Spiegelzwijn en de volgzame ezel 2: De bostuin

[Wat vooraf ging, staat hier]

Ija Ezel had de hele nacht na zijn bezoek aan Spiegelvarken (die heette eigenlijk Zeug Spiegelzwijn, maar Ija, Egel, noemde beestjes als Zeug niet graag bij de naam) in verwarring doorgebracht. Niet door wat Spiegelvarken had gezegd. Die zei wel vaker iets waaraan geen touw viel vast te knopen.

Nee, het ging om wat hij *over wie* gezegd had. Voor de duidelijkheid: Spiegelvarken was een van die zoogdieren die graag andere de maat nam, omdat hij meende dat hij het beter wist. Die andere dieren bovendien graag onder zich hield.

Hij had zich uitgelaten over Wylde Egel. Die was geen vriend van Spiegelvarken. Wylde Egel werd beschouwd als een profiteur, als een crimineel, als een klaploper. Hij was tot voor kort de deelsecretaris van Oude Woud.

Wylde was daarenboven ook nog eens een einzelgänger. Een dier dat zich niet liet kooien. Spiegelvarken was daar niet van gecharmeerd. Die zag Egel als een zelfverrijker. Bij de behandeling van de jaarlijkse begroting voor de tuin in het bos, waar elk dier een stukje mocht bebouwen voor de eigen consumptie.

Het bleek dat Wylde tijdens de laatste bosvergadering zich nogal denigrerend had uitgelaten over de dieren die hun stukje land vooral mooi wilden maken. Wylde meende dat dat niet kon, dat daar de subsidies niet voor bedoeld waren.

Spiegelvarken, niet vies van een onderhands dealtje met iedereen die hem rijker kon maken zonder dat hij er iets voor hoefde te doen, werd een beetje pissig.

‘Je bedoelt toch niet dat je meent dat er sprake is van corruptie bij de toekenning van subsidies?’

‘Nou..’ weifelde Wylde.

Spiegelvarken had Egel indringend aangekeken.

‘En hoe staat dat in verhouding tot vele integriteitskwesties die uw partij plagen? Dat moet toch wel te maken hebben met de gerichtheid van uw partij op het bedrijfsleven, van de schoorstenen uit de stad.’

Wylde slikte een keer, keek naar zijn persvoorlichter en kreeg een briefje aangereikt. Na kort lezen sprak hij de legendarische woorden, woorden die als vervuilde modder aan het plafond van Spiegelvarkens moraal bleven hangen:

‘Ik ben twee jaar deelsecretaris van bosbouw geweest. Daar zie je een grote vermenging tussen politici en tuindersverenigingen. Dan gaat het over subsidies. Iets waarvan je kunt zeggen: dat is misschien nog wel erger, want dat is belastinggeld waarmee geschoven wordt, in clubjes die daarover besluiten. Maar het lijkt wel alsof dat soort contacten geaccepteerd zijn en contacten met het bedrijfsleven niet of in mindere mate.’

Spiegelvarken sloot uit zijn slof, die hij vervolgens oppakte en in zijn hand hield. Hij sprak toen de legendarische woorden die nog steeds het bos in vele kampen verdeelden:

‘U geeft geen antwoord op de vraag. U verlegt corruptie in eigen kring naar iets ongerelateerds. Terwijl u vergeet vermelden dat het geld in het bos wordt verdeeld op basis van geoorloofde, op beleidskeuzen gebaseerde structuren. Terwijl uw partij vooral baat heeft bij de schoorsteensmeerpijperij van de stad. En als het al zo is dat er bij de tuinsubsidies om ongeoorloofde zaken ging, waarom heb je als staatssecretaris nooit keihard opgetreden? Als het inderdaad zo is dat bij de subsidietoekenning sprake was van de foute vermenging van politici en misschien misbruik van gemeenschapsgeld, dan heb jij je werk niet goed gedaan. Dan keur je het toekennen van kleine subsidiepotjes af door de aanklachten van het Openbaar Tuinisterie aan uw adres, zoals fraude en omkoping, af te doen als noodzakelijke contacten met de gifmakers die de fabrieken van de stad runnen. Ik zou deze slof naar uw hoofd kunnen gooien. Maar dat doe ik niet. Want ik ben een fatsoensmens.’

Wylde lachte de opmerkingen weg.

‘U bent een slecht verliezer, Spiegelvarken.’

