Scenes from a thesis: research question

“If some theories on human development propose discontinuity and others assume continuity as the quantitative pattern in development, and under the assumption that underlying properties of UG and principles are either available to a child from birth on or they become available during development, what are the sorts of change in language development in terms of a relationship between a change on the time-axis and a change on the score-axis?”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Proefschrift van de week

Titel: Strange attractions: pool flies. Auteur: Claudia Mänges.

Samenvatting: De schrijfster van het proefschrift, een achterkleindochter van de zwembadenmagnaat Rudolph Mänges, heeft zich gestort op een observatie die menigeen moet delen met anderen zwemmers, maar die waarschijnlijk maar weinigen hebben uitgesproken. Die is in het kort: Waarom willen vliegen zo graag op een mens zitten die nat van het chloorwater is? Of zoals zij in haar inleiding schrijft: ‘Als ik nat uit het zwembad kom, willen vliegen op mij zitten. Zodra ik opgedroogd ben, zie je die vliegen niet meer terug. Hoe zit dat?
Ik moet zeggen, ik herkende de vraagstelling, en ik was dan ook zeer benieuwd naar haar onderzoek. Mänges heeft verschillende factoren onderzocht. Van het weer en temperatuur tot de huidsoort van proefpersonen, van het soort water tot de soort vliegen. Haar conclusies liegen er niet om. Het fenomeen heeft te maken met het chloor in het water maar vooral met het feit dat mensen in het water plassen en zelfs poepen. Het chloor gaat met de urine en faeces een verbintenis aan die vliegen lekker vinden. Het onderzoek is uitgevoerd met diverse variabelen: met alleen chloorwater, met urine / poep in kraanwater, met urine en poep in chloorwater. Vooral chloor, urine en poep in het water, een buitentemperatuur van meer dan 25 graden en overwegend zonnige perioden, en ordinaire huis-, tuin- en keukenvliegen zijn de elementen.

Eindoordeel: Soms is onderzoek weinig of beperkt nuttig, maar de onderzoeksvraag zodanig dat je het antwoord graag wilt weten. Het is dus inderdaad zo dat vliegen eerder op je huid willen zitten als je uit een zwembad komt. Dat dat dat komt doordat het water vol chloor en urine / poep zit, dat is dan weer minder fraai.

© Rick Ruhland 2018

Een andere pil

Ik heb een vreemde band met de psychologie en psychiatrie. Een soort haat-liefde-verhouding, waarbij de haat vaak wint wat die is stekeliger. Dat geschreven hebbende: ik kan de twee vakgebieden ook niet terzijde schuiven als zijnde niet interessant of niet belangrijk. Ik lees veel over hersenen, over hoe ze werken en hoe het mis kan gaan, zoals bij psychische stoornissen. En ik heb een heleboel kritiek op ziens- en behandelingswijzen. De zienswijzen zijn niet zelden een soort persoonlijke of haast gelovige benadering van psychische probleem. Dat is een kant van de haatmedaille. De anderen kant is die van de psychotherapeutische behandelingen. Vele daarvan zijn nooit wetenschappelijk onderzocht op hun werking, op hun effectiviteit, op hun nadelen, etc. Veel van deze ‘behandelingen’ hebben minder nut dan een goed gesprek met een dronken man in een kroeg. Ik ben er dan ook als de kippen bij om op te merken en anderen te vertellen dat de psychiatrie een stap terug moet doen of dan toch minstens tot verbeterde behandelingsmethoden moet komen, of om te melden dat bestaande pillen niet of nauwelijks werken en dat je net zo goed een dropje kunt eten. Over dit onderwerp, de ‘psychische pillen’, werd 10 jaar geleden dit geschreven (tekst is terug te vinden op sites van o.a. Trouw, De Morgen, Nu.nl, en Nieuwsblad):

”LONDEN – Antidepressiva als Seroxat en Prozac helpen alleen zéér depressieve mensen. Ze hebben voor de meeste patiënten geen nut. Dat is de uitkomst van een recent onderzoek, meldde de Britse BBC dinsdag. ,Alhoewel patiënten beter worden als ze antidepressiva nemen, worden ze óók beter als ze een placebo slikken. Dit betekent dat depressieve mensen zonder chemische behandeling beter kunnen worden”, aldus een van de onderzoekers. De wetenschappers bekeken 47 eerder gehouden tests met de medicijnen opnieuw. Volgens een van de wetenschappers heeft de farmaceutische industrie daarvan alleen onderzoeken naar buiten gebracht die hun producten in een goed daglicht stellen. De onderzoekers wisten ook de hand te leggen op niet gepubliceerde onderzoeken dankzij de wet op vrijheid op informatie. De makers van Seroxat en Prozac hebben de ‘nieuwste’ bevindingen weersproken.”

