Scenes from a thesis: modelling development

“One of the main concerns […] is how to account for quantitative growth in development and how to relate this quantitative growth to qualitative analyses and to the parameters in the model. The definition of such quantitative growth (or development) is an autocatalytic quantitative increase in a growth variable following the emergence of a specific structural possibility in the cognitive system. In other words, language development (or cognitive growth in general) consists of growth which is expressed in numbers (quantitative) and which is not entirely caused by some external factor (autocatalytic). This growth is caused by the system itself, i.e. change is induced by the cognitive system itself.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Advertisements

Scenes from a thesis: rule guided development

“The importance of the concept of a language structure is that in any language, but also during development this structure follows rules. In other words, language and language development is not without a goal. There is an end state in development, which is described and explained with the aid of linguistic theory. Language development, i.e. the change from no language to that end state, is not a proliferation of change that is adrift, but a series of learning events in time that is rule guided, although these rules do not need to be innate or explicitly learned.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Zoontaal: snelwegen van de geest

Tijdens het avondeten spraken mijn zoon en ik over het leren van een vaardigheid. Dat begon ermee dat ik een woord gebruikte dat hij nog niet eerder had gehoord. Het woord was adaptief.

Ik legde hem uit wat het betekende en hij zei: ‘Dierenpaden.’

Ik keek hem aan. Hij nam weer het woord.

‘Als je iets nog niet vaak hebt gedaan of geoefend, zit dat nog niet goed in je hersenen. Dan zijn je hersenbanen nog niet ingesleten. Dierenpaden.’

Hij nam een hap van zijn rijstmaaltijd en keek me aan.

‘Als je iets heel vaak hebt gedaan, dan kun je het goed en snel. Dan wordt je aandacht niet snel afgeleid. Dat zijn de snelwegen van de geest.’

Ons gesprek ging verder – ik vroeg onder andere waar hij die kennis vandaan had – en ik vroeg hem vlak voor we van tafel gingen of iemand die adaptief is eerder gebruik maakt van dierenpaden of snelwegen. Dierenpaden, zei hij resoluut.

Af en toe vind ik het ronduit jammer dat ik dit soort gesprekken met mijn zevenjarige niet vaker met volwassenen kan voeren.

© Rick Ruhland 2018

 

Scenes form a thesis: performance vs competence

“In sum, there is no evidence that the development of function words [or language, for that matter) is best explained from a linear or discontinuous point of view. The non-linear fitting has implications for the study of language development. It does not mean that age averages are wrong.
However, one must be careful with respect to certain claims about development. Group
data do not yield a solid description of (individual) development. Only age dependent
development (i.e. strictly timed development) will benefit from such averages. The
second point to be made is that whatever the averages, in all cases the data are best
modelled by a non-linear fit.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Zoontaal: ruiken

Ik kom bij ons huis aan met mijn zoon aan het einde van de middag.

Terwijl ik de fiets op slot zet, kijkt junior omhoog alsof hij iets waarneemt.

Dan spreekt hij.

‘Ik ruik pasta.’

Ik draai me om naar hem.

‘Ik ruik niets.’

Hij houdt vol.

‘Ik ruik pasta. We eten toch pasta straks?’

Ik knik. Dan zegt hij de onsterfelijke zin:

‘Ik kan in de toekomst ruiken.’

© Rick Ruhland 2018

 

 

Zoontaal: eierstal

Mijn zoon is me er eentje. Hij kent diverse klepels en diverse klokken.  Soms denkt hij een klepel te weten, maar is het een lepel. Of een kok en niet een klok.

Zo wist hij mij te vertellen dat vrouwen een eierstal hebben met daarin eierstokken. Ik keur hem goed, al zullen veel vrouwen mij misschien nu toe roepen dat ik hem had moeten corrigeren, want: een baarmoeder is geen eierstal. Ik laat in het midden of ik dat corrigeren heb gedaan.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: development

“Development is not an unambiguous concept: there are several meanings (or definitions) of development. Development means growth, and growth is defined as an increase in size or value. This means that something has been present all the time, nothing new is added. Development also means evolution, which derives from the Latin evolve meaning to unfold or to open out. Stage of advancement is [also] listed as a definition of development, advancement being derived from the word advance, which means (among others) to rise or to move forward. [So], If change (e.g. to increase, to open out, to move forward) is the core aspect of development, the next step is to determine the treatment of change (development) in theories on development.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Psychologen in de wetenschap

Waar je mee omgaat… besmet je! Niet dat het levensgevaarlijk is, maar toch.

