De Fulmar Inn: Dodenherdenking 1

Weken later bleek het rioolverhaal een beetje lood om oud ijzer. Niemand van de gemeente had interesse voor de oude kroeg, en openbreken wilde men al helemaal niets. Men gooide de weg open, legde nieuwe betonnen buizen in de gleuf, sloot die buizen aan op de huizen langs de weg achter de kroeg en gooide de boel weer dicht. Er zat zelfs een voordeel aan: het plaveisel was in de loop der tijd hobbelig geworden en hier en daar waren kinderkopjes uit de straat verdwenen. Nu het riool was vernieuwd was ook de weg weer helemaal spik en span.

Alles bij het oude, zou iedereen kunnen denken.

Maar de hele shitzooi, zoals Maartje die weken van het open riool was gaan noemen, maakte een ding heel duidelijk: De mogelijke sluiting van de kroeg had onder de stamgasten en vooral Koos zaden van angst geplant.

Met Koningsdag banjerden vele toeristen door de stad terwijl de regen op de nieuwe straten rond de FI kletterde. Normaal opende Koos de kroeg pas om 16.00 uur, maar de gemeente had gevraagd of hij eerder open kon. Hij had eerst nee gezegd, maar toen kondigde de gemeente een goed gesprek aan. Daar kreeg hij behoorlijk de blubber van in de knieën. Hij ging overstag en opende de deuren om 13.00 uur. Geen van de stamgasten had hij verteld dat hij eerder open zou openen. In die extra drie uur open keek Koos elke gast in de kroeg argwanend aan. Niet omdat ze vreemde drankjes bestelde, maar omdat hij nog steeds niet af was van het idee dat de gemeente pottenkijkers zou sturen om de ouderdom van de kroeg te achterhalen. Iedereen die naar de w.c. ging en zo vlak langs de bogen in de kelder, volgde hij. Zogenaamd om iets uit de keuken te halen, maar hij bleef net zo lang bij de potten en pannen tot de toerist weer naar de bar was.

Bij iedereen die teveel op zijn vingers keek, werd hij kribbig. Ten onrechte, want geen van de gasten kwam uit de stad van de Fulmar Inn. Toen tegen half vijf de eerste twee stamgasten binnendruppelden, was Koos grotendeels door zijn grootste boosheid en ergernis heen. En door zijn energie.

‘Koos, wat is loos?’

Koos schudde zijn hoofd.

Gerrit en Berend keken elkaar veelbetekenend aan. Berend maakt een beweging met zijn hand langs zijn keel.

‘Je hebt gelijk, Berend. Voor alles is er een moment.’

Gerrit pakte het kleed over de biljarttafel af. Koos deed de verwarming van het biljart aan, de twee mannen legden de ballen op het blauwe laken. De toon van de dag was gezet. Tikkel valse toon, dat wel. Ook al duurde die niet de hele avond.

Het werd, nadat de meeste toetsen waren verdwenen, rond koffietijd, een zeer stille avond. De helft van de stamgasten was de stad uit, vooral omdat men de drukte van de toeristen niet kon hebben. De overigen speelden verveeld nog een potje driebanden, niemand werd fanatiek. Sjoerd gooide zelfs een flink aantal muntstukken in de gokautomaat. Zonder iets te winnen. Berend koos op de jukebox een paar muzaknummers. Het was een Koningsdag om niet herinnerd te worden.

Een week later was de stemming nog niet ten hele gekeerd. Het was Dodenherdenking. De jongsten van de stamgasten hadden niets met die voor hun archaïsch aandoende gewoonte. Ze waren er allemaal, ruim voor acht uur. Koos en Gerrit hielden de klok angstvallig in de gaten. De twee minuten stilte waren gefundenes Fressen.

‘Dodenherdenking. Zouden we daar ooit mee stoppen?’

Gerrit en Koos keken Sjoerd aan.

‘Om de dooie donder niet.’

‘Maar we herdenken toch ook niet de dode uit de 80-jarige oorlog? En die duurde veel…’

‘ZOLANG’, interrumpeerde Gerrit op luide toon, ‘ik nog leef, gaan we daar mee door.’

‘De moffen mogen niet alsnog winnen van ons.’

De bel van de voordeur klonk.

Alle stamgasten waren binnen, en andere bezoekers kwamen meestal niet meer om die tijd.