Is er iets laat staan veel veranderd sindsdien? Nee.

Het slikken van deze pillen is mij een doorn in het oog. Okee, ik vind het natuurlijk prima als mensen er uit de grootste ellende komen, waardoor ze eindelijk aan een goede vervolgbehandeling toe komen. Maar deze pillen zijn geen pretpillen, geen geluksbrengers. Ze zijn meestal rotzooi gezien de vele bijwerkingen. Bovendien weten (klinische) onderzoekers vaak niet eens wat de pillen doen. En de meeste mensen hebben er niets aan.

Ik weet het, het bericht staat niet op zichzelf, eerdere en latere onderzoeken laten dezelfde waarheid zien, maar steeds weer zal het psychofarmaterrorisme van zich af slaan, en het tegendeel beweren. Het schofterige daaraan is: mensen die in de geestelijke shit zitten, hebben weinig te willen en zullen elke – ook valse – belofte omarmen om uit de ellende te komen. Grote bedrijven maken pillen die weinig meer doen dan een placebo-effect oproepen, maar die ondertussen – anders dan een placebo-pil – ook nog eens een reeks aan bijwerkingen hebben. En geen kinderachtige bijwerkingen. Ze verdienen bakken met geld. En dat terwijl alle studies waarin een gebrek aan effect van bijv. antidepressiva niet worden gemeld, in ieder geval niet door die bedrijven die antidepressiva, antipsychotica en andere medicijnen tegen psychische problemen maken.

Ik roep alle artsen op meer placebo’s voor te schrijven bij lichte depressies. Niet om de farmaceutische industrie om zeep te helpen, wat an sich ook mooi zou zijn, maar om meer respect voor mensen met psychische problemen en om hen voor nog meer ellende te behoeden.

© Rick Ruhland 2018

Waaromwoensdag: wetenschap en bellettrie

Waarom is er zoiets als wetenschappelijk onderzoek naar literatuur? Ik stel die vraag steeds vaker. Geen idee waarom dat steeds vaker is, maar het zal zijn oorzaak hebben in het feit dat literatuur en wetenschap in mijn ogen haaks op elkaar staan. Het ene, literatuur, is aangename schoonheid. Het andere, wetenschap, is cognitief nut. Beiden raken elkaar soms, maar samengaan doen ze nooit.

De vraag over wetenschap en literatuur is ook ingegeven door mijn periode aan de universiteit. Eerst als student, dan als docent en onderzoeker. Ik studeerde uiteindelijk af in de taalwetenschap, een voor literatuurbestudeerders behoorlijke abstracte en moeilijke studierichting.

Nou wil ik hier niet sec kritisch zijn op wetenschappers die er een dagtaak van maken een wetenschappelijke analyse van de bellettrie. Je moet doen wat je niet laten kunt, en als je er geld mee verdienen kunt, dan moet je dat zeker doen.

MAAR:

Toen ik een student taalwetenschap was, aan de universiteit, kreeg ik in het eerste studiejaar ook les van literatuurwetenschappers. Ik keek met grote ogen naar de methoden van deze “wetenschappers”. Wat zij stiekem deden, was hun liefde voor hun verhaal verpakken in de illusie van quasi-doorwrochte vragen met daarbij een theoretisch kader en een methodologie die hout zou moeten snijden, maar die dat op geen enkele wijze deed.

Dat, het hobbyisme van liefhebbers van literatuur dus van bellettrie, is niets anders dan genieten. Mooi. Ik geniet ook van goede verhalen die literatuur worden genoemd. Maar de aanpak die verondersteld wetenschappelijk te zijn, de bestudering van bellettrie, is dat niet. Literatuurwetenschappers (eigenlijk twee termen die onverenigbaar zijn) hebben als basis een geloof. Voor veronderstelling. Voor ‘Dit is wat ik denk en dat is mijn waarheid.’

Wetenschap is dat alles niet. Een antwoord op de vraag ‘Waarom is er zo iets als een wetenschappelijke discipline die zich stort op de bellettrie?’ is dan ook niet meer dan ‘Geen idee, maar vanuit een doortimmerd, solide, en deugdelijk geheel van vraagstellingen, methodes, analyses, en meer slaat deze discipline als een tang op een varken.’

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Op je sloffen: de invloed van sportschoenen op het bekken. Auteur: Collet Chuck Pig.

