Hogmanay!

Vandaag is de laatste dag van het jaar 2018. Een dag die goed is voor twee posts op mijn blog, want verder is er weinig anders te doen dan eten, drinken en samenzijn.

In Schotland, een van de landen die ik dit jaar heb bezocht en waar ik wederom (net als bij Japan) met een goed gevoel een aantal dagen heb vertoefd, heet de laatste dag van het jaar Hogmanay. Deze laatste dag gaat gepaard met gewoontes als het geven van cadeautjes en het bezoeken van buren en vrienden.

Het woord hogmanay zou volgens linguïsten een Gaelic, Franse en Noorse oorsprong kunnen hebben. Ik denk dat het anders zit, namelijk als volgt:

Het woord hogmanay is afgeleid van een Oudnederlands* woord, namelijk higunnan.Dit woord, dat bekend is uit het regeltje

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu

betekent zoiets als beginnen.

Dat zou heel goed kunnen aansluiten bij het idee dat na oudjaarsavond het volgende jaar begint.

Hogmanay! Een nieuw begin. Bouwt allen een nieuw nest in 2019!

© Rick Ruhland 2019

* Terzijde, volgens sommige literatuurvorsers annex taalwetenschappers is deze regel niet geschreven in een oudere versie van ons huidige Nederlands, maar heeft de tekst een Oudwestnederfrankische oorsprong, en misschien zelfs een Kentse (als in het graafschap in Engeland), waar naar alle waarschijnlijkheid de schrijver van de regel,  een West-Vlaamse monnik, Latijnse teksten overschreef in een klooster.

Advertisements

Vaar naar een Schots eiland: Skye

Skye. Het gevleugelde, mistige eiland. Dat zouden de betekenissen van de naam Skye kunnen zijn. Het eiland Skye ligt voor de westkust van Schotland en is een van de binnenste Hebriden. Het is tevens het op een na grootste eiland in Schotland (na Lewis/Harris). Hoewel eiland: sinds 1995 is het eiland verbonden via een brug met het vasteland.

Ik was in september 1991 voor het eerst op Skye, maar reisde toen eigenlijk vooral over het eiland naar Uig om daar de boot te nemen naar Harris. Wat ik me van die ene dag op Skye vooral herinner was de buschauffeur die ons – ik reisde niet alleen – van Kyleakin via Broadford en Portree naar Uig bracht. Tijdens de rit had hij verhalen, o.a. over hoe een Haggis-mannetje en een Haggis-vrouwtje elkaar vinden (Haggis is een soort van nationale dis van Schotland die vooral uit vlees bestaat):

’For all Ye tourists aboard, this is the place where they catch haggis. Let me tell you about the Haggis. The male haggis has two legs on the back, the female has two at its front and they walk backwards. It takes about six months to mate. And if you want to shoot one, use a porridge gun.’

We overnachten in de hostel van Uig. Die overnachting op Skye was nodig, omdat we te laat aankwamen in Uig voor de boot naar Harris. De hostel is recht tegenover de steiger waar de boot de volgende ochtend zou vertrekken richting Outer Hebrides. Uig is niet de gezelligste van alle jeugdherbergen van Schotland: meer een transit-punt dan een doel. Wel zaten er die avond drie Duitsers die net als wij Monty Python liefhebbers waren. Zij maakten die ene avond aangenaam, aangezien zij alle films hadden gezien (maar dan in het Duits). Wij hadden ze allemaal gezien zoals het hoort. Dus tot aan het slapen gaan was het spel dat zij het Duitse citaat gaven en dat wij dan de Engelse variant gaven. Leuk, erg leuk. De drie Duitsers hadden veel lol gehad om ons grote quote-vermogen, maar wij moesten verder. Hieronder: de pier en het uitzicht vanaf de hostel (de volgende ochtend):


….
Twee later was ik weer op Skye, en toen heb ik echt het een en ander gezien van het eiland. Het was augustus, de drukste maand van Schotland. Dat toeristische blijft voor Schotse begrippen binnen de perken, maar het is gewoon drukker dan zeg juni of september. We kwamen van het noorden. Onze eerste week Schotland zaten we op Mainland Orkney. We hadden besloten om vervolgens een kleine week op Skye te zijn. We kampeerden eerst op de camping bij Portree, en reisden (lopen, liften) het eiland rond:

Wat ik me herinner is de blik op de Cuillins, het eten bij een lokaal restaurant (dat is nu 25 jaar geleden, ik denk niet dat het restaurant er nog zit. Het was een vegetarische restaurant zonder licence.

We eindigden die week met een kampeerplek aan de zuidoostelijke kant van Skye, op een plek waar een aantal mensen wild kampeerde. Niet ver van Armadale, waar een veerboot naar Mallaig vertrekt. Veel midges, dat is de herinnering aan die plek op Skye.

