WoW: Vinvalshoek

Een vis’ visie op de realiteit.

© Rick Ruhland 2019

 

Advertisements

Proefschrift van de week

Titel: Zelfbedrog als wetenschapsdiscipline. Auteur: Inge Duinvent.

Samenvatting: Als je steeds op je eigen denken kunt reflecteren, dan is zowel dat wat je beoordeelt als fout, even juist of goed als datgene dat je beoordeelt als goed. Wat je beoordeelt als goed kan even zo goed volslagen fout zijn. Zie hier de premisse van de lijvige dissertatie van Duinvent.
Het moet gezegd, de promovendus heeft in haar onderzoek – geheel gebaseerd op literatuur en de eigen argumentatie, dus geen onderzoek met bijvoorbeeld proefpersonen – niet de makkelijkste weg gekozen, en zeker niet het makkelijkste subject van studie. Ze doet een net onaardige poging eigenbelang, vooroordeel, verlangen, onzekerheid en andere psychologische factoren die de wens en wil om [alles] te geloven beïnvloeden onder één paraplu te brengen. Begrippen als onwetendheid, luiheid of cognitieve incompetentie komen daarbij al snel aan de orde.
Ze doet een grappig gedachte-experiment. Stel dat we niet de wetenschappelijke rigiditeit hanteren van een duidelijk omlijnd onderzoek, dat dubbelblind, willekeurig, herhaalbaar en openbaar is. Dan moeten we, burgers en wetenschappers, accepteren dat onszelf bedriegen en dingen geloven die niet waar zijn. Of zoals zij het formuleert: wij zijn bereid om de werkelijkheid vanuit de leugen een nut te geven.
Ofschoon dat allemaal best kan zijn, en heus, haar redeneringen snijden hout, is de uitstap naar het huidige terrorisme van het populisme misschien iets te veel. Waar en juist, zonder meer, maar misschien meer een onderdeel van pamflet dan van een proefschrift.

Eindoordeel: De kwestie die Duinvent opwerpt in haar thesis is dat de huidige mores in de wetenschap net zo goed zijn als het omgekeerde of tegenovergestelde. Dat is echter een gevaarlijke richting. Wat je dan krijgt is dat een stelling als ‘Geen fiets is ook een fiets’ voor waar wordt aangezien. Dat komt te echt in de buurt van ‘nonchalante filosofie’ (een begrip uit het werk van de realistisch filosoof Neede). Haar pleidooi niet-wetenschappers verre van de wetenschap te houden is beter vol te houden. Wie niet nadenkt om zijn overtuigingen te staven, heeft minder recht van spreken dan wie nadenkt om zijn overtuigingen te ontkrachten.

© Rick Ruhland 2019

Dode duif

Er lag een duif op de weg. Plat gereden. Dood ook.

Spontaan barstte ik in zingen uit.

‘Death is all around me, and so the feeling grows.’

En voor ik het wist, bedacht ik liedjes met love in de titel. Ik verving love door death.

‘All you need is death.’

‘Can’t help falling in death.’

‘Crazy little thing called death.’

‘Death is a battlelfield.’

‘Whole lotta death.’

Ik werd er blij van. De dood is waarder dan de liefde. Niet iedereen leert liefde kennen, maar de dood? Ja, de dood is belangrijker dan de liefde.

© Rick Ruhland 2019

 

 

 

Een doorwaadbare plaats: 6. Zwemmen 2

Zwemmen is een bezigheid die niet alleen met overleven te maken heeft. Zwemmen is ook plezier, vooral als dat zwemmen buiten is. Buiten zwemmen betekent aangename temperaturen, buiten zwemmen betekent afkoeling, buiten zwemmen betekent zomer (ik tel de idioterie van ’s winters de zee in duiken bij wijze van nieuwsjaarsduik niet mee).

Buiten zwemmen is voor mij pas goed begonnen in een vooroorlogs openluchtbad. De warme zomer van 1976 is daarbij het anker waaraan mijn goede gevoelens van zwemmen in de open lucht hangen. Een hete zomer, en ik heb net anderhalf jaar eerder mijn A en B diploma gehaald, dus met mijn jaarabonnement ben ik bijna dagelijks in het bad te vinden.

Wat doe ik in het openluchtbad? Baantjes zwemmen? Ben je gek! In het water, uit het water. Bommetje. 1-meterplank, 3-meterplank. Duiken naar de bodem. Ik was vanaf het begin een vis in het water. Het moet ook die zomer zijn geweest dat ik zintuiglijk wakker werd. Dat ik zintuiglijk uit mijn kindertijd los kwam.

