Een doorwaadbare plaats: 4. Surfen

Goudbruine, bronstige jongens in spierwitte broekjes en Hawaï-shirts, gebronsde, volgzame meisjes met een Colgate-smile. Verwaand volk uit de buurt met vrijstaande villa’s van ouders die aan bezit de hoogste menselijke waarde toekenden. Volk dat kinderen uit andere wijken neerbuigend behandelde alsof ze minderwaardig waren. Dat volk van jongens en meisjes leverde opdrachten voor schoolvakken in die zij nooit zelf kunnen hebben gemaakt, zoals opstellen voor Nederlands. Opstellen die door hun vader moeten zijn geschreven, gegeven het haast arrogante taalgebruik en woorden die geen puber ooit in zijn mond zou nemen. Deze kinderen, daar zat ik mee op school.

Deze kinderen zijn – 35 jaar later – kinderen gebleven omdat zij in mijn hoofd niet ouder zijn geworden. Deze kinderen zijn gekoppeld aan tennis, hockey, windsurfen, geld, leegheid. Deze kinderen misten wat ik wel had. Souplesse in het leven, doorzettingsvermogen, creativiteit in muziek en acteren, extreem hoge intelligentie, met een gezond fanatisme om de beste te zijn in mijn sport basketbal, en ga zo maar door. Deze kinderen waren niet mijn volk.

Ook een reden voor de enorme afstand tussen mij en deze ontaarde, emotie-arme Ikarussen was hun lege blik. Ik snapte niet hoe deze mensen überhaupt, als ze al nadachten over andere kwesties dan geld en bezit en pochen, dachten over de wereld. Over de wereld buiten hun blikveld. De lege blik in de ogen ging gepaard met een vernauwd blikveld. Ze speelden geen muziek, behalve misschien verplichte pianolessen, maar dat alleen omdat pippa dat wilde. Ze tennisten en hockeyden omdat hun omgeving dat deed. Ze gingen alleen om met mensen die ook atheneum of gymnasium deden. Nog meer dan welk uiterlijk vertoon ook, was het dragen van dubbele polo’s, natuurlijk van Lacoste want dit waren de jaren 80, met de kraag omhoog. Die dubbele kraag omhoog was hun forte.

Ik chargeer, maar de werkelijkheid was nog extremer. De werkelijkheid was een aaneenschakeling van incidenten die de ontaarde ontgroeningen van studieverenigingen tot een picknick in het park lieten zijn.

Het voorwerp dat zo ongeveer alles in zich had om mij superieur te maken aan die mentale speknekken: een Seiko-horloge. Hoe dat zo kwam? Het was 1983, ik zat in een klas met boven beschreven jongetjes en meisjes met laatdunkendheid als eerste natuur. Ik kwam na een vakantie weer op school en droeg mijn digitale Seiko-horloge dat ik die zomer van mijn Duitse oma had gekregen. Tweedehands, meen ik, maar daarom niet minder mooi. Zeker een kwaliteitshorloge. Ik liep er niet mee te koop perse, maar een van de jochies uit die klas zag het horloge.

Terzijde: ik heb vanwege dit verhaal die klasgenoot van toen op internet opgezocht. De foto van hem nu is als een foto van hem toen. Geen biet veranderd. Dat jochie, ik noem hem Kleine Boy (naar zijn initialen), had ook toen een streep als mond. Een lege blik in de ogen. Een tweedimensioneel karakter uit een strip, een plat personage dat voor iedereen de neus ophaalde.

Terug naar toen. Destijds droeg hij zo’n poloshirt met krokodil en een dubbele kraag rond zijn immer stijve nek, en op de bewuste Seiko-dag zaten we in de schoolbanken en keek hij met dedain naar mijn pols. Hij zag het cadeau van mijn oma en het enige wat hij uitkraamde was: “Zeker een heel goedkoop horloge.” Kleine Boy keek beter en zag toen Seiko. Hij slikte, zei ‘Oh” en keek snel en stuurs een andere kant op.

Vanaf dat moment verdween het laatste, kleine beetje respect dat ik voor zulke kartonbordjongens had, als aceton uit de benauwde lucht tussen mij en de papjongens.