Schotland 1993 Armadale bay

Die eerste twee keer was ik met een ander. Dat maakt een reis anders: je bent dan op elkaar gericht. De laatste keer Skye was drie jaar later, in september 1996, en ik reisde alleen. Met de trein naar Kyleakin aan de westkust. De veerboot is al jaren verdwenen. In 1996 lag de Skye-bridge er zeer vers bij.

Schotland 1996 Skye Bridge.JPG

Niet bepaald een brug van veel feest. Omdat de brug een privaatonderneming is, moeten de inwoners van Skye betalen voor elke rit over de brug. Dat riep logischerwijs veel weerstand op: niet alleen betaalt iedere Brit al wegenbelasting, maar bovendien is het veer voor vracht- en personenwagens uit de vaart genomen. Over bleef een pontje voor wandelaars en fietsers, op een kilometer van de brug. Dat pontje nam ik om naar het eiland te komen.

Skye lag er prachtig bij dat najaar. Ik liep naar de doorgaande weg en stak daar mijn duim omhoog. Liften is altijd mijn manier van rondreizen in Schotland geweest. Ik heb ook gereisd met trein en bus, maar zeker in de afgelegen streken is liften een ideale manier van voortbewegen. Ik kreeg een lift van een man die werkte bij de Skye-bridge. Ik vroeg hem wat al die SKAT-stickers op auto’s betekende. Met enige schroom zei hij dat het Skye & Kyleakin Against Toll betekende. Hij bracht me naar Broadford, een eerste stap op weg naar Uig. Maar de mooiste lift was vanaf Broadford naar Uig, van een jonge vrouw die als drugskoerier werkt. Niet letterlijk natuurlijk: ze werkte voor een groot farmaceutisch bedrijf en probeerde pillen aan artsen te verkopen. Ze scheurde over het eiland, met een omweg over Dunvegan (zag het kasteel tussen de bloeiende struiken op de achtergrond liggen). Zij nam de boot naar Harris, die ik een dag later zou nemen. Tegen een muur van de jeugdherberg, in de zon, schoot me de herinnering van 5 jaar eerder te binnen. Destijds, toen ik met een vriend door Schotland reisde, zat ik de hele avond binnen, met drie Duitsers, terwijl het buiten ‘cats & dogs’ regende. In 1996 was het droog, zonnig, Indian Summer-warmte.

Op het grootste Hebriden-eiland overviel me de gedachte dat ik in Schotland niets hoefde te zien. Daar zijn was genoeg.

En toch, ik schreef uit niets meer of minder dan onvermogen:

“De steen aan de baai gloeit een gat in de nacht.
Iemand moet hebben gezien
Hoe hij rechtop is gezet.
Een baken uit het verleden
voor mij een teken
een herinnering dat wij niet blijven.
Waar de steen steeds bij nacht en bij ontij
sinds mensenheugenis
en millennia voordien
geschiedenis schrijft,
is hij, met dezelfde genen,
heengegaan naar nergens.
Droevig staat ik naar lichtjaren ver.”

Stenen hebben een langer leven dan een mens.

Wel, dit is wat ik mij herinner van Skye. Meer niet. Ik moet nog eens terug. Zo heb ik de Cuillins nog niet van heel dichtbij gezien, laat staan dat ik die beklommen heb.

Ook wil ik terug naar Trotternish. Daar zijn vele fossielen te vinden, waaronder de pootafdrukken van dinosaurussen. Hier meer informatie.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #3

Waarom heb jij wat met malt whisky?

Mijn eerste reactie, uit een reeks van vele reacties? Emotie. Malt whisky is voor mij een emotionele kwestie an sich die heel diep gaat. Dat heeft onder andere te maken met de herinnering aan mooie momenten dat ik een glas whisky dronk. Mijn eerste reis naar Schotland (en overigens alle volgende reizen). Min studententijd, toen ik nog whisky onder de tien gulden kocht (Mansion house; een blend die goedkoop was en ook nog te drinken was). En ook: de eerste keer dat ik een speciale whisky dronk, op een speciaal moment. Ik noem er een paar: een glas Lagavullin in de Sandwick social club op Shetland toen ik door een vriendelijke Shetlander werd meegenomen na een regatta + bbq in de baai in de buurt van Mousa. Een glas Coal Ila na een avond muziek maken in de bar van het Kildonan hotel op Arran. Een glas (ik weet niet meer welke whisky) in de Star Inn in Stornoway, Lewis, vlak voordat ik op de ferry naar Ullapool zou stappen. Een glas Port Ellen bij de geboorte van mijn zoon. Kortom, op meerdere momenten in mijn leven tilde ik een glas (en heel af en toe zelfs een halve of halve fles) whisky op om te genieten van dat moment en van dat goede vocht. Herinnering en emotie, dat is een krachtig duo dat alleen maar krachtiger wordt door de smaak en geur van whisky. Hoewel ik whisky niet vaak in Schotland drink, is de herinnering aan dat land impliciet en expliciet verbonden aan die prachtige land. Geef me een goede malt whisky, en je ziet met terstond wegdromen en genieten van herinneringen aan Schotland.