De belangrijkste zintuiglijke ervaring was misschien wel het visueel bewust worden van meisjes. Ik keek maar wat graag naar die wezens die rond hun borsten een extra stuk stof hadden. Bij de meeste meisjes van die leeftijd, 10 a 11, was dat nog volslagen overbodig. Maar die meisjes die mijn aandacht opeisten, begonnen al datgene te krijgen wat een jongen van die leeftijd met veel testosteron in de dop buitengewoon nieuwsgierig maakte, zoals bredere heupen en kleine borsten in kleine bikini-bh’tjes. Het zou niet lang meer duren voor ik het eerste meisje zou zoenen, maar dat was die zomer nog niet aan de orde.

Ik keek alleen maar. Verder was ik niet veel meer aan het doen dan zwemmen. En na het zwemmen: tweekleurige druivensuikerlollies eten. Lolly’s met een boven- en onderdeel, met twee verschillende smaken. Als ik meer honger had, en de geur van heet vet en gebakken snacks trok mijn aandacht (en dat was bijna elke dag dat ik zwom), dan at ik een frikandel met een flinke klodder mayonaise. Hoewel ik zulk eten nauwelijks meer eet, vraag ik mij nog steeds af waarom ik dat zo lekker vond. Ik geef mijn moeder de schuld: als kind geboren net voor de oorlog had ze in haar eerste jaren niet genoeg eten en als ze na de oorlog de kans had veel, vet en goedkoop eten te verorberen, dan deed ze dat. Ik ben genetisch verpest, en mijn opvoeding van goedkoop en veel en vaak vet eten was ook niet behulpzaam.

De eerste periode van zwemmen in het buitenbad had een eindpunt, ofschoon ik nog jaren in dat zwembad kwam. Die periode werd afgesloten in de juni voor ik naar de middelbare school ging. Voor mijn gevoel was het een abrupt eindpunt. Ik was wederom in het zwembad, dit maal met mijn moeder en broer. Het was vroeg in de avond, en we koelden wat af. Ik deed daarbij natuurlijke de clowneske dingen die ik altijd deed in het zwembad. Ergens die avond sprong ik als een dwaze in het ondiepe en trok mijn knieën op. Sneller dan gedacht waren mijn voeten op de bodem. Met een lugubere klap sloeg mijn onderkaak op mijn rechterknie, en snel daarna sloegen mijn boventanden op de stilstaande onderkaak. Ik zag sterren, ik was even van de wereld. Toen ik terug kwam, proefde ik stukjes tand in mijn mond. De paar dagen erna had ik een beurse kaak, maar dat was het minste dat in het verschiet lag. Een jaar later, tijdens de tweede of derde vakantie in Bottenhorn, Duitsland (die vakanties lijken allemaal op elkaar), kreeg ik helse pijnen in mijn kaak. Mijn ouders brachten mij naar een arts, enkele tientallen kilometers verderop. Hij schreef een paardenmiddel voor, antibiotica die na twee pillen al het gewenste effect gaven. Om dit verhaal hier even snel af te maken (die verhaal is veel groter want het heeft me een groot deel van mijn leven bezig gehouden): achteraf bleek dat mijn vier ondertanden allemaal stuk waren na die klap en dat ik jaren later een geheel nieuwe set snijtanden (in de vorm van kronen) in mijn ondergebit kreeg.

In de jaren na de lagere school zwom ik nog steeds. Ik was inmiddels gestopt met reddend zwemmen, en als ik nog in het zwembad kwam, dan was dat in de zomer.
In die jaren van de middelbare school zwom ik steeds vaker met mijn oog op de meisjes in het zwembad. Het kon niet uitblijven. ik denderde de pubertijd in! Ik kreeg erecties tijdens schooltijd (terwijl de meester voor zich uit kletste, zorgde ik zelf voor een lichte bevrediging door met een wijsvinger over mijn dieppaarse eikel te strelen die net boven de rand van mijn corduroy broek uitstak), mijn kruis kreeg schaamhaar en op mijn kin groeide baardharen, en ik was nou niet bepaald een scharminkel met mijn door het zwemmen gespierde en brede lichaam. Mijn lijf was klaar voor seks. Ik werd geil van nauwelijks iets. Wat de geilheid versterkte: de meisjes in zwembaden waren steeds minder meisje en steeds meer vrouw.

Een van deze meisjes in transitie was de Duitse C.. Zij kwam uit het Roergebied, en ook zij vierde met haar ouders een paar jaar lang vakantie in het reeds genoemde Bottenhorn. Dat is een dorpje in het midden van Duitsland, in de bondsstaat Hessen. Mooie omgeving om te wandelen, veel steenhouwerijen, veel bronnen van riviertjes als de Lahn, Sieg, Dill, Aar, Eder. We sliepen in Pension Becker; het huis is geen pension meer, het is inmiddels verkocht en alleen nog op ansichtkaarten (op internet te vinden) is nog een afbeelding te zien van het pension.