Twee stellen van nog net niet de pensioenleeftijd kwamen binnen.

‘Ach, wie schön hier, ist ja richtig Holländisch, nicht.’

‘Ja ja, so eine Kneipe gibt es bei uns nicht!’

‘Gemütlich.’

‘Wie sagt man hier? Keesellik?’

De hele bar zat met open mond te kijken naar de vier Duitsers die op mei een paar minuten voor acht de kroeg binnen kwamen en luid pratend aan een tafel gingen zitten. Toen ze hun jas uit hadden, was het een minuut voor acht, en op de televisie waren beelden van De Dam te zien. Een duif op een beeld van het Paleis zat roerloos te wachten tot het acht uur was.

‘Gutenabend, wie hätten gerne vier Bier.’

Toen sloeg de klok op televisie de eerste van acht slagen.

Niemand aan de bar bewoog. Koos had zijn rechterhand op zijn hart gelegd.

De vier Duitsers keken elkaar 2 seconden verbluft aan. Toen begon een ieder om en om te vragen om een biertje.

‘Hallo, warum sind Sie so still?’

Twee minuten lang vroegen de Duitsers om bier. Niemand aan de bar keek een ander aan, maar op elk gezicht verschenen gespannen spieren. Gezichten vervormden met de minuut. Toen de twee minuten om waren, en het volkslied werd ingezet, barstte Koos los.

‘Zijn jullie nou helemaal…?’

Hij maakte zijn zin niet af. Hij kwam met zwaaiende armen achter de bar vandaan. Geen van de stamgasten kwam in beweging. Pas toen Koos fluim spugend over de Oosterburen stond, stonden de mannen op van de bar.

De Duitsers deinsden achteruit.

‘Kutmoffen zijn jullie. Allemaal KUTMOFFEN.’

Berend en Sjoerd grepen Koos bij de schouders.

‘Koos! Houd je in.’

De vier Duitsers stonden op met de jassen angstig voor zich houden. Bewegen deden ze echter niet.

‘Oprotten, jullie. Nu. Eruit.’

De vier bewogen nog niet onmiddellijk. Toen werden ook de overige stamgasten geïrriteerd. Gerrit voorop.

‘Zijn jullie doof?’, riep Gerrit met overslaande stem. ‘AUSROTTEN. JETZT!’

Met zijn allen duwden ze de Duitsers de kroeg uit. Toen die buiten niet onmiddellijk weg liepen, haalde Koos uit de keuken zijn grootste slagersmes. Dat had hij al jaren niet gebruikt, maar kwam nu bijzonder goed van pas. Met zijn zevenen joegen ze de Duitsers de straat uit. Steeds sneller ging het door de straten. Ze hielden niet op. Bij de gracht zagen de vier uit het oosten geen andere mogelijkheid dan in het water te springen om het vege lijf te redden. Tevreden keken de stamgasten naar het viertal dat ternauwernood niet verzoop en drijfnat de overkant haalde.

De stamgasten en Koos stonden met gebalde vuisten te kijken hoe de vijand vluchtte.

(wordt vervolgd).

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn: Het open riool 3

Nog diezelfde avond…

‘Waaaat?’ Bassie.

‘Echt niet!’ Maartje.

‘Toe even.’ Gerrit.

‘Weet je dat zeker?’ Sjoerd.

‘Tsss.’ Berend.

‘Poe. Poe. poe. Poeperdepoe.’ Jonneke, die van de wc kwam en daar een flink snuif coke naar binnen had gewerkt.

‘Sodemenakkes.’ Gerrit nog een keer.

Koos knikte bij elke uitroep.

Het bleef minutenlang. De koelkast sloeg aan.

‘Doe ons eens een borrel. Op mijn rekening.’

Gerrit was niet degene die vaak een rondje gaf, maar dit was een uitzonderingssituatie die om drastische maatregelen vroeg.

Koos schonk voor iedereen zijn favoriete drankje in. Bij elke glas dat hij inschonk morste hij een druppel of wat. Hij was dan wel ondernemer maar niet omdat hij er voor koos. Hij werd uitbater omdat zijn vader het deed. Een expert in inschenken was hij nooit geworden

‘Zo zit het dus,’ zei Koos. ‘Misschien moet de kroeg dicht en dat enkel en alleen omdat een uithangbord is gevonden dat ouders is dan men had verwacht en gedacht.’

