Proefschrift van de week

Titel: Hergebruik van anaal methaan. Auteur: Man Cuair.

Samenvatting: In navolging van Alan Kligerman en Buck Weimer heeft de onderzoeker een technologische vraag in zijn proefschrift beantwoord. In de kern is de vraag: hoe kan de uitstoot van menselijke darmgassen worden hergebruikt? Bij het beantwoorden van de vraag spelen esthetische vraagstukken (zoals de geur en geluid van flatulentie) of commerciële belangen geen rol. Nee, de vraag van het proefschrift komt voort uit een behoefte aan duurzaamheid waarin de mens zelf een rol speelt. Cuair heeft daarbij mogelijke, makkelijk toepasbare technieken als uitgangspunt genomen. Hij komt tot de slotsom dat ondergoed met een dun laagje katoen bewerkt met dadelijn (een zachte, niet-natuurlijke variant van olivijn dat o.a. CO2 kan binden) methaan kan vangen. Het verwerken van ondergoed met dadelijn is nu nog te duur, maar als oplossing van methaanuitstoot en het gebruik als energiebron zijn onmiskenbaar.

Eindoordeel: Dit soort onderzoek is de toekomst. Innovatieve aanpak, duurzame oplossingen, economisch interessant. Het enige dat vaag is: dadelijn. Ik ben geen chemicus dus ik kan slecht beoordelen of dat een goede manier is om methaan te binden en later terug te winnen. Maar het is absoluut een proefschrift zoals er meer zouden mogen zijn.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Proefschrift van de week

Titel: Het recht op zelfbeschikking van electronika zonder RAM-geheugen. Auteur: S. Mixxer.

Samenvatting: Er komt in de carrière van een recensent altijd een moment dat hij of zij zich afvraagt: hoe is iemand überhaupt op het idee gekomen om iets te schrijven? Iets te componeren? Iets te onderzoeken? Bij het proefschrift van Mixxer was dat absoluut het geval. Het citaat op de pagina voor hoofdstuk 1 (een van de vele citaten in het proefschrift), uit Ik, Robot van Asimov is een aanwijzing: Mixxer heeft als startpunt de roman genomen en daaruit de problemen van zelfdenkende robots onder de loep genomen. Nou is Asimovs boek meer dan ruim een halve eeuw oud, en nog steeds actueel, maar dit onderwerp van onderzoek slaat als een tang op een varken. Elektronica met zelfbeschikking. Waarom?

Eindoordeel: De dissertatie van Mixxer (en ook ander werk van deze onderzoeker die uit de traditie van Andragogische automatisering komt) had nooit geaccepteerd mogen worden. De onderzoeker heeft zich namelijk op huishoudelijke apparaten gestort. In die categorie bestaat er alleen maar elektronica zonder RAM-geheugen.

© Rick Ruhland 2018

Toen ik van de sociale media vertrok 3

Ik ben dus vertrokken van een aantal sociale media. Eerder schreef ik twee stukken waarom (1 en 2). Vandaag het laatste stuk.

Een ding moet me daarbij op voorhand van het hart: ik heb niet het licht gezien. Ik heb evenmin een nieuwe set van leefregels. Natuurlijk: de mens die ik nu ben is een eind verwijderd van de mens die ik was de helft van mijn leven geleden. Dat wil niet zeggen dat ik nu beter leef, perse. Wat dat ‘eind verwijderd’ wel wil zeggen: ik heb in de loop van mijn leven – sinds ik een student was en niet meer bij mijn ouders woonde – steeds weer iets andere keuzes gemaakt. Op een gegeven moment kies je niet meer voor datgene wat je kort daarvoor nog als het mooiste beschouwde dat er te halen was in de wereld. Nou was er wel een soort van ‘klein probleem’: er is bijna niets dat mij niet boeit. In alles is wel iets interessants te vinden. De kunsten, wetenschap, menselijke interactie, taal, geschiedenis, ruimtevaart, biologie, waanzin, koken (en ik kan nog wel even doorgaan, wat ik voor nu laat): goed beschouwd boeit mij al sinds kind ‘alles’. Hongerig naar kennis, naar weten, naar redeneren, naar alles.