Ok, dat klinkt cru, maar het heeft een kern van waarheid waar ik niet om heen kan. Ik ben een decennium lang met psychologen omgegaan. Voor alle duidelijkheid: niet met therapeuten en aanverwante hulpverleners, maar psychologen in de wetenschap. Wat ik van hen leerde? Dat de psychologie een extreme behoefte kent om serieus te worden genomen. Een extreme behoefte om rekenschap af te leggen door gedachtegangen en experimenten te toetsen met statistiek. Ook het gebruik van het metaforen is de enige wijze om iets (zinnigs) te zeggen over des mensen geest. Ik was gelukkig eerst gevormd door een spitsvondige geest aan de letterenfaculteit van dezelfde universiteit; mijn professor Frans Zwarts. Ik wilde na diens inzichten alleen wel wat anders, een andere benadering van mijn specialisatie taalontwikkeling (de studie van linguïstische verschijnselen en veranderingen in de taal van een kind tussen geboorte en, in het geval van mijn onderzoek, het vierde levensjaar). Dus toen ik een uitnodiging kreeg om mijn proefschrift te gaan schrijven bij de psychologen, zei ik ja tegen een andere blik op taalontwikkeling. Heel belangrijk op dat moment: ik was weerbaar geworden door de taalwetenschap, ik was uitgerust met een sterk analyseapparaat, ik had de beschikking over een trits werkende en werkbare theorieën en modellen. Ik was weerbaar tegen de narratieve theorievorming. Want dat kenmerkt(e?) de psychologische wetenschap m.i. op niet mis te verstane wijze. Tot mijn verassing was er nog wat aan de hand: een gebrek aan een houtsnijdende gedragstheorie. En nog een kern van die wetenschap van menselijk gedrag en geest (waaronder ook beweging en spreken): het zonder enige ruggengraat (lees: gebaseerd op steekhoudend model of theorie) hanteren van de meest uiteenlopende wiskundige of natuurkundige of zelfs biologische analysemethoden, modellen en dergelijke.

Want dat was waar ik aan bloot gesteld werd: aan een discipline van denken en analyseren die nog steeds in de kinderschoenen staat. Of stond, misschien, want het is 20 jaren geleden dat ik promoveerde in de psychologie, en ik ben uit de wetenschap gestapt. Misschien is de psychologie een nieuwe weg ingeslagen. En misschien is de goegemeente in deze discipline ook minder bezig met zich groot voordoen. Want dat viel me wel op: de gevoeligheid voor kritiek en feedback, niet van buiten, maar van binnen. Ik was soms gewoon nieuwsgierig naar het waarom achter bepaalde methodes, theorieën, etc. En zulke vragen werden regelmatig gepareerd met een lichte vorm van angst. De angst niet serieus genomen te worden. Denk ik.

Maar het is een punt waar ik ook gaandeweg last van kreeg, waar ik mee besmet werd. Het moeten verdedigen van keuzes die vaak op intuïtie stoelden. Ik ben blij dat ik ook een linguïstische achtergrond heb, zodat ik me altijd weerbaar heb gevoeld en ook kon aangeven waar het goede van een ontwikkelingspsychologische gedachtegang in zat, al helemaal in het werk van mijn latere promotor, professor Paul van Geert. Hij formuleerde ideeën die praktisch waren, die een nieuw begrippenapparaat introduceerden, die tot theorievorming leidden en die ook goed waren voor de andere tak van de psychologie: therapeutische toepassingen.

Maar in het algemeen is het nog niet erg goed gesteld qua volwassenheid in deze tak van wetenschap. Ik denk dat het narratieve van de psychologie, het gebrek aan een theorie die niet op metaforen is gebouwd, en het lukraak grijpen naar tools uit de gereedschapskist van de exacte wetenschappen de ontwikkeling van deze discipline tot een wetenschap met ballen in de weg staat. Het is niet de reden dat ik de wetenschap verliet, maar het was zeker wel een van de redenen om niet te blijven.

De besmetting zit nog steeds achter mijn geestelijke oren, dus van dat alles is een residu overgebleven, maar mijn nieuwe richting in het leven, die van musiceren, acteren en schrijven, is een goed medicijn en wasmiddel tegelijk.

© Rick Ruhland 2018

Philosophical Phursday: Zoontaal

Op een dag besef je dat literatuur niet iets is wat je kunt bedenken of beredeneren. Het is geen wetenschap.

De vijfjarige hier in huis is een literator in de dop. Ik kan niet verklaren hoe hij tot zijn taaljuwelen komt.

Zijn laatste product:

“De schaduw van de regenboog.”

Waanzinnig. Hoe bedenk je het!

© Rick Ruhland 2015

Zoontaal: kartonmannen

De vijfjarige hier in huis verspreekt zich regelmatig, net als ik. Hij speelt met taal, net als ik. Hij is alleen net wat briljanter in zijn taalverhaspelingen. Reden: hij corrigeert zichzelf minder vaak. Deels omdat hij nog niet weet hoe het wel moet, deels omdat hij van mij leert dat met taal spelen een extra dimensie aan spreken en luisteren geeft.

Zijn recentste vondst: Kartonmannen.

Dat heeft niets te maken met dit:

arnold-cutout

Nee, kartonmannen is wat hij hoorde toen ik zei dat ik niet tot de kantoormannen gerekend wil worden. Ik spreek misschien niet duidelijk, maar het is goed om hem nu al ver van geestdodend werk te houden. Mannen op kantoor. Mannen van karton.

© Rick Ruhland 2015