Een goede malt? Dat is een whisky met diverse lagen geur en smaak. Daarin zit dus het tweede waarom van whisky: de variaties in smaak en geur (en kleur, maar daar let ik minder op als ik whisky drink). Daar zit ook het grote verschil met andere dranken zoals gin, rum, of cognac. Sommige mensen zijn verknocht aan die dranken. Als iets als gin goed spul is, dan kan ik er wel van genieten. En toch, er mist iets bij zo’n drank. Een woord dat het gemis samenvat, is gelaagdheid. Gelaagdheid van smaken en geuren. Die is bij whisky groter, meen ik te kunnen zeggen. Van grassig en rokerig turfachtig tot bloemig en chocolade-achtig tot kruidig en zelfs peperig. Zoet, jodiumzout, boterig. En dan is er nog iets wat dranken als gin en wodka niet hebben voor zover ik weer: de verschillende kleuren. Van haast doorzichtig cremewitgeel via goudbruin en notenhout tot roodbruin. En zeer belangrijk: de ‘palate finish’. De smaak en geur achterin de mond als de whisky is doorgeslikt. De smaak van whisky is trouwens zo divers door de plekken waar de stokerij staat, het gebruikte water, de stills (waarin gestookt wordt), de soort vaten en de duur van het rijpen, soms zelfs de gebruikte turf en het soort gerst.

Nog een kant van de drank: de mensen die echt genieten van een goede whisky. Ik was recentelijk bij een slijterij in Amsterdam (Ton Overmars bij het Hoofddorpplein) en dan sta ik gerust een uur te praten over de verschillende whisky’s die ik zou kunnen kopen, gegeven mijn voorliefde voor een krachtige, rokerige, wat ziltige whisky met een licht boterige ‘tong’ en een wat tannine-achtige afdronk. Boorsma in de Pijp in Amsterdam is ook een goed adres voor een gesprek over whisky. Veel van de whisky-liefhebbers zijn ook nog eens in Schotland geweest, dus dat is een tweede reden om met hen om te gaan.

Wat whisky een extra glans geeft: de combinatie met eten. Vooral bepaalde kazen (zoals de cheddar variant Red Leicester) en goede chocolade gaan uitstekend samen met een malt whisky. Voor sommigen gaat eten en whisky (ook wel food pairing genoemd) veel verder, zoals in restaurant Hielander in Alkmaar. Voor een idee van gerechten en whisky, zie hier. Ik houd het bij een kleine versnapering van kaas of chocolade met wat oat cakes erbij. Je moet wel de hoofdzaak in het vizier houden en de bijzaken blijven zien als, wel, bijzaken. Heel soms mag ik ook genieten van een sigaar bij mijn glas whisky, maar dat valt niet echt onder de noemer eten te brengen.

Ik houd dus van een goed glas alcohol, en dan zeker iets met ballen. Wat in ieder geval heel duidelijk is: de smaak van whisky is niet een eenduidige. Niet makkelijk te duiden. Het is de gelaagdheid, het enorme bereik aan kleuren, geuren en smaken, de herinnering, het diepere genot. Het is een drank die je niet weg drinkt zoals je een glaasje melk, een bier of een ander destillaat achterover slaat. Sommige whisky’s zijn an acquired taste, daar moet je de tijd voor nemen. Maar dat is juist wat whisky zo geweldig maakt: het maakt dat je de tijd neemt. Moet nemen. Om af te remmen en to ponder on life.

Whisky is meer dan een drank. Whisky is meer dan een levenswater. Whisky is whisky.

© Rick Ruhland 2018

Terug naar Schotland 3: Colonsay

Colonsay was net als Jura een eiland dat ik nog niet eerder had gezien. Het is naar mijn idee en voor mijn gevoel van de Binnenste Hebriden het meest Buitenste Hebriden-achtige eiland. De schoonheid van het lichtheuvelige landschap maakt daar deel van uit, maar – en ik kan er naast zitten – ook het besef dat mensen op deze eilanden in een andere tijd leven (niet vroeger of later dan nu, maar in een onwerkelijke, niet van ons tijdsbesef afhankelijke tijd). Mensen die met een andere aardsheid de dag doorkomen. Net als bij eilanden als Barra, de twee Uists en Benbecula krijg ik bij de mensen daar het gevoel dat zij een weerbaarheid hebben die de meeste mensen in mijn eigen land allang niet meer hebben. Dat gevoel van de Outer Hebrides heeft met de ligging, de natuur, maar dus ook met de bewoners te maken. Die zijn, anders dan op bijvoorbeeld de nabije eilanden (dus Mull, Jura, en Islay), nogal verstrooid over het eiland, zonder echt grote nederzetting, en ze zijn gewend aan het ruige klimaat, en aan de zelfredzaamheid.