Samenvatting: Collet Chuck Pig maakt in zijn onderzoek een historische vergelijking tussen allerhande schoenen. Hij beschrijft in eerste instantie schoenen (of beter: footwear, zoals hij het noemt) van de prehistorie tot de moderne tijd, met speciale aandacht voor de verschillende overgangen van schoeisel, zoals van de romeinse sandaal naar de middeleeuwse keerschoenen.
Daarnaast heeft hij – Pig is van huis uit podoloog en orthopeed – met kennis uit de geneeskunde en biologie gekeken naar de botten van heupen, knieën en enkels. Denk daarbij aan vergroeide schaambenen, uitgerekte heupbeenderen en verkorte staartbeenderen.

Eindoordeel: Overtuigende bewijsvoering dat de mens door sportschoenen niet meer gewend is om schokken op te vangen met zijn lichaam. Ook de statistische analyse van materialen en de beschouwing over botten (in voet, been en heup) in de middeleeuwen versus die van de moderne tijd (vanaf begin 20e eeuw) is bijzonder overtuigend. Het enige wat beter had gekund is de spelling en grammatica van het proefschrift.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Hergebruik van anaal methaan. Auteur: Man Cuair.

Samenvatting: In navolging van Alan Kligerman en Buck Weimer heeft de onderzoeker een technologische vraag in zijn proefschrift beantwoord. In de kern is de vraag: hoe kan de uitstoot van menselijke darmgassen worden hergebruikt? Bij het beantwoorden van de vraag spelen esthetische vraagstukken (zoals de geur en geluid van flatulentie) of commerciële belangen geen rol. Nee, de vraag van het proefschrift komt voort uit een behoefte aan duurzaamheid waarin de mens zelf een rol speelt. Cuair heeft daarbij mogelijke, makkelijk toepasbare technieken als uitgangspunt genomen. Hij komt tot de slotsom dat ondergoed met een dun laagje katoen bewerkt met dadelijn (een zachte, niet-natuurlijke variant van olivijn dat o.a. CO2 kan binden) methaan kan vangen. Het verwerken van ondergoed met dadelijn is nu nog te duur, maar als oplossing van methaanuitstoot en het gebruik als energiebron zijn onmiskenbaar.

Eindoordeel: Dit soort onderzoek is de toekomst. Innovatieve aanpak, duurzame oplossingen, economisch interessant. Het enige dat vaag is: dadelijn. Ik ben geen chemicus dus ik kan slecht beoordelen of dat een goede manier is om methaan te binden en later terug te winnen. Maar het is absoluut een proefschrift zoals er meer zouden mogen zijn.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het recht op zelfbeschikking van electronika zonder RAM-geheugen. Auteur: S. Mixxer.

Samenvatting: Er komt in de carrière van een recensent altijd een moment dat hij of zij zich afvraagt: hoe is iemand überhaupt op het idee gekomen om iets te schrijven? Iets te componeren? Iets te onderzoeken? Bij het proefschrift van Mixxer was dat absoluut het geval. Het citaat op de pagina voor hoofdstuk 1 (een van de vele citaten in het proefschrift), uit Ik, Robot van Asimov is een aanwijzing: Mixxer heeft als startpunt de roman genomen en daaruit de problemen van zelfdenkende robots onder de loep genomen. Nou is Asimovs boek meer dan ruim een halve eeuw oud, en nog steeds actueel, maar dit onderwerp van onderzoek slaat als een tang op een varken. Elektronica met zelfbeschikking. Waarom?

Eindoordeel: De dissertatie van Mixxer (en ook ander werk van deze onderzoeker die uit de traditie van Andragogische automatisering komt) had nooit geaccepteerd mogen worden. De onderzoeker heeft zich namelijk op huishoudelijke apparaten gestort. In die categorie bestaat er alleen maar elektronica zonder RAM-geheugen.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Frisdrankfabriek op de maan. Auteur: Ben Hero.

Samenvatting: Dit onderzoek is gestart vanuit een technologisch kader maar is vermengd met een sterke, sterk filosofische inslag. Heeft het nut is niet de vraag, maar kan het en heeft het voordelen. Het technische deel laat veel wiskundige en natuurkundige vergelijkingen zien, en dat is eigenlijk een beetje overdone. Ook niet conform de eisen van de wetenschap: het startpunt is de uitkomst, en dat kan niet. Er worden geen hypotheses vermeld. Ik heb het idee dat dit onderzoek gesponsord is door een suikerfabrikant die nieuwe en goedkopere productiewijzen zoekt.

Eindoordeel: als denkexercitie geslaagd, als wetenschappelijk verhaal half, als praktische toepassing niet. De indruk valt niet te onderdrukken dat Hero familie is van de producent van o.a. Cassis. Dan is mogelijk ook sprake van belangenverstrengeling. Ik weet iets van bedrijfseconomische processen en cijfers, en ik kan stellen: Hero slaat vaak de plank mis. Het financiële plaatje is ronduit ontoereikend.