Maar dat was het enige dat Egel kon zeggen.

Ezel kwam een dag na die aanvaring in de vergadercentrum, dat op de tra in het midden van het bos stond, bij Spiegelvarken over de vloer. Een maand later moest Wylde Egel vertrekken en sindsdien is onduidelijk wat van de voormalig deelsecretaris is geworden.

Ezel lag in zijn bed en dacht aan de woeste blik in de ogen van zowel Spiegelvarken als Wylde Egel. ‘Waar was de samenhang tussen ons dieren gebleven?’ Hij zuchtte. Hij had van zijn opa het muilpaard verhalen gehoord over de strijd tussen de werkpaarden en dressuurezels, zoals hij die noemde. En hoe de wereld bijna ten onder ging aan de strijd tussen het dorp en de stad. Opa had niets met solidariteit, maar voor iedereen was er een plek, zo meende hij. Behalve voor Wylde en Spiegelvarken, dacht Ezel grimmig.
Dat zou hij Spiegelvarken eens voorhouden de volgende keer.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Waarheid is meestal warheid

Ik wilde eigenlijk vooral schrijven aan mijn roman vandaag (en tussendoor ook nog op mijn bas spelen ter voorbereiding van een gig komend weekend), maar wie schrijft, moet minstens net zoveel lezen als schrijven. Om ideeën op te doen, om te zien hoe anderen schrijven, om zoveel meer redenen. Het houdt de geest verser en frisser dan wanneer je alleen je eigen verhaal gelooft en opschrijft.

Wat dat laatste betreft las ik zojuist een artikel met de volgende zin:

We tend to remember the cases that fit our narrative.

Het onderwerp van het artikel is niet echt belangrijk (het was iets wetenschappelijks, over de relatie tussen gebeurtenissen in de digitale wereld en gebeurtenissen in de analoge wereld), maar deze zin trof mij in het hart. Ik denk dat het idee van de zin klopt. De meeste mensen zullen datgene wat ze zien, horen, en algemener: denken, willen inpassen in wat ze al weten, wat ze geloven. Wat men al gehoord heeft moet door het nieuwe te horen verhaal worden bevestigd.

Dat leidt er altijd toe dat mensen bevestiging zoeken. Als iets anders is dan wat je dacht, dan is het waarschijnlijk niet waar. Of minder waar dan wat je eerst dacht. Mensen zijn behoorlijk vasthoudend in het blijven geloven in hun eigen gelijk. Hoe ongelijk zo ook hebben.

Schrijvers, wetenschappers, denkers, het liefst ook journalisten (maar die vergeten meer en meer hun taak) hebben de taak de wereld in een ander daglicht te zetten. Zij, en ik ook, moeten altijd blijven hameren op die andere kanten van welk verhaal ook.

© Rick Ruhland 2018

A reason to write

I make music (both performing and writing bass lines to songs), I am an actor (on stage and in front of camera), I write (scientific, poetic, bloggic, novelic, and more). I am not the only one who is creative, who likes to be ‘on a stage’, but different people have different needs, especially when it comes to those creative activities. So, what reasons could one have to make music, write, act, sculpt, direct a movie?

Let me stick to writing. For some people, writing is a way to become famous. Write poetry, a novel, essays, and people will know who you are. The only problem is: there are so many writers who publish. Books, blogs, literary journals, newspapers. Fame is hard to achieve. And why is that so important? Does it really make you a better person or artist? When I think about great painters, like Van Gogh, it is clear that they were not famous in their living years. He painted because that’s what Vincent wanted to do. Fame is futile. I could quote thousands about fame, I do one (since, hey, when you quote a famous philosopher, it means that you are clever yourself…):

“Wealth is like sea-water; the more we drink, the thirstier we become; and the same is true of fame.”

Schopenhauer allegedly said that. Or wrote that. Or had that in his mind.

So fame as a reason to write?

No.

Next please.

Some people want to write because they want to be rich. Earning some or a lot of money is their goal. A itsy bitsy teenie weenie insight on my behalf: becoming rich is only an option for the happy few. Those writers that sell a lot books (or other stuff that is associated with their writing). If you knew how many books are published each day, week, month, year, you probably would not consider writing one yourself. Earning a living? From writing? Good luck.

