Brieven Aan Koning Therapeut 13

Beste B.,

Elke keer als ik buitenkom, dan zie ik zwarte katten, mensen die onder ladders doorlopen, tramlijn 13, een zak zout die opengebarsten op straat ligt, drie vlinders op een bloem, het houdt maar niet op!

Ben ik nou werkelijk voor het ongeluk geboren? Ik ben geboren op 13 januari. Inderdaad, een vrijdag.

A. Pechvogel (dit is een pseudoniem en anagram, hoewel het anagram niet helemaal juist is).

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Behandeling van bipolariteit: zijn biomarkers van nut?

Wie dit blog wel eens leest, weet dat ik nieuwsgierig ben naar hoe hersenen werken. Hoe we taal gebruiken (begrijpen en produceren), hoe onze zintuigen werken, maar ook wat er gebeurt als het mis gaat, zoals bij bloedingen, tumoren, ouderdom.

In de lijn van het misgaan: ik heb een grote nieuwsgierigheid naar het (dys)functioneren van hersenen. Dat is vanwege een psychische ‘trek’ die door de (Duitse) familie loopt. Dat komt ook door mijn broer, die is overleden terwijl hij eigenlijk de hulp van van psychiaters, psychologen, psychotherapeuten, en andere “hulp”-verleners had moeten krijgen. Daar komt ook nog eens bij dat ik heb geschreven aan een boek genaamd Hulp bij hoofdzaken. Een zelfhulpboek om mensen met psychische problemen aan goede zorg te helpen. Opmerking: het boek zal helaas niet meer het licht zien, maar wie weet maak ik op termijn een website met als onderwerp de verschillende stoornissen en mogelijke hulp. En niet onbelangrijk: ondanks mijn intelligentie, ondanks mijn creativiteit en ondanks mijn streven naar levensgenieten ben ook ik niet vrij van een psychiatrische ellende.

Bij psychiatrische ziektes, zoals manische depressiviteit, weten we nauwelijks tot niet hoe die ontstaan. Erger nog: de diagnose en duidelijke afbakening van de symptomen is ronduit moeilijk en lastig. En we weten ook slecht hoe deze ziektes het beste zijn te behandelen. Er zijn heel veel therapieën, en dan denk ik aan zowel praten als medisch ingrijpen met operatie, medicijnen, en meer. Maar vele van die behandelingen zijn (nog) niet echt goed. Bijwerkingen of een onvolkomen werking zijn eerder regelmaat dan uitzondering.

Ik vind het altijd meer dan goed te lezen als er weer een stap is gezet in een goede diagnose, waar vaak een goede behandeling op gebaseerd is. Zo bestaat er onderzoek dat heeft laten zien dat het met een paar zogenaamde biomarkers in het bloed mogelijk is aan te tonen of, en zo ja, hoe zwaar iemand lijdt aan een bipolaire stoornis, en ook: wat het effect van medicatie zoals antidepressiva is.  Deze objectivering is wat de psychiatrie dringend nodig heeft. Om van alle hocuspocus, ‘black boxen’, vage blabla en psychoanalytische therapieën af te komen. Of zoals een van de onderzoekers zegt in een quote:

“This discovery is a major step towards bringing psychiatry on par with other medical specialties that have diagnostic tools to measure disease states and the effectiveness of treatments.”

Lees dit artikel van de BBC over het onderzoek naar biomarkers.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 12

Beste B.,

Recentelijk gaf je in je columnpje (mag ik je erop wijzen dat het woord column het enige woord in het Nederlands is dat op een n eindigt en toch de verkleinvorm met -pje heeft?) op je website en in diverse damesbladen een antwoord op de volgende vraag:

Mag mijn kind meekijken met porno als het meekijken liefdevol gedaan wordt?

Ik ben echt heel boos geworden dat je durft te stellen dat meekijken oké is, ALS aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Je geeft die voorwaarden dan, maar echt, hoe durf je!