Maartje liet het er niet bij zitten.

‘Maar nu is me nog steeds niet duidelijk waar de naam vandaan komt.’

‘Ja Koos, waarom staat er op het bord In de Stormvogel? En waarom heet de kroeg dan Fulmar Inn?’

Koos zweeg. Hij wist het antwoord half.

‘Daarvoor moet je terug naar het riool.’

Buiten gromden graafmachines. Inmiddels was men aan het begin van de straat begonnen met graven van een sleuf in de weg die achter de kroeg langs liep. De klinkers lagen als heggen langs de oude straat tussen kerk en kroeg. Achter de kroeg was de weg al open gegooid, maar aan graven was men nog niet toegekomen.

‘Iedereen kent het verhaal van oma?’

Iedereen knikte.

‘En dat er een vloek ligt op het openen van de muur onder de bogen?’

Niet iedereen knikte, maar Koos keek niet naar zijn stamgasten.

‘De stadsarcheoloog is jaren geleden langs gekomen om te vragen naar de bogen in de kelder. Hij hield een heel verhaal over de herkomst van de naam van de kroeg.’

‘Ik heb iets op de regionale zender gezien.’

‘Stil nou even Maartje.’

Koos nam een slok van zijn water.

‘D’r was iets op televisie was. Die archeoloog…’

‘Is dat niet mijn overbuurman Dolf Spitter? Die…’

‘Laat hem nou eens uitpraten.’

‘Dolf, die is het, die vroeg van alles over de stadswallen. Ik wist het toen nog niet, maar die bogen zijn helemaal niet van 1789.’

Jonneke, nooit helemaal relaxed en nu helemaal niet, snoof wat restanten coke haar neusgaten in.

‘Dus? Dus? Dus? Dus?’

Berend, normaal geen groot fan van de psychologe, knikte met haar mee.

‘Het gaat om de stadswallen. De kroeg is natuurlijk ouder dan 1789, maar de kelder achter de kloostermoppen is nieuw gegraven. Dat staat zo in de stukken van het gemeente-archief. Maar wat ik heb gehoord van mijn vader, en van mijn grootvader, is dat niet zo. En wat ik niet wil, is dat die bogen open moeten. Ook al komt daarmee de waarheid aan het licht.’

Die muren tussen de bogen wegbreken is vragen om problemen. Koos wist inmiddels waarom Peter dat had gezegd toen hij maanden geleden de kroeg uitliep. Het ging niet alleen om die hand oma. Peter, die maar zelden nog in de kroeg voorbij kwam, wist dat de de bouwkundige tekeningen niet officieel goed gekeurd waren. Na de tweede wereldoorlog is de kroeg in allerijl weer opgebouwd met allerlei stenen die na de bombardementen van eerst de Duitsers en toen de geallieerden overal voor het oprapen lagen.

‘En dan nu die naam.’

Sjoerd wilde elke naadje van elke kous weten. Sjoerd gaf ook graag naadjes door.

‘Wat ik weet, Koos, en ik heb wat boeken van onze lokale geschiedenis hierover gelezen. Een van der eerste kroegen heette In de vreemd Eend. Het was meer een herberg voor handelaren in gevogelte dan voor reizigers. Die herberg bestond vermoedelijk al in 15e eeuw, maar allerlei ziektes hielden de eigenaren er bijna mee op. Tot in november 1605 een Engelsman naar de kroeg kwam en vroeg hoe de kroeg heette. De meesten wisten toen niet meer hoe de kroeg heette. De kroeg veranderde sneller van naam dan de Paus van onderbroek.’

Alleen Berend kon er om lachen. Berend, vader van zeven kinderen. Allemaal zonen.

‘Die Engelsman, een tekenaar en een van de mensen die na het buskruitverraad niet is opgepakt, hoorde de ‘Vul maer in’, en hij maakte het eerste uithangbord met een Stormvogel, vandaar de Fulmar Inn.’

‘En dat bord is dus gevonden bij de eerste opgravingen, een paar weken geleden.’

Ondertussen zat Bassie op de laptop van Maartje te zoeken.

‘Eigenlijk is het raar dat onze stamkroeg niet op Wikipedia is te vinden. Want moet je dit eens lezen! Vond ik afgelopen weekend.’