Dat werd met de mogelijkheden van internet niet minder. Eerder meer. Als het gaat om mijn eerste internet-ervaringen: die stammen uit de begin jaren 90. Ik was aangesteld als onderzoeker bij een universiteit en een van de voordelen van die baan was de beschikking van rudimentair internet. Gopher, Mosaic en Netscape browsers, zoekmachines als Altavista, later kwamen daar nieuwsgroepen en ICQ bij. Ik kon na mijn werkzaamheden als onderzoeker en docent uren lang in nieuwsgroepen vertoeven (groepen die met alt.* en rec.* begonnen, bijvoorbeeld). Ideeën over onderzoek en bijbehorende wetenschappelijke vragen speelden een rol, maar ook vragen over mijn hobby’s (zoals muziek) en het delen van mijn eigen kennis kreeg in die nieuwsgroepen vorm. En het moet gezegd, gratis (weliswaar toen nog met veel moeite) porno jpg’s.

Wat ik toen al besefte: wat was dat alles verslavend! Voor een mens als ik – met een homo-universalis-mentaliteit – was die wereld van kennis en kunnen uitwisselen je reinste hemel. Daar wilde ik steeds zijn. Maar het had een keerzijde: ik werd er op een gegeven moe van. Ik kon niet meer stoppen. Later werd me duidelijk dat die vele kennisbronnen, al die websites, verslavend werkten bij mij. Drugs voor de breedgeoriënteerde en diepgeïnteresseerde begaafde die ik ben. In diezelfde tijd, en dat begon al in de jaren 80, kon ik spelletjes als Arkanoid en Tetris niet uitzetten. Zelfs als ik een tentamen had de volgende dag, was ik in staat om tot het ochtendgloren te spelen. Met vierkante ogen zat ik vervolgens het tentamen te maken. En te halen.

Er zat en zit iets in de games en het vroege internet dat ik nu doping noem. Dat iets zorgde voor stofjes in het hoofd. Stofjes die het verlangen naar meer vergrootten. Een beloningsgevoel, terwijl je geen inspanning had geleverd of hoefde te leveren. Internet voelde als een beloning. Het vinden van kennis en informatie zonder veel beperkingen en zonder veel inspanning (zoals naar de bibliotheek of boekhandel gaan voor een boek en dat dan openslaan) voelde als een bevrijding en ook een beloning.

Ruim tien jaar geleden kwamen nieuwe mogelijkheden op internet. Mensen konden communiceren (…) met anderen via zogenaamde ‘sociale media’. Ik schrijf ‘zogenaamde’ want communiceren is niet wat er gebeurt. Wat opvalt is dat bij deze ‘sociale media’ het model van zender-boodschap-ontvanger-medium-ruis-feedback-context volledig is losgelaten. Het is zenden en meer niet. De boodschap is niet relevant, en die mag zelfs onzin, fake, domheid zijn. Feedback op deze media wordt alleen gegeven als je elkaar een veer in de reet kunt steken of om een andere neer te halen. Niet om de zender een betere zender te maken of de boodschap duidelijker. Ruis is er niet meer, waardoor alles heel zuiver lijkt, maar dat verre van is. En context, ach, die is niet nodig in de Digital Galaxy, dat is iets van ver voor Facebook en Instagram.

In mijn ogen en naar de mening van veel anderen is het nog erger gesteld. Sociale media zijn er vooral om te zenden. Om aandacht te krijgen, ongeacht de boodschap. Sociale media zijn de grote queeste voor bevestiging van iemands bestaan. Fifteen minutes of fame uitgesmeerd over de secondes dat iemand online is.