C. was net als ik een jaar of 13 toen we in die bosrijke omgeving met ons gezin vakantie vierden. Het pension was niet bijzonder, maar het eten was goed, ze hadden een grote tuin en: een semi-overdekt zwembad. Semi wil zeggen: het zwembad zat driekwart in de grond, en het had een dak dat open kon. Dan kon je uit het zwembad klimmen en in de tuin in het gras liggen. Ik heb dat dak weinig omhoog gezien. Het was ook geen groot zwembad: misschien een meter of 8 lang en 4 meter breed. Vaak was het rustig in het zwembad, en was dobberen het enige wat er viel te doen.

Op een van de vakantiedagen (het was het jaar na de onfortuinlijke sprong in het ondiepe waarbij ik mijn snijtanden in één klap stuk maakte) waren zij en ik in het zwembad. Verder was er niemand. We zwommen, kletsten ins Blaue hinein, deden heel gewoon. Maar de wijze waarom we keken en het besef dat we wel spraken maar nog meer niet zeiden, dat was goed voor zinderende erotiek die ik niet eerder had gevoeld. Ik was niet geheel onbekend met meisjes, ik had op dat moment al vier meisjes gezoend, ik had borsten gestreeld, maar dat was steeds met anderen erbij. Dit was nieuw: C. en ik waren met ons tweeën. Man, wat was ik opgewonden. Ik wilde zelfs niet het water uit. Bang dat zij zou zien HOE opgewonden.

Toen we uiteindelijk gingen omkleden, ben ik – denk ik, heel precies weet ik het niet meer – met een handdoek in mijn handen, nonchalant voor mijn kruis houdend, naar de omkleedruimte gegaan. Zij kleedde zich om in de kleine kleedkamer, ik op de wc. Toen ik naakt daar stond, kwam ik niet van de erectie af, anders door beide handen om de inmiddels keiharde lul te sluiten en flink over van ballen tot eikel te wrijven en het zaad te laten gaan.

Nee, ik heb haar nooit gezoend of zelfs maar aangeraakt. Zo gaat dat met geestvernauwende geilheid en zich voor het eerst openbarende verliefdheid.

Niet veel later, ik was net 16 geworden, kreeg ik mijn eerste verkering. Zij, J., kwam uit een cerebraal gezin. Kunst, muziek, kennis stonden voorop. J. was daardoor vol van kennis en feite en liefde voor muziek. Dat trok me dan ook erg in haar aan. Toen we een half jaar verkering hadden, begon naast het voorzichtig zoenen en handje vasthouden ook het opzoeken van elkaars lichaam. Niet alleen thuis, in de gang of later in de werkkamer van haar vader, maar ook (en dat verbaasde mij) in het openluchtzwembad. We zoenden elkaar zo geil in het diepe water, met verder niks aan dan zwemkleding. Onze lijven drukten hard tegen elkaar, en mijn hand gleed in haar zwembroek, en mijn vingers drukten tussen de hete schaamlippen in het koele water… Ik kwam er bijna van klaar. Bijna onbeschaamd hoe geil we waren en ons niet van wie dan ook aan trokken. Nog meer, gezien het feit dat ze schijnbaar iets preuts over zich had. Nog steeds verbaas ik mij over het gemak van de geilheid in het zwembad. Het gemak waarmee zij toestond dat we elkaar wild opgeilden.

Ik heb beide vrouwen, C. en J., nooit meer gezien na mijn tijd in de doorwaadbare plaats. Maar ik dank ze nog steeds. Dat C. met mij in dat zwembad een spelletje van bijna naakte lijven en smachtende blikken wilde spelen. En J. bracht nog meer in mijn leven; ik kwam voor het eerst in het bijzijn van een ander klaar (zie het verhaal Neuken, dat eind 2019 zal worden gepubliceerd), in een buitenwijk in dat geboortedorp, dat toch echt een gat was, een klein burgerlijk en klein-christelijke gemeente die – als het ware – een kuisheidsgordel droeg, maar pronkerig rondliep in de bontmantel van een stad. Ik dank beide meisjes tot op vandaag de dag dat zij, die meisjes van toen, mijn eerste geilheid wisten op te roepen en te beantwoorden. Dat zij in het zwembad hun bijna naakte lijf lieten bekijken.