Iedereen kwam bij Bassie staan. Samen lazen het verhaal van Hotel de Zwaan in Deurne. Toen iedereen klaar was, zei Koos:

‘Dat lijkt wel het verhaal van de Fulmar Inn.’

Maartje keek Bassie schuin aan.

‘Ik heb het vermoeden dat jij die website op Wikipedia hebt gemaakt.’

Bassie haalde zijn schouders op.

‘Die gaat over Deurne. Nog ooit geweest, en geen plannen om reis daarheen te maken. Veel te ver weg. Ergens in Brabant.’

Maartje stak haar tong uit. Ze moesten niet aan heur Brabant komme.

‘Lijkt me eerder iets voor jou. Jouw familie komt toch uit die buurt, Maartje? Maar als jij nou eens achtergrondinformatie gaat zoeken. Doe je ook eens wat nuttigs.’

Stilzwijgend ging die avond ten einde. Niemand ging laat naar huis.

© Rick Ruhland 2018

De poot om op te staan

Het café dat aan de Vismarkt ligt, opent al vroeg in de ochtend. Op dat uur loopt het café vol met marktlieden die met een koffie en een likeur de dag beginnen, en die pas weer tegen 5 uur binnenkomen voor een pul bier.

Zodra zij naar hun kraam gaan en de handel proberen te verkopen, wordt het even rustig, maar dat duurt niet lang. Het is alsof een ieder die al wel wakker is en niet meer thuis wil zijn, zich daar verzamelt. Oude mannen met hoed en stok, juffers met hun laptop die een creatief beroep doen of daar de illusie van willen wekken, geliefden die het kleffe, naar liefdeszweet stinkende bed voor een moment hebben verlaten, toeristen. Het is een komen en gaan, iedereen is welkom, niemand valt op, de benen die ik zie vanuit mijn plek naast het grote raam duiden op gewone mensen in een gezellige kroeg.

Met uitzondering van elke dinsdagochtend rond even voor elf uur. Dan komt een man binnen die aan mijn tafel gaat zitten. Een wat stijve man, die vaak in grijze broeken en en beige vesten is gekleed. Hij rookt niet, hij drinkt niet, hij loopt vaak hard. Dat is wat ik van hem weet.

Niet veel later komt zij binnen.

Zo ging het tot nu toe: zodra zij zit, gaat zijn hand onder het tafelblad. Eerst is die hand alleen maar onder het tafelblad, maar na een seconde of tien gaat zijn wijsvinger richting zijn lies en krabt daar een minuut lang. Elke keer weer. Het duurt een paar minuten, dan haalt hij zijn geslacht naar rechts en dat is nu stijf. Zij heeft inmiddels beide handen onder de tafel en trekt haar rok omhoog. Ze draagt geen ondergoed. De vingers van haar andere hand strelen haar schaamlippen.

Als ze aan mijn tafel zit, draagt ze meestal rode pumps. Meestal zet ze een pump op de staander van mijn tafel en drukt ze een vinger tussen haar schaamlippen terwijl haar duim haar klit masseert. Nu ook.

Maar vandaag is een dag als geen andere dag. Zij wrijft wel, maar hij niet. Hij brengt zijn hand weer boven tafel.

Door het tafelblad heen hoor ik hem zeggen:

“Je kunt niet langer mijn patiënt en mijn minnares tegelijk zijn.”

Haar hand stopt, haar dijen klappen dicht, haar voet op mijn houten poot glijdt weg.
Dan zet hij zijn voet op mij. Aan zijn zool kleeft hondenpoep. Ik ruik de penetrante geur van de poep, die hij aan mijn hout afveegt.

“Maar mijn emotionele focustherapie moet door gaan, Peter, want ik word zo geil van psychiaters, en ik kan nergens meer gewoon zijn zonder mezelf te bevredigen.”

Geruisloos zijn de benen van de kelner naderbij gekomen.

“Peter, je moet me blijven bevredigen,” zegt ze veel te hard.

Peter springt overeind, glijdt uit over de poep op mijn tafelpoot, bewaart nog net zijn evenwicht en rent het café uit.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 2

Toen Koos had gesproken, was het doodstil geworden in de kroeg. Meestal was Koos niet degene die een verhaal had. En als hij het wel had, dan vertelde hij dat weinig. Als hij toch vertelde, dan bleef zijn verhaal altijd binnen de perken. Nooit veel details, nooit met een opgewonden stem. Het leek ook alsof weinig zaken hem raakten. 