Het feit dat je niet kijkt naar andere factoren, zoals uit welk land die porno komt, of uit welke tijd, dat kan echt niet. Hoe moet ik bijvoorbeeld mijn kind uitleggen dat mensen vroeger hun schaamhaar gewoon lieten staan en dus niets afscheerden?

En dan nog: moet de porno liefdevol gedaan worden, of het meekijken liefdevol?

Ik ben geen schaamhaar wijzer geworden!

Xaviera, moeder van 13 kinderen.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 11

Niet geachte mede-psychiater,

Hoe durf je mensen advies te geven op internet. Ik ben ook psychiater en ik doe mijn werk echt niet op een scherm. Het idee alleen al.

De divan. Niets anders. Hoor je me?

Je bent een schande voor onze beroepsgroep.

En je bent nog niet half zo goed als ik.

Walgelijke vent! Narcist!!

Peter H. te A.

© Rick Ruhland 2018

De poot om op te staan

Het café dat aan de Vismarkt ligt, opent al vroeg in de ochtend. Op dat uur loopt het café vol met marktlieden die met een koffie en een likeur de dag beginnen, en die pas weer tegen 5 uur binnenkomen voor een pul bier.

Zodra zij naar hun kraam gaan en de handel proberen te verkopen, wordt het even rustig, maar dat duurt niet lang. Het is alsof een ieder die al wel wakker is en niet meer thuis wil zijn, zich daar verzamelt. Oude mannen met hoed en stok, juffers met hun laptop die een creatief beroep doen of daar de illusie van willen wekken, geliefden die het kleffe, naar liefdeszweet stinkende bed voor een moment hebben verlaten, toeristen. Het is een komen en gaan, iedereen is welkom, niemand valt op, de benen die ik zie vanuit mijn plek naast het grote raam duiden op gewone mensen in een gezellige kroeg.

Met uitzondering van elke dinsdagochtend rond even voor elf uur. Dan komt een man binnen die aan mijn tafel gaat zitten. Een wat stijve man, die vaak in grijze broeken en en beige vesten is gekleed. Hij rookt niet, hij drinkt niet, hij loopt vaak hard. Dat is wat ik van hem weet.

Niet veel later komt zij binnen.

Zo ging het tot nu toe: zodra zij zit, gaat zijn hand onder het tafelblad. Eerst is die hand alleen maar onder het tafelblad, maar na een seconde of tien gaat zijn wijsvinger richting zijn lies en krabt daar een minuut lang. Elke keer weer. Het duurt een paar minuten, dan haalt hij zijn geslacht naar rechts en dat is nu stijf. Zij heeft inmiddels beide handen onder de tafel en trekt haar rok omhoog. Ze draagt geen ondergoed. De vingers van haar andere hand strelen haar schaamlippen.

Als ze aan mijn tafel zit, draagt ze meestal rode pumps. Meestal zet ze een pump op de staander van mijn tafel en drukt ze een vinger tussen haar schaamlippen terwijl haar duim haar klit masseert. Nu ook.

Maar vandaag is een dag als geen andere dag. Zij wrijft wel, maar hij niet. Hij brengt zijn hand weer boven tafel.

Door het tafelblad heen hoor ik hem zeggen:

“Je kunt niet langer mijn patiënt en mijn minnares tegelijk zijn.”

Haar hand stopt, haar dijen klappen dicht, haar voet op mijn houten poot glijdt weg.
Dan zet hij zijn voet op mij. Aan zijn zool kleeft hondenpoep. Ik ruik de penetrante geur van de poep, die hij aan mijn hout afveegt.

“Maar mijn emotionele focustherapie moet door gaan, Peter, want ik word zo geil van psychiaters, en ik kan nergens meer gewoon zijn zonder mezelf te bevredigen.”

Geruisloos zijn de benen van de kelner naderbij gekomen.

“Peter, je moet me blijven bevredigen,” zegt ze veel te hard.

Peter springt overeind, glijdt uit over de poep op mijn tafelpoot, bewaart nog net zijn evenwicht en rent het café uit.