Recentelijk hebben diverse mensen uitspraken gedaan over sociale media. Wat er mis mee is. Niet zozeer vanuit Russische inmenging in de westerse politiek, de verkoop van big data aan de hoogstbiedende, het plaatsen van nepnieuws, of vergelijkbare kwesties. Nee, over de invloed op de psyche en de sociale coherentie van de menselijke soort. In de volgende quotes (zie ook hier en hier voor de bijbehorende artikelen) over social media staat wat mij stoort aan sociale media:

“The short-term, dopamine-driven feedback loops we’ve created are destroying how society works.”

“[Social media] hook customer engagement through regular dopamine spurts.”

Vluchtigheid. Verslaving. Zintuigarme beleving van een werkelijkheid die geen werkelijkheid is, maar alleen op een scherm te zien is en die zonder smaak en geur is.

Het was een lange weg van mijn eerste schreden op internet tot de zogenaamde sociale media, maar die sociale media zijn niet meer dan de McDonaldisering van sociale relaties. Ik heb dan ook met een aangenaam gevoel afscheid genomen van met name Facebook en Instagram. Hoe dat voelt? Heerlijk. Soms zelfs opluchting. Ik heb die wereld van likes niet nodig.

Wat ik wel wil en heb: terug in het nu, het hier, bij echte vrienden, in de tastbare werkelijkheid.

Ver weg van de asociale media.

© Rick Ruhland 2018

Kunstzinnig tijdreizen

Hoewel ik eerder een stuk schreef over tijdreizen, was dat stuk niet geheel serieus te nemen. Ik plaatste dat stuk tekst in de categorie Humor en liet daarin mijn licht schijnen over mensen die op internet confabuleren. Die verhalen hebben over hun tijdreizen, en dat uit de toekomst komen, en nooit uit het verleden, om overigens volstrekt logische redenen. Neem ik die mensen serieus? Nee. Niet omdat ik denk dat tijdreizen niet kan, want wellicht kan dat op een bepaald moment wel, maar omdat deze mensen lijken te leiden aan pseudologia phantastica, een aandoening aan het geheugen waarbij verhalen worden opgedist die vooral de bedoeling de aandacht te trekken. Die de toekomst (een moment na nu) idiosyncratisch weergeven, met ellende en uitvindingen en verbeteringen en weet ik veel wat meer.

En toch, tijdreizen boeit mij om meer dan de mogelijkheid an sich. De act van tijdreizen, het feitelijke verplaatsen van lichaam en/of geest, is niet de meest interessante kwestie. Interessanter vind ik de filosofische, wetenschappelijke, en kunstzinnige vraagstukken die opgeworpen door het concept tijdreizen.

Laat ik met de laatste beginnen, en als ik op den duur de energie en interesse vind om ook over die andere vraagstukken – wetenschappelijk en filosofisch – iets te schrijven, dan zal ik dat zeker niet nalaten. Het onderwerp tijdreizen is simpelweg te leuk en boeiend om daar niet alles van te willen weten.

Tijdreizen in de kunst vind vooral in boeken en films plaats. Dat wil zeggen, ik heb nog nooit gehoord van een schilderij, dansvoorstelling, beeldhouwwerk of muziekstuk (of welke kunstuiting buiten boeken en films ook) waarin tijdreizen werd uitgebeeld. Ik kan me vergissen, maar daarvoor lenen de genoemde kunstuitingen zich ook niet. In boeken en films gaat die vlieger wel op. Van boeken heb ik niet alles gelezen, en dat zal ik ook niet doen. Een paar boeken die ik heb gelezen en de moeite waard vond (bijv. qua gedachtegang of stijl): het Nederlandse kinderboek Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman en het Duitse boek Briefe in die chinesische Vergangenheit van Herbert Rosendorfer.