De stamgasten zagen echter nu voor het eerst een Koos die zich liet gaan. De meesten aan de bar, Gerrit, Berend, Sjoerd, Hannes en Jonneke, zaten stokstijf, met een elleboog op de bar, en een hand voor de mond. Verbazing alom. Ook om de trillende handen van Koos, trouwens.

‘Mijn overgrootvader,’ zo ging Koos verder, die er dit keer geen genoeg van kon krijgen, ‘mijn overgrootvader, ik zeg, mijn overgrootvader had in de jaren 30 van de vorige eeuw al gezegd, deze kroeg moet altijd blijven, ongeacht wat de geschiedenis ook zal zijn.’

Hannes gniffelde stiekem. ‘Geschiedenis die zal zijn’.

Jonneke zag de glimlach. Ze deed de hand naar hoofd om een lok van het haar achter haar oor leggen, maar was vergeten dat ze sinds een paar weken een jongensachtig kort kapsel had. In een moeite door bracht ze haar hand omhoog en deed alsof ze zwaaide en tegelijk wilde bestellen. Niemand reageerde.

Koos vervolgde zijn verhaal. Ondertussen keken Gerrit en Berend een andere kant op. Maar dat was tactiek. Een tactiek om iedereen te doen geloven dat het hun niet interesseerde. Dat deed het om de drommel wel.

Alleen Maartje, de eeuwig nieuwsgierige journaliste, was niet echt onder de indruk. Beter gezegd, zij moest als altijd doorvragen.

‘Dus, Koos, deze kroeg is ouder dan de Franse tijd. Ouder dan de VOC. Zo oud als de Spaanse tijd. Maar hoe zit het dan met de naam?’

Koos had net verteld dat in de gemeentelijke archieven veel bewaard was gebleven van eigendomaktes, rekeningen, kadaster, tekeningen. Op de plek van de kroeg, op 200 stappen van de kerk, en op 300 stappen van de Vispoort, was al sinds de negende eeuw bebouwing. Eerst een vrijstaande schuur, die bij een boerderij hoorde. 

In die schuur hield de boer eenden. Zoveel was wel bekend. In de geschiften van de regio, eind 15e eeuw, stond de stad bekend om haar ‘gevogelte’. Op meerdere plekken langs de rivier werden ganzen, kippen, zwanen en eenden gehouden. De eigenaar van de schuur, boer Stove op den brinck, was een verre voorouder van de latere vriesdroogfabriek Van der Stoof, en in die eerste tijd was er veel behoefte aan gevogelte. 

Toen de boer een grotere boerderij liet bouwen aan de andere kant van de rivier, kwam de schuur in handen van een gevluchte protestant uit zuidelijke Vlaanderen. Hij, Adelbert, was gevlucht toen de heksenvervolgingen over hun hoogtepunt heen waren. En nog was de honger van de katholieken niet gestild. Adelbert voelde al aan dat de katholieken hem te grazen zouden gaan nemen. Hij vertrok begin 16e eeuw, trok enkele jaren door de noordelijke gewesten van Nederland en vond uiteindelijk zijn plek in de stad aan de rivier, en toen hij de schuur zag, nam Adelbert die schuur over. Men noemde Adelbert, vanwege zijn taaltje en omdat hij in een voormalige eendenschuur ging wonen, de Vreemde eend. Wie wat wilde drinken in die tijd, vooral reizigers op weg naar het Orakel van Ootmarsum, kwam al snel uit bij Herberg In de vreemde eend.

Toen de herbergier overleed (kogelwond? vergiftiging? leeftijd? De annalen laten het onvermeld), stonden meerdere buren van de herberg klaar om de toko over te nemen. Al ras bleek dat er onder de grond een enorme mestput zat, en daarom moest de schuur afgebroken worden. Niemand wilde dat. Op een na: de abt van de kerk. Hij was een druk man, maar hij kon altijd wel wat extra centen gebruiken.

Maartje had met veel interesse zitten luisteren. Fronsend ook.

‘En toch, Koos…’

In de stilte die viel, keken de stamgasten haar aan.

‘Trouwens, hoe jij dit allemaal weet, geen idee, maar wat ik wilde zeggen: hoe komt het dat op internet niets te vinden is?’