© Rick Ruhland 2018

Groeien, stoeien, knoeien: voor sommigen onderzoek doen is beitelen aan het ego

Wetenschap, dat was ooit mijn ding. Ik kon volledig opgaan in het bedenken van onderzoekvragen, van antwoorden, van een onderzoekmethode, van het lezen van literatuur, in het redeneren en argumenteren, en ik genoot als ik data kon analyseren en daar een uitspraak over kon doen.

Wat mij destijds bij een groot deel van de wetenschappers wel opviel, was hun oogklepperij. Vrij vertaald: hun vermogen om hun onderzoeksobject(en) vanuit het eigen straatje te bekijken en te zoeken naar bewijzen van datgene wat ze al dachten, ook daadwerkelijk in de data aan te tonen.

Wat ik miste bij de meeste van die wetenschappers was relativeringsvermogen en het vermogen om onderzoek in een ander daglicht te zien, vanuit een andere invalshoek, om zichzelf kritisch onder de loep te nemen. En: ik mist iets wat ik mezelf wil boven brengen. Een veelweter, een kenniszoeker buiten de eigen interesses. Een homo universalis. Wat ik ook miste was het vermogen om iets met kritiek en feedback en andere data en andere verklaringen te doen.

Dat laatste, het venijnig reageren op kritiek op het eigen onderzoek, kwam dit weekend weer eens aan het licht. In een artikel in NRC met de titel ‘Help! Hij groeit’ wordt het boek Oei ik groei van Frans Plooij weer eens onder aandacht gebracht. Het boek, dat begin jaren 90 uit kwam, was destijds een van de vele hulpboeken voor ouders.

Dat boek, en Plooij zelf ook, kwam eind jaren 90 behoorlijk in het nieuws. Een van mijn gewaardeerde collega’s destijds, Carolina de Weerth die net als ik bezig was met een proefschrift over ontwikkelingstransities, had nauwgezet onderzoek gedaan en kwam tot de conclusie dat het boek van Plooij, die een stuk of wat exact getimede groeispurts meende te hebben gevonden, wetenschappelijk niet door de beugel kon. Sterker, die groeispurts kon niet zo exact worden gevonden. Even los van definities en van wetenschappelijke literatuur en meer van dat soort academische kwesties: baby’s zijn in ontwikkeling en dat gaat niet zonder stoot of slag. Het boek van Plooij is ook niet perse onzin. Het boek speelt wel handig in op ouders die zich onzeker voelen. Gezien de verkoop van het boek over de jaren heen zijn dat er veel. Ik vermoed ook dat veel jonge ouders vandaag de dag niet meer weten wat hun eigen (groot)ouders deden toen zij kinderen kregen. Niet in het boek van Plooij kijken, dat is duidelijk.

Misschien saillant detail: het onderzoek waarop Oei ik groei is gebaseerd was niet eens naar menselijke baby’s, maar naar jonge primaten. En: ik heb nooit het idee gehad dat dat onderzoek uitblonk in heldere definities en een welomschreven begrippenkader.

Mijn punt: de wijze waarop destijds door Plooij – toen nog buitengewoon hoogleraar, een tijdelijke baan, want zijn contract liep na 5 jaar af en de universiteit besloot – terecht – zijn aanstelling niet te vernieuwen – de publiciteit zocht en mijn collega Carolina probeerde af te branden, was stuitend. Nog steeds denk ik dat daar niet alleen een hoge ijdeltuiterij (die wetenschappers over het algemeen eigen is) een rol bij speelde, maar ook het feit dat de verkoop van Plooij’s boek mogelijk zou lijden onder dat nieuwere onderzoek, waarin de groeispurts werd betwist. Hij probeerde zijn eigen promovenda af te maken in de media. Ik heb hier thuis een groot deel van de artikelen die destijds in de grote kranten en tijdschriften verschenen, en ook de optredens van hoogleraren (mijn eigen promotor en Plooij zelf) in diverse televisieprogramma’s heb ik bewaard.