Als je zoals ik wild kampeert, dan is af en toe de aanwezigheid van een douche en vers water wel zo fijn. Die bepalen soms dus de keuze van een plek voor je tent en waar je gaat overnachten. Op Islay kun je op meerdere plekken op een (soort van) van camping staan. Op Jura zijn de mogelijkheden minder. Er is niet echt een camping, en als je wilt overnachten kies je of voor een hotel, hostel of selfcatering. Maar daar zat ik nou juist niet op te wachten. Ik wilde wild kamperen. Niet perse hardcore, maar als het niet anders kan: zo wild als het maar kan. Craighouse was een goede starplek voor mijn wandelingen en ik vond het idee van een pub in de avond ook niet vervelend. Ik koos dus op Jura voor de camping bij het hotel in Craighouse.

Op Colonsay heb je niet eens de optie van een camping. Ik wist dat natuurlijk al, aangezien ik me had ingelezen over Colonsay. Dat eiland, ongeveer 15 km bij 3 km groot, ligt ten noorden van Islay, ten westen van Jura en ten zuiden van Mull. Het is een van de eilanden van de binnenste Hebriden, maar voor mijn gevoel heeft het meer weg van de buitenste Hebriden. Dit is de pier van Colonsay:

IMG_8773.jpg

Colonsay heeft een bootverbinding met Islay (tocht van 70 minuten) en met Oban (tocht van 2 uur en 20 minuten). Ik kwam van Jura, en voer via Islay naar Scalasaig. Dit ‘dorpje’ heeft alles wat verder op het eiland niet te krijgen is: de ferryterminal, een supermarkt en een bookshop, en een koffiehuis waar je ook wat kunt eten. Wil je dus weg van het eiland of wil je voedsel en drinken, dan moet je daar zijn. Maar ik had besloten daar niet te zijn. Ik besloot naar een baai aan de noordkant van het eiland te gaan. Die baai heet Kiloran Bay, en kijkt uit naar het noorden, op Mull. Een hele baai voor mij alleen:

IMG_8710

Als je over een klein eiland als Colonsay wandelt, is het onvermijdelijk dat mensen je groeten, op straat en ook vanuit de auto. Menigeen spreekt je ook aan en wil wel weten wie je bent en waar je vandaan komt. Ik kwam aan op een zonnige zaterdag, maar de dag erna was een zondag met veel wind en een striemende regen. Het was mijn enige regendag. Die regen stopte me niet. Ik ging er uit, in de storm en de striemende druppels. Na een halve kilometer was ik goed nat. Niet getreurd, ik wist waar ik aan begon.

Ik ging er uit om de winkel te bezoeken, een uur lopen van mijn tent. Wandelen is niet alleen van A naar B komen, het is ook opgeslokt worden door de eigen gedachten. Bezig zijn met de vragen des levens, of bezig zijn met nieuwe ideeën voor je werk, of hoe het staat met vriendschappen. Of zelfs de vraag hoe het staat met jezelf. Ik hoorde door die waaier van gedachten heen plots een stem. Nou hoor ik vaker stemmen, dus aan een stem meer of minder besteed ik niet altijd aandacht.

Toch draaide ik me om en zag toen een kleine witte auto, met het raam open en daar uit hangend een blonde, oudere vrouw. Ik liep naar de auto en kreeg de onherroepelijke vraag: ‘Heb je een lift nodig?’

Die lift sloeg ik niet af, zeker niet omdat de stromende regen inmiddels mijn sokken had bereikt. Ze bracht me naar de shop (die op dat moment nog dicht was), en vroeg toen of ik zin had in een kop koffie bij haar thuis. Ik had toen al door: deze vrouw heeft verhalen. En daar kan ik altijd naar luisteren. Daar wil ik naar luisteren.

Ik heb een uur bij haar op de tweezitsbank gepraat over het leven, de liefde en onze bezigheden als ‘kunstenaars’. Als mensen die creëren. Ik zou dolgraag elke dag in Nederland zulke gesprekken willen hebben. Helaas, dat kan niet. Mensen zoals zij en ik zijn buitengewoon schaars gezaaid.

Wat een bijzonder uur was dat. Bijzondere uren is wat de Schotse eilanden in petto hebben: die aangename verwondering dat je nooit weet wat je zult meemaken, maar dat er altijd mensen zijn die een verhaal hebben of om een verhaal verlegen zitten.