© Rick Ruhland 2018

Groeien, stoeien, knoeien: voor sommigen onderzoek doen is beitelen aan het ego

Wetenschap, dat was ooit mijn ding. Ik kon volledig opgaan in het bedenken van onderzoekvragen, van antwoorden, van een onderzoekmethode, van het lezen van literatuur, in het redeneren en argumenteren, en ik genoot als ik data kon analyseren en daar een uitspraak over kon doen.

Wat mij destijds bij een groot deel van de wetenschappers wel opviel, was hun oogklepperij. Vrij vertaald: hun vermogen om hun onderzoeksobject(en) vanuit het eigen straatje te bekijken en te zoeken naar bewijzen van datgene wat ze al dachten, ook daadwerkelijk in de data aan te tonen.

Wat ik miste bij de meeste van die wetenschappers was relativeringsvermogen en het vermogen om onderzoek in een ander daglicht te zien, vanuit een andere invalshoek, om zichzelf kritisch onder de loep te nemen. En: ik mist iets wat ik mezelf wil boven brengen. Een veelweter, een kenniszoeker buiten de eigen interesses. Een homo universalis. Wat ik ook miste was het vermogen om iets met kritiek en feedback en andere data en andere verklaringen te doen.

Dat laatste, het venijnig reageren op kritiek op het eigen onderzoek, kwam dit weekend weer eens aan het licht. In een artikel in NRC met de titel ‘Help! Hij groeit’ wordt het boek Oei ik groei van Frans Plooij weer eens onder aandacht gebracht. Het boek, dat begin jaren 90 uit kwam, was destijds een van de vele hulpboeken voor ouders.

Dat boek, en Plooij zelf ook, kwam eind jaren 90 behoorlijk in het nieuws. Een van mijn gewaardeerde collega’s destijds, Carolina de Weerth die net als ik bezig was met een proefschrift over ontwikkelingstransities, had nauwgezet onderzoek gedaan en kwam tot de conclusie dat het boek van Plooij, die een stuk of wat exact getimede groeispurts meende te hebben gevonden, wetenschappelijk niet door de beugel kon. Sterker, die groeispurts kon niet zo exact worden gevonden. Even los van definities en van wetenschappelijke literatuur en meer van dat soort academische kwesties: baby’s zijn in ontwikkeling en dat gaat niet zonder stoot of slag. Het boek van Plooij is ook niet perse onzin. Het boek speelt wel handig in op ouders die zich onzeker voelen. Gezien de verkoop van het boek over de jaren heen zijn dat er veel. Ik vermoed ook dat veel jonge ouders vandaag de dag niet meer weten wat hun eigen (groot)ouders deden toen zij kinderen kregen. Niet in het boek van Plooij kijken, dat is duidelijk.

Misschien saillant detail: het onderzoek waarop Oei ik groei is gebaseerd was niet eens naar menselijke baby’s, maar naar jonge primaten. En: ik heb nooit het idee gehad dat dat onderzoek uitblonk in heldere definities en een welomschreven begrippenkader.

Mijn punt: de wijze waarop destijds door Plooij – toen nog buitengewoon hoogleraar, een tijdelijke baan, want zijn contract liep na 5 jaar af en de universiteit besloot – terecht – zijn aanstelling niet te vernieuwen – de publiciteit zocht en mijn collega Carolina probeerde af te branden, was stuitend. Nog steeds denk ik dat daar niet alleen een hoge ijdeltuiterij (die wetenschappers over het algemeen eigen is) een rol bij speelde, maar ook het feit dat de verkoop van Plooij’s boek mogelijk zou lijden onder dat nieuwere onderzoek, waarin de groeispurts werd betwist. Hij probeerde zijn eigen promovenda af te maken in de media. Ik heb hier thuis een groot deel van de artikelen die destijds in de grote kranten en tijdschriften verschenen, en ook de optredens van hoogleraren (mijn eigen promotor en Plooij zelf) in diverse televisieprogramma’s heb ik bewaard.

IMG_7697.jpg

Ik ben van mening: pleit beslecht. Plooij heeft het verkeerd aangepakt met zijn benadering, met het zoeken van de publiciteit. Hij had het in de wetenschap moeten oplossen. Als ik zijn persbericht van destijds lees, najaar 1997, dan is dat een bericht waarin Plooij van zich af slaat en schopt. Niet netjes. De resultaten van zijn onderzoek waren niet zo eenduidig dat die met een andere, betere onderzoeksopzet bij (menselijke) baby’s konden worden gevonden. Dat was alles. Maar niet voor Plooij.