IMG_7697.jpg

Ik ben van mening: pleit beslecht. Plooij heeft het verkeerd aangepakt met zijn benadering, met het zoeken van de publiciteit. Hij had het in de wetenschap moeten oplossen. Als ik zijn persbericht van destijds lees, najaar 1997, dan is dat een bericht waarin Plooij van zich af slaat en schopt. Niet netjes. De resultaten van zijn onderzoek waren niet zo eenduidig dat die met een andere, betere onderzoeksopzet bij (menselijke) baby’s konden worden gevonden. Dat was alles. Maar niet voor Plooij.

Maar goed, olifantje met een lange snuit erbij gehaald en einde verhaal. Toch?

Nee. Wat lees ik dit weekend in het NRC? Plooij’s dochter (ik heb op internet zo snel niet kunnen vinden of deze vrouw gestudeerd heeft of niet, maar laat ik eens aannemen van wel, vermoedelijk iets met andragogie of met commerciële economie; heeft ze zelf ook onderzoek gedaan? Zou kunnen, maar ik heb geen idee) doet daar een paar duiten in de zak. Zij is van mening dat het originele onderzoek en de onderbouwing van Oei ik groei – ‘internationaal talloze keren gerepliceerd’, staat in het artikel als quote – nog steeds goed is. Nog een quote van haar: ‘Als je daar [bij het gerepliceerde onderzoek, RR] vraagtekens bij zet, heb je de literatuur niet goed gevolgd. Dit is geen wetenschappelijke discussie maar een persoonlijke vete.’ Dat laatste klopt: dat is een vete die haar vader 20 jaar geleden is gestart. En die blijkbaar moeiteloos in haar verder gaat. Opvallend aan het citaat over de replicatie van het onderzoek van Oei ik groei is wat mij betreft dat het onderzoek misschien wel gerepliceerd is, maar de resultaten niet (?).

Ik ken het onderzoek van Carolina goed en ik was bij menige discussie over het onderzoek dat zij deed (zij en ik waren met nog twee andere onderzoekers-in-opleiding deel van een aandachtsgebied van NWO). Tot aan het gelazer leek Plooij wel eens moeite te hebben met de kritiek en de resultaten van De Weerth, maar die leek hij te slikken, alsof hij wist: dat is nou eenmaal onderzoek doen. Kritiek geven en krijgen, en daarmee je werk verbeteren.

Na zijn persbericht van 30 oktober 1997 was duidelijk: hier was een man aan het woord die kritiek krijgen niet zo makkelijk slikte. Die feedback krijgen zag als ongelijk krijgen. Die misschien wel zijn boekverkoop gedwarsboomd zag? Ik heb geen idee. Wat ik wel als idee heb: zijn dochter is blijkbaar een appel die niet ver van de boom is gevallen. Ook zij schopt van zich af.

En waar gaat het om? Een paar lastige momentjes in het eerste jaar van een baby. Als vader heb ik die momenten ook meegemaakt. So what?

Na die woelige maanden in 1997en 1998, vol verdachtmakingen en zwartmakerij en waarin ik zelf ook promoveerde tot doctor, wist ik: in de wetenschap van de 21e eeuw is geen plek voor een homo universalis als ik. Wegwezen dus. En zo geschiedde!

Meer lezen? Hier. Geen wetenschappelijk exercitie maar gewoon een wikipedia-pagina.

© Rick Ruhland 2018

Notes regarding my blog

This winter and early spring, I posted dozens and dozens of texts on my blog. Not all good, sometimes even very bad. But I had to. My brain, my mind, my spirit if you will, was in a manic phase. My mood had to go, and I had to follow. I knew it myself, and there was nothing I could do about it (except for pills and shrinks, both no option in my life; contact me if you want to know why). There is no choice, no option in a manic period: I was at the mercy of my mind.

With regard to this blog: I posted on a lot of subjects, with no direction, no bigger idea, no whatsoever.