De dag erna was het uitermate zonnig en dan hoor je ook de stilte. Je hoort de stilte op een eiland. Een blatend schaap of een zoemende hommel of een vlaag wind over de hei verbreekt af en toe de stilte, maar daardoor weet je weer wat stilte is. En wat je ziet onderweg? Staande stenen. Een golfbaan met schapen. Een Viking fort.

IMG_8755.jpg

IMG_8767.jpg

IMG_8772.jpg

Dat was een lange wandeldag, met prettige en prachtige vergezichten. Van de tent tot de staande stenen, van de golfbaan met de schapen tot het vikingfort. Die 15+ km was a day well spend.

Ik bezocht een laatste keer de shop. Over die shop: in vergelijking met mijn allereerste bezoek aan Schotland is er krankzinnig veel veranderd en zelfs de laatste jaren verandert Schotland in hoog tempo. Veel eilanden produceren sinds een hun eigen gin en in de winkel van Scalasaig kon maar liefst drie soorten Italiaans bier krijgen (niet dat ik daar nou op zat te wachten, I’m just saying).

IMG_8723.jpg

De laatste nacht sliep ik licht en ik was midden in de nacht een paar keer buiten mijn tent. Het was raar: ondanks de bewolking en geen kunstmatige verlichting was het niet pikdonker. Eerder late schemer.

Tien dagen op de Hebriden maken een ander mens van je. Zulke dagen halen de betere kant van mij boven.

Zou ik ooit nog daar gaan wonen, of is reizen naar deze eilanden nou juist dat wat ik moet doen? Op mijn sterfbed zal ik een antwoord kunnen geven.

Voor nu, en na deze reis: Tapadh leat, Alba. Móran taing! Tot de volgende keer.

© Rick Ruhland 2018

Terug naar Schotland 2: Jura

De Hebriden. Een groep eilanden ten westen van het vasteland van Schotland. Van de meer dan 100 eilanden en rotsen zijn vijftien eilanden bewoond. Sommige eilanden, zoals Skye en Mull, zijn groot en naar Schotse begrippen toeristisch, andere, zoals Colonsay, zijn klein en leeg.

27 jaar geleden was ik voor het eerst op de Hebriden. Een andere keer zal ik van die eerste keer verhalen (ik zag toen Skye, North Uist, Harris, en Lewis). Ik heb sindsdien elke keer dat ik in Schotland was, op eilanden vertoefd. Niet noodzakelijkerwijs de Hebriden, maar van de tien reizen naar Schotland was ik één keer niet op een eiland, namelijk mijn eerste keer Schotland in 1987.

Ik heb de Hebriden lief. Proberen dat in woorden om te zetten, waarom dat liefhebben en wat die liefde dan behelst, is onbegonnen werk. Elke liefde die zo diep gaat als die van mij en de Hebriden / Schotland kan alleen goed gezien en misschien begrepen worden in de blik in mijn licht vochtige ogen (ja, de overdrijving moet), en het kippenvel op mijn armen als ik op de ferry ben en het vasteland heb losgelaten.

Als je naar de Isle of Jura wilt, en daar was ik nog niet eerder geweest, dan kun je daar op twee manieren komen. De ene manier is via Tayvallich, op het vaste land. Van daar vaart een kleine veerboot die alleen passagiers, fietsen en huisdieren meeneemt, en die in Craighouse aanmeert. De andere manier is via Islay. Aangezien ik al op Islay was, was dat de logische weg om naar Jura te gaan. Van Port Askaig vaart een kleine ferry naar de overkant.

Jura, de naam stamt af van vermoedelijk het Noors-Gaelic voor hert, Dyrøy (hoewel ook het idee bestaat dat de naam van het woord voor ‘uier’ komt, Jurøy, vanwege de Paps van Jura, de bergen van het eiland), is een leeg eiland. Dat merk je meteen als je op het eiland aankomt met de ferry vanaf Islay: er staat alleen een wachtlokaal. Het eerstvolgende huis is niet meteen om de hoek. Feitelijk is Jura dunbevolkt. Van alle bewoonde eilanden komt Jura op plek 31 qua meeste inwoners van de Hebriden.

Ik was van plan om wild te kamperen op Jura, maar toen ik een lift kreeg aangeboden die naar Craighouse ging, heb ik die aanvaard. Eenmaal in Craighouse, eigenlijk het enige dorp op Jura, wilde ik daar blijven. Wild kamperen? Een andere keer. De gemakken van een douche, wc en vers water (feitelijk was het grasveld een mini-camping), en ook nog een pub en een shop, allemaal op nog geen minuut lopen, tja, die beïnvloedden mijn keuze op nogal indringende wijze.