Koos had een blik paraat. Niet de gewoonlijke uitbaterblik die sprak: ‘Welkom hier maar haal geen fratsen uit.’ Het was de blik ‘Mond dicht en luisteren nu.’

‘Maartje, ga eens een boek lezen. Er is namelijk veel meer loos dan jij weet.’

Maartje had geen lange tenen, maar Koos was duidelijk op een paar van haar gelakte nagels gaan staan.

‘Nou zeg, Koos.’

Koos liep naar de ruimte achter de kroeg, een plek die meer kast dan kamer was. Hij rommelde even en kwam toen terug met een A4-map. Hij sloeg die open. Uit de map haalde hij een blaadje, dat smoezelig was. Het was een fotokopie.

‘Dit is een kopie van de voorkant van het boek waar ik het over heb. Dit boek gaat over straten in steden waar kerk, herberg en magistraat in een en dezelfde straat. Ik heb het boek mogen lenen en gelezen.’

Iedereen keek Koos aan met de blik ‘En?’.

‘Nou, er staat over mijn straat dat in elke eeuw veel gebeurd is: de Spanjaarden, de…’

‘Spanjolen,’ onderbrak Gerrit.

‘De VOC, de Engelsen, de Fransen, de industrialisatie, de belgen, de Duitsers. Heel Europa is hier wel geweest.’

Maartje had haar laptop opengeslagen. 

‘Ik vind het maar een raar verhaal, Koos. Buiten een wikipedia-pagina staat er helemaal niets op internet. Complot?’

De anderen schudden allemaal het hoofd. 

‘Dit is zo’n specialisme en tegelijkertijd generalisme, dat het niet samen te vatten is op internet.’

Bassie had het beslissende woord gezegd. Iedereen wachtte nu op Koos.

Koos schraapte zijn keel en sprak somber:

‘Ik ben bang dat als de gemeente Monumentenzorg gaat inzetten en de kroeg onderzocht gaat worden, vooral de kelder, dat er dan wat gaat gebeuren met de kroeg. Vooral: moet de kroeg dan misschien sluiten?’

Dat zorgde voor ontstemde hilariteit bij de stamgasten. En ondertussen dacht Koos: ‘Wat als ze de hand vinden van oma?’

© Rick Ruhland 2018

Stamgasten van de Fulmar Inn: Berend

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (o.a. hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Volledige naam: Berend dop (achternaam met de kleine letter; Berend heeft geen idee waarom zijn achternaam zo geschreven wordt).

Leeftijd: 51.

Werk / studie: Bureauklerk bij de gemeente. In vrije tijd: websites maken; hij is de eigenaar van Bureau De Laptap.

Hobby’s: Speelt dagelijks met zijn kinderen en met zijn Scalectrix (racebaan).
Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): Steevast een quote met een kwinkslag uit de Bijbel. Zegt hij. Feit is dat hij als katholiek de bijbel helemaal niet goed kent.

Familie: Rooms, dus veel kinderen, namelijk zeven. Vrouw is Maria. Praat hij verder niet over.

Afkomst: Onduidelijk. Hij heeft ergens een creatieve kant, maar die komt maar zelden echt ter sprake (hoewel iedereen weet van de websites die hij maakt). Volgens Maartje, de journaliste, komt hij uit een schildersgeslacht. Woont al heel lang in het centrum van de stad.

Vrienden / kennissen: Erg druk met gezin en vrouw.

Kleding: Goede kleren, maar geen pakken. Wel colberts, overhemden, bandplooibroeken. Schoenen van Zwartjes. Ruikt meestal naar aftershave.

Uiterlijk: Keurige man. Gaat elke 2 weken naar de kapper, nog geen spoor van ouderdom. Klassieke 50-er, voor wie de tijden van Frits van Egters bij lange na niet zijn afgelopen.

Drank: Het liefst shandy, maar bier met 7-up en zoete wijn met spa mag ook. Als het maar bubbelt en prikkelt.

Muziek: Liever niet. Hij moppert ook altijd als iemand geld in de jukebox gooit.

Onhebbelijkheid: Zijn gemopper op de jukebox.

Gewoontes: Danst als hij te veel gedronken heeft. Komt niet zo veel voor en als, dan moet het wel feest in de stad en kroeg zijn. Houdt van samenzweringen en theorie daarover. Ondanks de Roomse achtergrond van Berend is hij degene die ontkent dat Prinses Diana in iets als een hemel zal zijn opgenomen. Reden? Haar contacten met moeder Teresa!

