenken en creatief problemen kunnen oplossen, met een zekere blijdschap te verlaten. Ik was liever nog steeds docent en onderzoeker, maar niet onder het stalinistische juk van het neoliberale bestuursmodel.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut

Beste B., hulpverlener inter pares,

Mag ik u het volgende voorleggen? Ik zit vaak op de w.c. Misschien wel vaker dan andere mensen, want de gang naar het toilet is verplichte kost. En ik zit er lang. Het tellen van de tegels in de wc is niet 1 2 3 gedaan, en ook knijp ik mijn keutels minstens 30 keer af. Ik wil namelijk niet het risico lopen dat ik teveel wc-papier gebruik aan het afvegen van mijn sfincteromgeving.

Mijn vraag aan u is dan ook een vraag die met het afvegen van faecale stoffen te maken heeft.  Ik heb recentelijk een wc rol afgerold en toen bleek het volgende: niet alle blaadjes zijn gelijk groot. Ja, wel in de breedte, maar niet in de lengte. Qua oppervlakte (en dat is denk ik toch wel een factor van belang bij het schoonvegen van mijn anus) blijken de wc-blaadjes niet allemaal even groot te zijn. Ik voeg een foto toe zodat u dat kunt zien.

IMG_9991.jpg

Zoals u ziet: het bovenste blaadje is duidelijk kleiner dan de overige 3. En het is niet de eerste keer dat me dit gebeurt.  Op elke 1000 blaadjes zijn er (afgerond) 7 die afwijken van de gemiddelde maat. En nooit groter. Altijd kleiner.

Want ik heb ook dit blaadje nagemeten en wat blijkt: het bovenste blaadje is 7 mm kleiner. Ik maak me nu erg druk over de rest van de rollen die ik heb aangeschaft. Moet ik nu door alle rollen heen om te zien of er meer blaadjes niet even groot zijn? Dat wordt namelijk bezwaarlijk, want ik heb in de logeerkamer nog 26 pakken met elk 8 rollen. En ik heb nog zoveel te doen. Het huis is vandaag nog niet 7 keer schoongemaakt, om maar wat te noemen.

Wat te doen? Help.

Uw Simon Teetzweer.