Hoe anders dan zij was ik. Ik deed wat goed voelde, zonder dat ik me liet beperken door wat mijn omgeving aangaf dat kon of mocht of wat hoorde. Ik speelde in het schoolbasketbalteam, met jongens van alle schoolniveaus. Ik speelde met mijn band Jerkin, bestaande uit drie jongens die op respectievelijk mavo, havo en vwo zaten en met wie vanaf mijn 14e op de culturele avonden van mijn school en later zelfs op feestjes van schoolgenoten optrad. Ik had een vriendenkring met niet alleen schoolgenoten of alleen kinderen van mijn eigen buurt, van mijn eigen schooltype, van mijn eigen sport maar ook daarbuiten.

Alles wat organisch in mijn leven kwam en paste, dat bleef. Bij de KB’s van die wereld toen, leek alles van hun leven mechanisch, anorganisch, van te voren ingevuld. Welk schoolniveau zij kozen: niet zelden zag ik zulke kinderen met moeite het VWO doen, en ze deden alleen dat niveau omdat hun omgeving en vooral hun ouders aanspoorden dat niveau te halen;  dat lukte hen niet door hun intelligentie zo zeer, niet door intrinsieke motivatie, maar door extrinsieke pushes. Het mechanische zat in veel meer: welke vrienden zij hadden, welke sport zij kozen. En erger: de omgang met hun ouders.
Hun leven en de invulling daarvan was niet een gevolg van zelf nadenken, van zelf kiezen, maar van wat de omgeving wilde. Wat hun vrienden deden, wat hun ouders wilden.

Wat dat laatste betreft: die band tussen kakkers (want dat waren zij: kakkers tussen boeren, alto’s, en dan nog de eenlingen als ik) en ouders was onmiskenbaar. De drang van de ouders tot het kind naar hogere niveaus te brengen, om te gaan studeren was steeds aanwezig. Mijn ouders hadden dat niet. Mis ik die band die zij wel van hun vader kregen? De logica van gaan studeren? Van een baan met veel salaris en aanzien? Van extrinsieke motivatie? Gek genoeg is het antwoord nee. Nee! Niet op die manier. Wel op de manier zoals ik nu met mijn eigen zoon erin sta. Helpen zijn eigen weg vinden, meedenken over paden inslaan die je leuk vindt, aanbieden van het leven zoals je dat vindt in kunst, landen, talen, eten, drinken, sport, muziek, dansen, etc. etc. De ruimte bieden om alles anders te doen, als je maar blijft geloven in jezelf en jezelf weet te verbeteren. En: helpen steeds je best te blijven doen, om niet op te geven. Buiten de lijntjes kleuren.

Terug naar toen, 35 jaar geleden. Er was in mijn klas een jongen die ergens thuishoorde in die groep van dubbele kragen, die zoals velen ouders had die ondernemer waren, maar die toch op een aangename manier afweek. Hij was zo iemand die open en eerlijk was, niet pochte, en gewoon genoot van de dag.

Hij, ik noem hem maar even Beste Knul – naar zijn initialen –, heeft iets in gang gezet dat mijn transitie betekende van gewoon mannetje met de beperktheden van thuis naar een ventje dat alles zal omarmen dat goed en fijn voelt. Dus niet: doen niet omdat je omgeving zegt dat je dat niet moet doen, of wel doen omdat je omgeving zegt dat je dat moet doen. Ook niet: alles doen wat thuis niet wordt gedaan.

Nee, de durf te doen wat goed voelt, te doen wat je nog niet kent, en je niet laten beperken omdat men (die fucking men) zegt dat het niet mag, kan, hoort.

Enfin. Ik kwam graag bij hem thuis: een groot huis in een buitenwijk van mijn stad en niet ver van de Brinkenbuurt, de plek waar de speknekken, dubbele kragers en vale snoevers woonden. Niet ver van die buurt, en toch lichtjaren verwijderd. Voor snoeven, opscheppen, huichelachtig zijn had BK gewoon te veel rust, te veel relativeringsvermogen. Was het dan dat hij enigst kind was dat hij ruimte had om zichzelf te blijven, ondanks het geld in de familie? Ik zal het niet weten, en misschien wilde ik hem aardig vinden omdat hij niet bij die kliek hoorde, en toch weer wel, maar het hem niet uitmaakte dat iemand niet was als hij. En niet alleen hij was dik in orde, ook zijn ouders lieten me zijn wie ik was. Ook zij hadden dat aangename van genieten, van een BBQ in de tuin, kersen eten en dan de pitten de tuin in schieten. Ik voelde me welkom daar.

Hij stelde op een warme voorjaarsdag voor om mee te gaan naar de zandafgravingsplas om daar te gaan surfen. Een sport die ik tot dan associeerde met brabrabra, irritante hete-aardappel-in-de-keel, overtrokken zelfbewustzijn, minachting voor wie anders was. En toch, ik was nieuwsgierig. Dus zei ik ja.