Pas jaren later, toen ik nog sporadisch in mijn geboorteoord was, heb ik geneukt in het water, in de zomer, buiten. Dat was met M. in de Hoornse plas, niet ver van de stad Groningen. Het was een hete zomer, vol drugs, drank, seks. De studie die ik deed lag op zijn gat. Alles was gericht op genot. En wat ik al had willen doen, al toen ik elf jaar was en in het zwembad van het reddend zwemmen met het blonde meisje zoende en niet verder kwam dan zoenen, of later met J. die zich wel liet vingeren in het water maar die ik niet neukte, dat ging nu gebeuren. Ik had seks  in het water, buiten, bij mooi weer. En hoe: draaikolken omsloten ons terwijl wij ons niets aantrokken van mensen die ons die dag, vroeg in de avond op die warme julidag, konden zien en horen.

Want die seks moest. Jezus, wat moest die geilheid zich een weg naar buiten vinden en in haar naar binnen. Eindelijk, eindelijk sloot ik mijn kleine jeugd af. Eindelijk was zwemmen in een zwembad niet meer nodig.

Misschien dat ik zo dus een goed gevoel bij seks heb. Wat begon met ontdekken van monden, borsten en schaamlippen, werd uiteindelijk geilheid en seks die in mijn geboortedorp en tot ver daarna steeds genieten was, een constant ontdekken.

De basis van mijn leven, dus:

Ik en genot, ik en ontdekkingen.

© Rick Ruhland 2019

Voornemen

Voornemens zijn om te breken.

Ik neem mij zelden iets voor. En als, dan zeker niet op 1 januari. Eerder op 3 mei, of 25 augustus.

En dan nog: ik neem me niet echt iets voor. Ik doe gewoon.

Wat ik wel heb, zijn dromen. Die realiteit mogen en soms moeten worden.

Vaak zijn die voornemens annex dromen een kwestie van genot. Een bepaald gerecht eten, een band live horen, een land of streek van een land bezoeken, een handeling verrichten.

Hoog op de ranglijsten staat daarbij de 初詣. In latijnse letters: hatsumōde. In Japan zijn en in de eerste week van het nieuwe jaar een bezoek brengen een shinto altaar, of aan een boeddhistische tempel. Niet komend jaar, helaas, maar wie weet in 2020?

Ik heb wel een tempel voor ogen:

img_7434

Voor nu wens ik iedereen een あけましておめでとう. En: 今年もよろしくね!

© Rick Ruhland 2018

 

Hogmanay!

Vandaag is de laatste dag van het jaar 2018. Een dag die goed is voor twee posts op mijn blog, want verder is er weinig anders te doen dan eten, drinken en samenzijn.

In Schotland, een van de landen die ik dit jaar heb bezocht en waar ik wederom (net als bij Japan) met een goed gevoel een aantal dagen heb vertoefd, heet de laatste dag van het jaar Hogmanay. Deze laatste dag gaat gepaard met gewoontes als het geven van cadeautjes en het bezoeken van buren en vrienden.

Het woord hogmanay zou volgens linguïsten een Gaelic, Franse en Noorse oorsprong kunnen hebben. Ik denk dat het anders zit, namelijk als volgt:

Het woord hogmanay is afgeleid van een Oudnederlands* woord, namelijk higunnan.Dit woord, dat bekend is uit het regeltje

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu

betekent zoiets als beginnen.

Dat zou heel goed kunnen aansluiten bij het idee dat na oudjaarsavond het volgende jaar begint.

Hogmanay! Een nieuw begin. Bouwt allen een nieuw nest in 2019!

© Rick Ruhland 2019

* Terzijde, volgens sommige literatuurvorsers annex taalwetenschappers is deze regel niet geschreven in een oudere versie van ons huidige Nederlands, maar heeft de tekst een Oudwestnederfrankische oorsprong, en misschien zelfs een Kentse (als in het graafschap in Engeland), waar naar alle waarschijnlijkheid de schrijver van de regel,  een West-Vlaamse monnik, Latijnse teksten overschreef in een klooster.

Scenes from a thesis: competence & performance

“The idea of an underlying structure is a crucial element of generative grammars. This idea makes it plausible that language is more than just a string of sounds and sentences. Furthermore, complementary evidence for underlying structures can be found in a discussion on competence and performance. When adults are asked to, they can perfectly well say which utterances are and which utterances are not grammatical. Apparently, we humans have inbuilt knowledge of language, usually referred to as competence. Even children (at the age of 4) seem to have a knowledge of language when they are offered incorrect sentences that they have to repeat (Ruhland, 1991)*. In daily life, we do not use all language knowledge we can [use], for practical reasons. Performance is what we use everyday in communication: it is our competence hampered by factors like memory and abilities of the hearer or the reader to understand language.”

© Rick Ruhland 2018

* De acquisitie van ‘hoeven’ / Rick Ruhland’, In: Tabu. Jaargang 21, 1991.