IMG_8652.jpg

Eigenlijk ben je dan nog steeds in de bewoonde wereld. Hoewel dat op Jura een wat vreemde term is, want er wonen mensen op Jura, maar het aantal bewoners is ergens rond de 200. Het aantal herten wordt geschat op 5000. Go figure.

Er loopt min of meer maar één weg over Jura. Hier en daar is er een zijweg zoals naar Keills, maar je kunt alleen maar van zuid naar noord en terug, aan de oostkant van het eiland.

Op Jura is wandelen dat wat je doet. Ja, je kunt een hapje en een drankje doen in het hotel, de Jura stokerij bezichtigen, even langs de shop, de townhall en de koffieshop. Maar daarna is natuur dat wat de klok slaat. Ik had deze keer alleen niet mijn wandelschoenen bij me. Dat betekende ook dat ik niet de boglands in kon. Boglands, dat zijn (net als in Ierland) velden en heuvels bezaaid met turf. Onregelmatig qua ondergrond, erg nat, en niet ongevaarlijk omdat je een enkel of knie zo verzwikt hebt. Los daarvan moet je in de heuvels en boglands van Schotland niet zonder kaart zijn, en aangezien je nauwelijks bereik hebt met je mobiele telefoon, is het raadzaam om anderen te vertellen dat je de wildernis in gaat. En: ga goed gekleed en heb water en voedsel bij je.

Ik ben dit keer op de wegen gebleven. Niet dat het dus minder mooi is:

IMG_8546

Jura is trouwens ook het eiland waarop George Orwell verbleef en hij het grootste deel van de roman 1984 schreef. Wat voor mij het bezoek des te interessanter maakt was het feit dat ik deze zomer de roman 1q84 van Murakami heb gelezen.

Ik heb genoten van de wind, de wolken, de zon, de regen. De vriendelijkheid van de mensen (die je te pas en te onpas een lift aanbieden). Wat ook een belangrijk onderdeel is van the island life: de mensen die naar Jura en andere Hebriden-eilanden reizen, zijn nou niet wat je noemt liefhebbers van het massatoerisme, van het onnadenkende doen wat anderen doen, van ranzige strandcultuur. Het zijn mensen die de rust zoeken, het goede gesprek, die verlangen naar het weer opladen van de geest en de ziel.

Ik heb voor een volgende keer nog het noordelijke deel van het eiland op het programma staan, met o.a. de draaikolken in de golf van Corryvreckan. Want dat is Schotland ook: one visit is never enough. Het land en de eilanden blijven aan me trekken.

© Rick Ruhland 2018

Terug naar Schotland 1: Islay

De Hebriden. Een groep eilanden ten westen van het vasteland van Schotland. Van de meer dan 100 eilanden en rotsen zijn vijftien eilanden bewoond. Sommige eilanden, zoals Skye en Mull, zijn groot en naar Schotse begrippen toeristisch, andere, zoals Colonsay, zijn klein en leeg.

De eilanden worden verdeeld in de Inner en Outer Hebrides. Die laatste zijn de eilanden van Vatersay tot Lewis, en liggen in de Atlantische oceaan, ten noorden van Ierland. Ik heb deze buitenste Hebriden allemaal gezien, en daarover schrijf ik een andere keer meer. De Inner Hebrides liggen dichter bij het Schotse vasteland, en van de Inner Hebrides heb ik inmiddels een deel gezien. Skye, Mull, Staffa, Iona, Arran. Er is nog een hoop te bezoeken, zoals Rum, Eigg, Tiree, Coll.

Negen jaar geleden was ik voor het eerst op Islay (uitspraak: aila). Het eiland, het meest zuidwestelijke van de Hebriden, was vooral bekend bij mij vanwege een whisky die ik een paar decennia geleden voor het eerst dronk: Bunnahabhain. Een stevige, rokerige whisky. Meer wist ik niet van Islay. Maar nieuwsgierig was ik wel. In 2009 was ik daar met mijn vriendin (nu vrouw). We meerden aan in Port Askaig en met de bus kwamen we terecht op de camping Port Mor, niet ver van het dorpje Port Charlotte, dat onder de rook van een andere distillery ligt, namelijk Bruichladdich.

Islay, en het volgende geldt voor eigenlijk alle Hebriden, kent een klimaat dat vooral gekenmerkt wordt door westelijke winden en de warme golfstroom. Veel wind, maar ook vier seizoenen in een dag. Nooit langdurige regen in de zomer, en door de zuivere lucht krijg je rap een gebruinde huid. Echt warm wordt het weinig op een eiland als Islay, maar dat maakt wandelen tot en aangename bezigheid. Negen jaar geleden heb ik met mijn vrouw-to-be wat plekken bekeken: de buurt rond Loch Gorm, de heuvels tussen Gearrach en Cultoon (waar een steencirkel staat), en ook de zuidwestelijke hoek van Islay, met de stokerijen van Ardbeg, Lagavullin (tour gedaan), Laphroaig, en Port Ellen (die mijns inziens de beste Whisky van de wereld heeft geproduceerd in de jaren 70 en 80; de stokerij is gesloten in 1983, maar er staat een heropening gepland in 2020) hebben we toen gezien.