We fietsten samen naar de plas net buiten de stad. Hij had zijn eigen plank. Letterlijk een plank. Een deur, die bleef drijven als je er op stond. Op die deur heb ik leren surfen. En dat terwijl het helemaal niet mijn sport was, gegeven het feit dat het thuis hoorde in de hoek Lacosta / tennis / hockey, en ook: Paco Rabanne. En de foute gasten.

Maar BK nam me mee naar de plas. De Wijde Aa. Op de fiets met de surfplank met mast en giek op een klein wagentje achter zich aan. Daar op de zandafgravingsplas leerde ik in een zomer plankzeilen. Zonder wetsuit, zonder trapeze, gewoon, volgens het adagium: ‘voel de wind en gebruik je spieren en weersta het water dat op druilerige dagen koud is’. Als ik mij goed herinnerde, was de plank van het merk Dufour.

Door Beste Knul leerde ik:

  • dat je niet moet doen wat iedereen in jouw omgeving doet;
  • dat niet met die mensen moet omgaan waar je omgeving van vindt waar je mee moet omgaan;
  • dat je vooral ook die bezigheden niet moet laten omdat de soortgenoten (letterlijk: soort als in op elkaar lijkende mensen die enkel en alleen van elkaar genoten) die wel laten.

Sindsdien en mede door BK is er geen rem op de wereld meer. Iets is lekker of mooi of wat ook als je hebt geprobeerd en iets goed hebt bevonden.

En ondertussen vraag ik me af: hoe zou het met die jongetjes van toen zijn? Niet alleen KB, maar ook al die anderen? De brabra’s en de bla-bla’s van de jaren 80. Uitgerangeerd? Gescheiden? Ingekakt in een Vinex-wijk? Rondbuikige patsers in vergelijkbare huizen als hun babyboom-ouders? Ik vermoedde dat zij, de speknekken met dure kleren die hen tot eenheidsworst maakten, nog steeds niet interessant zijn. Een eerste blik op een aantal van hen die ik via internet vond, bij wijze van mini-onderzoek, bevestigde mijn vermoeden want niet geheel tot mijn verbazing: ze zijn na hun studie weer teruggekeerd in de vertrouwde omgeving van hun jeugd. Terug in dat gehucht, die doorwaadbare plaats. Terug naar die kleine wereld. De wereld van zekerheden, de wereld van hebben wat je hebt, van blijven zitten waar je zit en je niet verroeren.

Zij en hun wereld staan haaks op mijn wereld van doorgroeien, uitproberen, de wereld verkennen. Op mijn wereld van creativiteit en wetenschap.

En hoe is het met BK? Zou hij nog aan mij denken? Aan het surfen, onze jaren op school, de tuin achter zijn ouderlijk huis, onze verkering met de twee zussen, en de duizend en een kleine gebeurtenissen en verhalen die ik grotendeels vergeten ben? Is BK nog steeds die jongen die in staat is om andere mensen niet af te stoten zoals KB dat heel goed kon? Dat is de eeuwige pendule: de meeste kinderen, die zoals KB zijn, moeten wel zo doen als ze doen. Omdat ze niet anders kunnen. Niet anders durven. Niet anders willen.

Omdat ze holbewoners zijn.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Scenes from a thesis: modelling development

“One of the main concerns […] is how to account for quantitative growth in development and how to relate this quantitative growth to qualitative analyses and to the parameters in the model. The definition of such quantitative growth (or development) is an autocatalytic quantitative increase in a growth variable following the emergence of a specific structural possibility in the cognitive system. In other words, language development (or cognitive growth in general) consists of growth which is expressed in numbers (quantitative) and which is not entirely caused by some external factor (autocatalytic). This growth is caused by the system itself, i.e. change is induced by the cognitive system itself.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Scenes from a thesis: development

“Development is not an unambiguous concept: there are several meanings (or definitions) of development. Development means growth, and growth is defined as an increase in size or value. This means that something has been present all the time, nothing new is added. Development also means evolution, which derives from the Latin evolve meaning to unfold or to open out. Stage of advancement is [also] listed as a definition of development, advancement being derived from the word advance, which means (among others) to rise or to move forward. [So], If change (e.g. to increase, to open out, to move forward) is the core aspect of development, the next step is to determine the treatment of change (development) in theories on development.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.