De films waarin tijdreizen een rol speelt, zijn volgens veel groter in aantal. Die films heb ik niet allemaal gezien, maar ik ben vast van plan om alles te hebben gezien. Als dat kan tenminste, want er komen steeds films bij en veel films zijn hier niet te zien (vooral films uit niet-westerse landen). Er is wel een probleem: hoe definieer je een tijdreisfilm? Simpel gesteld kan ik dit als definitie geven: iemand (zelden een voorwerp, een plant of een beest) die naar een moment, een tijdstip gaat dat anders is dan waar hij (vaak hij, zelden zij) nu is.

Ik vind het heel moeilijk om een top tien van tijdreisfilms te maken. Er zijn teveel films geschikt voor zo’n top tien. Ik doe een poging:

  1. Back to the future trilogie
  2. Terminator (1e 2 films)
  3. 12 monkeys
  4. Bill & Ted’s Excellent Adventure
  5. Groundhog day
  6. Looper
  7. The Butterfly Effect
  8. Mr. Nobody
  9. Deja Vu
  10. About time

Voor wie meer wil is hier een mooie lijst.

Daarnaast zijn er veel independent films (zoals 41 en Primer, te vinden op online videokanalen als YouTube) en platforms zoals Dust, ook op YouTube, waar – vaak kortere – films zijn te zien.

© Rick Ruhland 2018

Groepsdynamica van robots

Robots worden vaak bezien vanuit hun nut voor de mens, en hun interactie met mensen. Daarbij moeten ze vooral voldoen aan zogenaamde wetten en uitgangspunten, ooit geformuleerd (en hier terug gebracht tot één uitgangspunt) als de mens is uitgangspunt van de interactie en die mag geen schade van een robot ondervinden.

In deze eeuw heeft de mens, meer dan voorheen, volop in interactie met robots. Een robot is, simpel gesteld, een apparaat dat met een zekere intelligentie voorwerpen kan hanteren. Even los van de fysieke vorm van zo’n robot (een vorm die vaak iets menselijks heeft) is een robot tot nu toe vooral een hulp. Dat is aan het veranderen, zoals robots in de industrie en zorg laten zien. Steeds vaker beslissen robots in situaties wat moet gebeuren.

Een interessante vraag is mijn inziens die volgende, en dat is een vraag die ik vorige week tijdens een van mijn filosofische wandelingen met een vriend doornam: hoe kijken we aan tegen robots die beslissingen (mogen of zelfs moeten) nemen? En wat als die beslissing een ethische moet zijn? Hoe zit het morele dilemma’s, empathie, goedertierenheid: moeten die niet een onderdeel van robots worden? En ook: hoe we krijgen we die ‘karaktertrekken van de mens’ in een robot ingebouwd, en moet dat wel?

Ik hoef geen discussie over wat die moraal en wat die ethische dilemma’s überhaupt zijn. Een robot, als entiteit (of individu, zo je wilt), moet voldoen aan de eis dat ze mensen dienen, of in ieder geval niet schaden. Ik zeg niet dat dat zo moet zijn, dat een robot alleen maar bestaat om de mens te dienen, maar het is een uitgangspunt. Die robots dienen moet veilig zijn.

Willen we dan dat een robot empatisch, inlevend, goedertierend is, en morele en ethische dilemma’s de juiste beslissing(en) neemt? Dat zou heel mooi zijn, als dat lukt. Ik denk dat het goed is als een robot dat doet: in dienst staan van de mens en daarbij de mens niet schaden.

Nou is het wel zo dat de mens heel goed is in ‘het *niet* in dienst staan van anderen’ en ‘andere mensen *wel* schaden’. Feit is dat de mens in veel situaties niet altijd de juiste beslissing neemt. De mens behoedt een ander mens niet altijd voor onheil. De tweede wereldoorlog en andere genocides zijn daar voorbeelden van. Niet alleen de mens alleen is slecht in staat om onheil tegen te gaan: in groepen wordt het zo mogelijk nog erger. Groepsgedrag (zie ook experimenten zoals die van Millgram en Asch) is een eigenschap van sociale interactie die niet zelden mooie gevolgen heeft, maar net zo vaak tot slechte en zelfs gevaarlijke situaties leidt.