Wat maakt Islay zo bijzonder? De whisky’s zijn absoluut een onderdeel. Ik heb alle whisky’s in huis gehad. Mijn favoriet is weliswaar Port Ellen, maar ook Lagavullin, en de reeds genoemde Bunnahabhain en Bruichladdich kun je me altijd voorzetten. Los van  de whisky is het eiland heerlijk om te wandelen. Rond Loch Indaal, die als een wig van noord naar zuid in Islay steekt, loopt de weg: van Portnahaven, een klein dorpje aan de zuidwestkust via Port Charlotte en Bowmore naar Ardbeg aan de zuidoostkust. Op de kleinere wegen, allemaal single track dus om te passeren moet je bij een passing place op elkaar wachten. De westelijke kust is rotsig.

139

Op sommige plekken, zoals bij Bridgend Hotel, waar de wegen naar Port Askaig, Portnahaven en Port Ellen beginnen, staat wat bos. Maar het merendeel van het landschap heeft dit karakter:

IMG_8467

Bovenstaande foto is van de steencirkel van Cultoon, waar ik mijn vrouw ten huwelijk vroeg.

De eerste keer negen jaar heb ik niet alles gezien. Dit jaar keerde ik terug voor twee nachten, en dit keer heb ik de drie stokerijen aan de noordkant gezien (Bunnahabhain, Coal Ila en de nieuwe: Ardnahoe die binnenkort opengaat). Op de terugweg naar Post Charlotte liep ik om via Finlaggan, waar ooit de Lord of the isles zijn zetel had:

IMG_8459

Ik zag dus ook de steencirkel weer, en ik heb Portnahaven bezocht:

IMG_8473

Wat betreft die stokerijen: er komt mogelijk nog een nieuwe stokerij, tussen Laphroaig en Port Ellen in. Dan komt het totaal op 11, nee, 12, als Gartbreck ook doorgaat. En wat als oude sites als Port Charlotte weer in productie gaan? Ik heb een paar mensen gesproken op het eiland en die zien nog meer stokerijen niet als een zegen, zoals de website van Scotch Whisky dat wel ziet. Wat is wijsheid? Time will tell.

Islay, dat is ook ‘island live’. Mensen groeten elkaar, en als je vooral loopt langs wegen, een wandelaar zoals ik, dan zwaait elke automobilist even. Sterker, als je ergens wandelt en met je eigen gedachten bezig bent, moet je niet raar opkijken als een auto stopt, je getoeter hoort, en dat de bestuurder vraagt of je een lift wilt.

Die eerste keer op Islay heeft meteen een levenslange fascinatie en indruk achtergelaten. Toen ik er eind vorige maand weer was, voelde dat als thuis komen.

Scotland is simply another place to call home.

© Rick Ruhland 2018

Voorrang

Ik zat in de auto afgelopen week. In een grote stad rijden betekent beter opletten dan in een dorp of landelijke omgeving. Veel andere auto’s, taxi’s, bussen, trams, fietsers, voetgangers, toeristen, etc. etc., en vooral ook veel van dat alles. Je eigen zin doorzetten leidt tot ongelukken. Juist in een stad is het goed en wijs om de verkeersregels te respecteren. Het valt des te meer op als je een tijd buiten Nederland bent geweest dat hier meer het recht hebben op wat dan ook en beter menen te zijn dan andere mensen.

Bij een kruising moest ik wachten op het tegemoet komende verkeer en op fietsers en wandelaars die tegelijk groen licht hadden. Ik wachtte rustig, net als de auto voor mij. Maar de auto daarvoor niet. Die reed met gierende banden weg toen het stoplicht op groen sprong. Toen hij aankwam bij het zebrapad, waarop mensen liepen die voorrang hadden, sloegen bij deze ‘man’ de stoppen door. Met het raam open schreeuwde hij iedereen die lopend overstak toe en maakte ze voor vuil, ratten. Complete kortsluiting in de kleine hersenen.

Ik weet dat mensen in een grote stad opgefokter zijn. Onbeschofter. Maar bij deze man was de overtreffende trap bereikt. Hij was zo extreem verdorven vertoornd dat zijn hele gezicht misvormde en de spieren in zijn keel aanspanden en bijna door zijn huid heen staken.