I have thought about another aspect of writing. The word is communication. Writing a book is about exchanging views, maybe to help others, to make someone happy. Is that really a reason to write? Call me a cynic, but I don’t really think that people who write want to communicate. A fraction of those writers, yes, maybe. But there’s at least one person in the world who doesn’t really care about communicating. If it happens, fine. If not, fine too.

Reason no. 4: interesting insights. Pardon my french, but that’s bull shit. Most people have no interesting insights. At. All. They’re rambling on about the sad, silly trivia of their lives. Period.

No. I have wondered ever I since started writing texts – other than those needed for school – why I write. In the beginning (when I was 11, 12) I wrote letters in German to a girl from Essen (40 years later, I still have her letters, that are written on pink paper and full of hearts and I wonder: what is she doing right now?). I started a journal many moons ago, and I still keep track of my live. I started writing my first novel in college. Since then: more novels, articles, thesis, blogs, poetry, short stories, even a play is in the making.

But why? Why do I write?

One of the writers I follow wrote a blog on art, being an artist and the (non-)importance  of pain and struggling.

I have my struggles. Probably like anyone else who wites. But that’s just a small fraction of the overall reason why I write. Actually, I don’t write because I feel pain or because I struggle.

No.

My reason to write is to get rid of those thoughts, stories, puns, and what have you. To make room for peace. And also: to make room for more stories. Which makes it kind of weird: I write to get those stories out of my head, only to fill them with new ones.

Here’s the twist: I want those new stories to be soothing. Alas, in the end most of those new stories in my head are not soothing at all. And they are so many. You loose one story, two or three or more pop up. So, I have to write more stories. Some would say: that sounds therapeutic. Well, if that’s the word, than that’s the case. It’s worse than that, Jim: it’s manic.

I do have another reason to write, though. I want to leave something behind. Something to be remembered for. Something which says: he was alive at some point in the human history. Maybe a sad reason, but that is what keeps me going.

© Rick Ruhland 2018

Kogels van vertrouwen

Niemand die ik ken is doodgegaan vandaag,

Honger heeft geen hond in deze stad

Nergens in de straat is een bom geëxplodeerd,

Er is geen mooie droom uiteengespat.

 

En toch is het een dag koud, grauw en klam

Die hoofdpijn geeft en botten verstijft.

Vandaag is zo’n dag dat onze geesten scheiden

En is grijs de kleur die op het netvlies achterblijft.

 

Het is de dag dat een rat voor eeuwig in ons huis leeft,

Een dag dat niemand voorrang geeft, ook niet op het zebrapad,

Koude druppels hangen aan skeletten van bomen

Aan geen enkele tak hangt nog een felgekleurd blad.

 

Honden schijten op de stoep en meeuwen op mijn hoofd

En ik vraag me af of iemand nog in de liefde gelooft.

 

Het lukt niet om de grauwe werkelijkheid buiten te sluiten

Het lukt niet te bedenken dat dit niet eeuwig duurt.

Nee, het enige dat ik op dit moment nog kan bedenken:

Ik heb al mijn kogels van vertrouwen afgevuurd.

 

De waanzin en de chaos marcheren door mijn hoofd

En ik vraag me af of iemand nog in de liefde gelooft.

 

Kogels van vertrouwen schieten gaten

in het panster van de bitterheid

Maar vandaag missen ze hun doel

Want iedereen leeft in zijn eigen tijd.

Frank Zappa

Hi, It’s me, I’m back. Dit is een tekst van The Central Scrutinizer, een stem op de langspeelplaat Joe’s Garage van Frank Zappa. Zappa werd een held van mij toen hij die plaat uitbracht. Niet een plaat met standaard deuntjes en ritmes, niet je couplet-refrein-couplet-refrein-solo-refrein-liedje.

Zoals The Central Scrutinizer op een gegeven moment terugkomt op de plaat, nadat hij de inleiding van Joe’s Garage heeft gedaan, zo kom ik ook terug op mijn weblog, nadat ik de inleiding hier heb gedaan, jaren geleiden.  Geen idee of ik nog steeds de volgers heb die ik had, 2 jaar geleden. Ik hoop wel dat jullie er nog zijn, en dat er andere mensen bij komen. Misschien dat we af en toe van gedachten kunnen wisselen.

Dit blijft een blog om mijn mond open te doen over alles wat groeit en boeit. Soms vermengd met fictie. Werkelijkheid is ook niet alles.

© Rick Ruhland 2017.