SInce Japan, the manic mood swings have been replaced by something similar sinister: the opposite of manic moods. It’s not that bad this time, I seem to have some energy to makes long walks through the countryside, to write stories and work on my novel, to make music with my formidable band, and occasionally I can even stand other people. But the energy is fading, sleep is becoming an issue again, smoking and drinking are on the increase, and there’s more shit happening.

Anyway, I am still here and I decided to post less frequent, more substantial. Longer texts, maybe specific weekdays for specific subjects, no hurry, because, well, in this given situation time is not a factor. That means: the concept of time is for a bipolar person like me meaningless. I can still read time on computer or clock, but time beyond today is a tricky concept. Even worse: I do not know how to handle time.

So, if you are following my blog, do not worry. I am sort of okay. I am familiar with my mood swings, my bipolarism, and have been with those periods of ‘moodism’ for over 30 years. I managed to stay alive. Somehow. I have help from wife, family and friends.

And I will post, less often though, stories (fiction) and thoughts (facts). Maybe even start organising my posts: certain posts on certain weekdays (like the photo’s on Friday).

I don’t know how things will turn out, blogwise. However, I know I had to write this post to get this of my chest.

© Rick Ruhland 2018

Toen ik van de sociale media vertrok 3

Ik ben dus vertrokken van een aantal sociale media. Eerder schreef ik twee stukken waarom (1 en 2). Vandaag het laatste stuk.

Een ding moet me daarbij op voorhand van het hart: ik heb niet het licht gezien. Ik heb evenmin een nieuwe set van leefregels. Natuurlijk: de mens die ik nu ben is een eind verwijderd van de mens die ik was de helft van mijn leven geleden. Dat wil niet zeggen dat ik nu beter leef, perse. Wat dat ‘eind verwijderd’ wel wil zeggen: ik heb in de loop van mijn leven – sinds ik een student was en niet meer bij mijn ouders woonde – steeds weer iets andere keuzes gemaakt. Op een gegeven moment kies je niet meer voor datgene wat je kort daarvoor nog als het mooiste beschouwde dat er te halen was in de wereld. Nou was er wel een soort van ‘klein probleem’: er is bijna niets dat mij niet boeit. In alles is wel iets interessants te vinden. De kunsten, wetenschap, menselijke interactie, taal, geschiedenis, ruimtevaart, biologie, waanzin, koken (en ik kan nog wel even doorgaan, wat ik voor nu laat): goed beschouwd boeit mij al sinds kind ‘alles’. Hongerig naar kennis, naar weten, naar redeneren, naar alles.

Dat werd met de mogelijkheden van internet niet minder. Eerder meer. Als het gaat om mijn eerste internet-ervaringen: die stammen uit de begin jaren 90. Ik was aangesteld als onderzoeker bij een universiteit en een van de voordelen van die baan was de beschikking van rudimentair internet. Gopher, Mosaic en Netscape browsers, zoekmachines als Altavista, later kwamen daar nieuwsgroepen en ICQ bij. Ik kon na mijn werkzaamheden als onderzoeker en docent uren lang in nieuwsgroepen vertoeven (groepen die met alt.* en rec.* begonnen, bijvoorbeeld). Ideeën over onderzoek en bijbehorende wetenschappelijke vragen speelden een rol, maar ook vragen over mijn hobby’s (zoals muziek) en het delen van mijn eigen kennis kreeg in die nieuwsgroepen vorm. En het moet gezegd, gratis (weliswaar toen nog met veel moeite) porno jpg’s.

Wat ik toen al besefte: wat was dat alles verslavend! Voor een mens als ik – met een homo-universalis-mentaliteit – was die wereld van kennis en kunnen uitwisselen je reinste hemel. Daar wilde ik steeds zijn. Maar het had een keerzijde: ik werd er op een gegeven moe van. Ik kon niet meer stoppen. Later werd me duidelijk dat die vele kennisbronnen, al die websites, verslavend werkten bij mij. Drugs voor de breedgeoriënteerde en diepgeïnteresseerde begaafde die ik ben. In diezelfde tijd, en dat begon al in de jaren 80, kon ik spelletjes als Arkanoid en Tetris niet uitzetten. Zelfs als ik een tentamen had de volgende dag, was ik in staat om tot het ochtendgloren te spelen. Met vierkante ogen zat ik vervolgens het tentamen te maken. En te halen.