Maar het gaat nu even niet om mensen. Het gaat over robots. Voortbordurend op de gedachtegang over robots en robots in groepen: ik zie dat in discussies over robots en het gedrag dat robots moeten vertonen, iets over het hoofd wordt gezien. Namelijk groepsgedrag van robots. Mijn vraag: moet je het gedrag van een robot niet alleen beoordelen op regels die de individuele robot moet volgen in zijn omgang met de mens, maar ook dat robots regels voor samenwerking (groepsgedrag) moet volgen?

Voorbeeld (dit voorbeeld is een aangepaste versie van een voorbeeld uit een artikel in de wetenschapsbijlage van de NRC van 4 november 2017; dat artikel met de titel ‘Robots die raad weten met morele dilemma’s’ was het startpunt van mijn verhaal hier): als een mens door een straat loopt, en een robot ziet dat een mens gevaar loopt als hij door loopt (bijvoorbeeld vanwege een gat in de grond), dan moet een robot ingrijpen. Als hij twee mensen ziet die allebei gevaar lopen, dan kan hij misschien maar een mens redden. Daar moet dus een afweging gemaakt worden, als de robot dat gevaar ziet, en hopelijk wordt een van de mensen gered. Wat nu als er meerdere robots zijn (en die zullen in de toekomst vaak samen zijn)? Hoe moeten die handelen en zitten die elkaar misschien niet in de weg?

Mijn punt is nu: je moet niet alleen regels opstellen voor robots wat ze moeten doen, niet alleen moeten robots beslissingen nemen die voor de mens (en liefst ook voor de robot), maar het samenwerken van meerdere robots moet niet leiden tot juist meer ellende. Want wat bij mensen duidelijk wordt: zodra individuen groepen worden, ontstaat veel goeds, maar niet zelden en verrassend genoeg heel vaak ook heel veel slechts. Hoe zit dat met robots? Misschien nog een graadje erger zolang robots geen bewustzijn hebben, zolang ze nog niet redeneren over hun eigen handelen en het handelen van soortgenoten.

We hebben daarom een groepsdynamica van robots nodig. Om robothandelingen tot een hoger niveau te brengen. Om te voorkomen dat robots samen niet tot meer ellende leidt. Maar hoe krijgen we dat voor elkaar? De mens is in een groep niet in staat om goed te doen. Zie eens hoe iemand mishandeld wordt op straat, hoe iemand bedreigend is, en dat omstanders dan niets doen.

Dat mag niet gebeuren bij een robot.

Groepsdynamica van robots is een nog onvoldoende vakgebied, dat we hard nodig hebben.

© Rick Ruhland 2017

Citaat van de dag: Handig. Not!!

De ontwikkeling van domotica (kort door de bocht: digitale technologie die de kwaliteit van leven in huis verbetert, bijvoorbeeld door sensors die je met computer, tablet of smartphone kunt aflezen of bedienen) is onomkeerbaar. Ik hoef niet zo nodig alles daarvan. Dit helemaal niet (door een zogenaamde specialist uitgekraamd):

“Dat als de deurbel gaat, je dat ziet op tv.”

Dingdong! Zijn de hersens ook thuis?

© Rick Ruhland 2015

Ideetje van de dag: geurklapband

In plaats van de lucht die nu in autobanden zit, worden de banden gevuld  met het traditionele luchtmengsel aangevuld met een frisse natuurgeur naar keuze (denk dennen, jasmijn, lavendel, kamperfoelie, sinaasappel, roos, etc.).

Het idee: zodra je een ongeluk krijgt, of gewoon een klapband, ruikt het in ieder geval nog fris.