Maar goed, olifantje met een lange snuit erbij gehaald en einde verhaal. Toch?

Nee. Wat lees ik dit weekend in het NRC? Plooij’s dochter (ik heb op internet zo snel niet kunnen vinden of deze vrouw gestudeerd heeft of niet, maar laat ik eens aannemen van wel, vermoedelijk iets met andragogie of met commerciële economie; heeft ze zelf ook onderzoek gedaan? Zou kunnen, maar ik heb geen idee) doet daar een paar duiten in de zak. Zij is van mening dat het originele onderzoek en de onderbouwing van Oei ik groei – ‘internationaal talloze keren gerepliceerd’, staat in het artikel als quote – nog steeds goed is. Nog een quote van haar: ‘Als je daar [bij het gerepliceerde onderzoek, RR] vraagtekens bij zet, heb je de literatuur niet goed gevolgd. Dit is geen wetenschappelijke discussie maar een persoonlijke vete.’ Dat laatste klopt: dat is een vete die haar vader 20 jaar geleden is gestart. En die blijkbaar moeiteloos in haar verder gaat. Opvallend aan het citaat over de replicatie van het onderzoek van Oei ik groei is wat mij betreft dat het onderzoek misschien wel gerepliceerd is, maar de resultaten niet (?).

Ik ken het onderzoek van Carolina goed en ik was bij menige discussie over het onderzoek dat zij deed (zij en ik waren met nog twee andere onderzoekers-in-opleiding deel van een aandachtsgebied van NWO). Tot aan het gelazer leek Plooij wel eens moeite te hebben met de kritiek en de resultaten van De Weerth, maar die leek hij te slikken, alsof hij wist: dat is nou eenmaal onderzoek doen. Kritiek geven en krijgen, en daarmee je werk verbeteren.

Na zijn persbericht van 30 oktober 1997 was duidelijk: hier was een man aan het woord die kritiek krijgen niet zo makkelijk slikte. Die feedback krijgen zag als ongelijk krijgen. Die misschien wel zijn boekverkoop gedwarsboomd zag? Ik heb geen idee. Wat ik wel als idee heb: zijn dochter is blijkbaar een appel die niet ver van de boom is gevallen. Ook zij schopt van zich af.

En waar gaat het om? Een paar lastige momentjes in het eerste jaar van een baby. Als vader heb ik die momenten ook meegemaakt. So what?

Na die woelige maanden in 1997en 1998, vol verdachtmakingen en zwartmakerij en waarin ik zelf ook promoveerde tot doctor, wist ik: in de wetenschap van de 21e eeuw is geen plek voor een homo universalis als ik. Wegwezen dus. En zo geschiedde!

Meer lezen? Hier. Geen wetenschappelijk exercitie maar gewoon een wikipedia-pagina.

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Het schoonmaken van het riool: de sociologie van zelfdenkende borstels. Auteur: Simon Vroman.

Samenvatting: Stromingsleer is de wetenschap die de beweging van gassen en vloeistoffen onder de loep neemt. Eigenlijk is stromingsleer op alles toe te passen waarin kleine onderdelen samen een stroom maken. Denk aan files van auto’s, gletsjers en meer. De onderzoeker van het onderzoek, Vroman, is van huis uit gespecialiseerd in de hydrodynamica van halfopensystemen. In zijn zoektocht naar praktische toepassingen is Vroman echter een geheel andere kant opgegaan. Uitgaande van de kennis van de hydrodynamica heeft hij zich afgevraagd hoe storingen in stromingen in een riool kunnen worden aangepakt. Hij stelt die vraag  in een tijd dat in London ‘monstervetbergen’ het riool verstoppen (zie onderstaande afbeelding).

London vetberg riool

Vromans idee is dat borstels met vetoplossende substanties zich een weg vreten door het vet. Het lijkt ver weg op hoe de witte bloedlichaampjes lichaamsvreemde stoffen opeten. Het bijzondere aan Vromans verhaal is dat de borstels zelf nadenken en met elkaar samenwerken. Hoe ze dat doen, wordt in de studie uit de doeken gedaan.

Eindoordeel: het blijft allemaal een beetje aan de oppervlakte. Het lijkt er op dat Vroman het liefst zou willen schrijven over hoe borstels op een bepaald moment nadenken over hun eigen bestaan en of ze wel in staat om goed te werken in een omgeving die vol afval zit. Wetenschappelijk is het verhaal niet goed dichtgetimmerd.

© Rick Ruhland 2018