Er zat en zit iets in de games en het vroege internet dat ik nu doping noem. Dat iets zorgde voor stofjes in het hoofd. Stofjes die het verlangen naar meer vergrootten. Een beloningsgevoel, terwijl je geen inspanning had geleverd of hoefde te leveren. Internet voelde als een beloning. Het vinden van kennis en informatie zonder veel beperkingen en zonder veel inspanning (zoals naar de bibliotheek of boekhandel gaan voor een boek en dat dan openslaan) voelde als een bevrijding en ook een beloning.

Ruim tien jaar geleden kwamen nieuwe mogelijkheden op internet. Mensen konden communiceren (…) met anderen via zogenaamde ‘sociale media’. Ik schrijf ‘zogenaamde’ want communiceren is niet wat er gebeurt. Wat opvalt is dat bij deze ‘sociale media’ het model van zender-boodschap-ontvanger-medium-ruis-feedback-context volledig is losgelaten. Het is zenden en meer niet. De boodschap is niet relevant, en die mag zelfs onzin, fake, domheid zijn. Feedback op deze media wordt alleen gegeven als je elkaar een veer in de reet kunt steken of om een andere neer te halen. Niet om de zender een betere zender te maken of de boodschap duidelijker. Ruis is er niet meer, waardoor alles heel zuiver lijkt, maar dat verre van is. En context, ach, die is niet nodig in de Digital Galaxy, dat is iets van ver voor Facebook en Instagram.

In mijn ogen en naar de mening van veel anderen is het nog erger gesteld. Sociale media zijn er vooral om te zenden. Om aandacht te krijgen, ongeacht de boodschap. Sociale media zijn de grote queeste voor bevestiging van iemands bestaan. Fifteen minutes of fame uitgesmeerd over de secondes dat iemand online is.

Recentelijk hebben diverse mensen uitspraken gedaan over sociale media. Wat er mis mee is. Niet zozeer vanuit Russische inmenging in de westerse politiek, de verkoop van big data aan de hoogstbiedende, het plaatsen van nepnieuws, of vergelijkbare kwesties. Nee, over de invloed op de psyche en de sociale coherentie van de menselijke soort. In de volgende quotes (zie ook hier en hier voor de bijbehorende artikelen) over social media staat wat mij stoort aan sociale media:

“The short-term, dopamine-driven feedback loops we’ve created are destroying how society works.”

“[Social media] hook customer engagement through regular dopamine spurts.”

Vluchtigheid. Verslaving. Zintuigarme beleving van een werkelijkheid die geen werkelijkheid is, maar alleen op een scherm te zien is en die zonder smaak en geur is.

Het was een lange weg van mijn eerste schreden op internet tot de zogenaamde sociale media, maar die sociale media zijn niet meer dan de McDonaldisering van sociale relaties. Ik heb dan ook met een aangenaam gevoel afscheid genomen van met name Facebook en Instagram. Hoe dat voelt? Heerlijk. Soms zelfs opluchting. Ik heb die wereld van likes niet nodig.

Wat ik wel wil en heb: terug in het nu, het hier, bij echte vrienden, in de tastbare werkelijkheid.

Ver weg van de asociale media.

© Rick Ruhland 2018

Bloedig mikado

Ze hield van een spelletje mikado, had ze me vaak gezegd.  Gisteren zei ze dat ze een nieuwe set had gekocht.

Ze liet me een foto zien.

IMG_6808.jpg

Ik vroeg haar of het niet gewoon tandenstokers waren waar bloed op zat.

Ik hoefde niet aan te dringen.

Ja, zei ze zacht.

Ze dacht dat ze met zulke houten prikkers aan acupunctuur kon doen en zo de demonen uit haar lijf kon halen.

© Rick Ruhland 2018