Hij is voor mij nog steeds het prototype Nederlander (het was een blanke klojo-majeur) dat boos wordt als het niet krijgt wat het wil, waar het recht op heeft. Zijns inziens. Alleen zijns inziens. Het is een vergaarbak van onbeschoftheid, halsstarrigheid, cynisme, in-zichzelf-gekeerdheid, en botheid. Het is het type levend wezen dat als reactie op een goedbedoelde lach, jou een beuk verkoopt. Alles vanuit het standpunt ‘Ik heb hier recht op’.

Tja, en dan moet je wel voorrang krijgen, en dan mag je daar iemand voor dood rijden.

Het hoge zombie-gehalte van de medemens valt des te meer op als ik de hemel ben geweest. Japan. Het land, de natuur, de bewoners, het fatsoen. Japanners weten nog wat het is om samen te leven.

Een andere hemel: Schotland, voor de gelovigen onder ons ook te schrijven als ’s Godland. Een land bevolkt door Schotten (…). Wat zo goed aan dat volk is: de openheid, de verhalen, de goedmoedige grappen, de whisky, de behulpzaamheid. Schotten zijn zoveel verder ontwikkeld dan Nederlanders.

Ik moet nodig weer terug. Ik ga gauw weer terug.

© Rick Ruhland 2018

Hert

Reusachtige rotsen rijzen op uit woest water. Boven op het eonen oude gesteente staat een machtig hert, de blik woest, te staren over het schuimende oceaan, aan de rand van Europa. Hij heeft kort daarvoor met zijn metersbrede gewei een man die met zijn geweer klaar stond om de jacht te openen op elk dier dat in de hooglanden rondwaart, over de rand geduwd. De machtige bok kijkt met schuim op de lippen naar de gebroken, bloedende man op het rotsstrand, en kijkt dan naar de hemel. Terwijl de stormt joelt, klinkt boven de razende golven uit een luid burlen.

© Rick Ruhland 2018

Egocentrisch

Ik mag graag met anderen zijn. Ik speel bas in een band, ik train en coach een basketbalteam met gemotiveerde dames, ik ben een gepassioneerd vader, een echtgenoot die het wiel steeds weer uitvindt, in het verleden ook nog acteur in gezelschappen en docent aan instellingen voor hoger onderwijs. Geen solist perse.

Nou, er is iemand in mijn verleden (en ik kom heus nog terug op deze kwestie en de persoon die daarbij hoort) die mij egocentrisch, nee, erger, narcistisch heeft genoemd. Hoewel deze persoon zijn recht tot het uitoefenen van zijn vak zou moeten worden afgenomen (ik zal op een ander moment uitleggen waarom), heeft deze persoon op een punt gelijk. Ik houd van mijzelf. Ik haat mijzelf niet. Ik ben trots op de dingen die ik heb gedaan. Ik ben trots op mijn motivatie, mijn drang tot verder komen. Ik geloof dat je ergens kunt komen door tijd, energie en volharding in je werk te stoppen. Als je niet bang bent om boven het maaiveld uit te komen.

In een ander opvallend opzicht ben ik zeker egocentrisch. Dat heeft te maken met mijn volledige naam. Ik ben vernoemd naar mijn twee opa’s. Van de Nederlandse opa kreeg ik de eerste geboortenaam: Hendrik. Van de Duitse opa kreeg ik de tweede geboortenaam: Georg. Mijn achternaam is ook van de Duitse familie: Ruhland.

Nou, als je mijn volledige naam bekijkt, dan valt op dat ik alle klinkers, alle vocalen in het Nederlands in mijn naam heb. Dus: a, e, i, o, u. En dat met slechts 19 letters in totaal. Dus gemiddeld is de verhouding klinker-medeklinker 1 op 3. Hoe bijzonder is dat?

Maar wacht, het wordt nog beter. Voor hen die weten dat ik een groot adept van Schotland ben, die zal het niet als een verrassing komen dat ik een geweldig anagram van mijn naam kan maken:

Drunk highland goer.

Het lot van het Albafiel zijn (Alba is een andere naam voor Schotland) zat vanaf mijn geboorte in mijn naam.

© Rick Ruhland 2018

 

Sbrunch

Half way between noon and night the meals most people already have had are breakfast and lunch. On most Saturdays, like today, we still have to start our first decent meal. Normally it is something Japanese, French or British.

Today we will have a meal that I would like to call Sbrunch. It’s a meal between lunch and supper. Today, it is a British sbrunch: sausages, eggs, tomatoes, onions, toast. Maybe we call in some baked beans, black pudding and mushrooms.

IMG_6397.jpg

Btw, it’s not a linner, sunch or a dunch. Those three are more orientated around evening meals whereas a sbrunch is a breakfast after noon that could last till late night.

© Rick Ruhland 2018