Om te voorkomen dat de geur al is uitgewerkt voor je een ongeluk of een gewone klapband krijgt, en dat zou toch jammer zijn, zit de geur in een drukgevoelig sachet die bij het wegvallen van de druk in een band met de vrolijke tonen van een klokkenspel open knapt.

Zomaar een van die briljante ideeën van mij. Beter dan het idee van confetti in de band te stoppen.

© Rick Ruhland 2015

De Nieuwe Hollandse Waterlinie

Sinds mijn pubertijd heb ik een aanzienlijke nieuwsgierigheid voor oude oorlogstactieken en technieken, en vooral ook voor verdedigingstechnieken en -methoden. Dat gaat van de Romeinen en hoe zij ten strijde trokken op een slagveld tot aan de hedendaagse oorlogsvoering. Ik heb niets met militairen of met wapentuig, ik ben niet eens in dienst geweest (uitgeloot), ik geloof niet eens in het nut van menig oorlog, maar het woord pacifist klinkt me dan weer te strijdlustig. Nee, het gaat om de romantiek van oude oorlogen die voorbij zijn, maar waarvan de restanten zijn gebleven.

In Nederland is een recent verdedigingsverleden goed te zien langs de grote rivieren en langs de kust. Daar staan bunkers uit de Tweede Wereldoorlog. Ik noemde romantiek als een argument voor de nieuwsgierigheid voor oorlog en de bijbehorende tactieken en technieken. Laat het duidelijk zijn dat ik die romantiek niet vind in een van de verschrikkelijkste feiten van de laatste wereldoorlog, en dat is moord op joden, op homoseksuelen, op zigeuners en feitelijk op alles en iedereen die afwijkt van de door nazi’s opgelegde en misplaatste norm van “übermensch” zijn. Feit is dat de mens oorlog voert, en zich tegen oorlog wapent en verdedigt. Nederland doet dat ook al eeuwen. Kastelen zijn daar een voorbeeld van, net als stadsmuren.

Maar waar ik helemaal stil van word, waar ik een soort van liefde voor heb, zijn de verdedigingswerken in het westen van ons land. Twee daarvan zijn nog steeds goed zichtbaar en grotendeels ook te bezichtigen: de Stelling van Amsterdam (die als een wijde cirkel met een doorsnee van ca. 30 km om de hoofdstad ligt) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). Ik vind de Stelling ook wel boeiend, maar juist bij de NHW wordt duidelijk hoe onze voorouders de premoderne randstad hebben geprobeerd te verdedigen tegen aanvallen uit met name het oosten. Door middel van verdedigingswerken zoals forten en vestingsteden en met behulp van het water (dat normaal toch de natuurlijke vijand van Nederland is) was het mogelijk om vijanden buiten te houden. Van Muiden in het noorden tot het land van Altena in het zuiden ligt een streep door Holland en Utrecht die bezaaid is met vestingen, forten, batterijen en andere verdedigingswerken, en ook sluizen en waterwegen. Een van de briljante ideeën was inundatie: het onder water zetten van het vlakke land tussen twee dijken of andere hoge plekken, zodat niet duidelijk was waar diepe delen lagen. Er doorheen waden was vragen om problemen. Een horizontale muur van water.

Helaas is de waterlinie (die deels uit de 17e eeuw stamt) er op sommige plekken niet zo best aan toe. Tal van forten zijn in verval geraakt, en van de oude waterlinie is op sommige plekken weinig meer over. Gelukkig is er in de afgelopen jaren flink mankracht, geld en tijd gestoken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie om die op te knappen. Een mooie volgende stap zou zijn als in de komende 5 jaar de UNESCO besluit de NHW op de Werelderfgoedlijst te plaatsen. En dat zou zonder meer moeten: een militair, sociaal, historisch en cultureel werk van die omvang en met de verdedigingstechniek van water en watersystemen is nergens anders in de wereld te vinden.

Meer weten? Zie onder andere Hollandse Waterlinie en  Forten

© Rick Ruhland 2015