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

Stamgast van de Fulmar Inn: Gerrit

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (o.a. hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Een van de oudere stamgasten is Gerrit.

Volledige naam: Gerrit Brasem.

Leeftijd: 69.

Werk / studie: Bladluismelker, oftewel hij leeft van zijn AOW en pensioen. Na zijn lagere school en 5 jaar werken bij zijn vader in de groentezaak monsterde hij als 18-jarige aan op een vrachtboot die op ‘de oost’ voer. Op zijn 30e is hij gestopt, maar waarom, daar praat hij niet over. Niemand weet wat hij de 5 jaren erna deed. Op zijn 35e was hij 10 jaar lang conciërge van een middelbare school in een buurgemeente. Na een jaar werkeloosheid begon hij te drinken en verhuisde naar een woning niet ver van de Fulmar Inn. Sindsdien, tot aan zijn pensioen, werkte hij bij de gemeente: plantsoenendienst, gemeentereiniging. Sinds hij 65 is, leeft hij van zijn AOW en pensioen die hij in de kroeg opdrinkt.

Hobby’s: Hoorn blazen in de plaatselijke fanfare; Hij praat ook over zijn muzikanten verleden; veel sterke verhalen over bekende musici. Hij kent er ook veel uit zijn zeemansverleden. Denkt heel veel te weten door zijn ervaring als zeeman en zijn tijd als conciërge, maar hij zit er meestal net naast. Dat merkt iedereen ook als hij uitdrukkingen hanteert, zoals ‘een wet van meten of persen’. Hij heeft zelfs nog met G. Reinders gespeeld, zegt ie.

Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): “Voor mij geen Lady D.” (Gerrit is een liefhebber van lange reclames en kijkt vooral naar lange commercials op commerciële zenders; de laatste tijd is hij gek van het massage-tril-apparaat ) en “Wet van meten of persen”.

Familie: Hij was getrouwd met Maria, die inmiddels is overleden. Hij heeft een dochter en een zoon. Dochter Annemarie (25) woont in zelfde stad. Is getrouwd met Peter (40). Annemarie is zorgzaam. Ze helpt Gerrit met rekeningen betalen, ze kookt soms voor hem koken. Schoonzoon Peter en Gerrit zijn water en vuur. Annemarie is grijze muis, niet knap, niet onknap, vrij tenger, blond, slagen in het haar. Zoon Rob (27) is getrouwd met een verder vage vrouw, heeft misschien wel kinderen; praat Gerrit nooit over. Goede baan, doet iets met cijfers. Woont plm 100 – 150 km ver weg. Afstandelijk naar Gerrit en Annemarie toe, iets meer betrokkenheid met Jantien. Dit is een gevolg van de scheiding.

Afkomst: Hij komt uit een arbeidersfamilie. Werken is een devies en advies dat hij anderen ook meegeeft.

Vrienden / kennissen: Buiten zijn volslagen zat zijn heeft hij een geregeld leven. Hij heeft sociale contacten bij de fanfare, bij zijn biljartclub, en in zijn buurt.

Kleding: Morsig type, ijdel. Draagt vaak pak & das, maar altijd in een grijs vooroorlogspak.  Hij is vaak onderwerp van de spot van stamgasten Sjef en Berend, die glashard menen dat Peter eens een nieuw pak en modernere schoenen moet kopen, omdat de oorlog is afgelopen.

Uiterlijk: Vergeet zich regelmatig te scheren. Zijn grijze haar is steevast strak achterover gegeld. Houdt zichzelf niet schoon.

Drank: Bier en brandewijn. Als hij zat is: citroenjenever.

Muziek: Blaasmuziek. Vooral de Egerländer Musikanten vindt hij werelds.

Onhebbelijkheid: Bij elke bestelling van Koos zegt hij ‘Ja ja, zeur niet zo, en nu maar schenken met die hap.’

Gewoontes: Snuift tabak, laat zijn rekening in de kroeg tot ongekende hoogte oplopen om aan het eind van de maand te zeggen “Dat kan nooit!” Rookt shag van een van de andere stamgasten. Komt bijna elke dag, aan het eind van de maand soms wat minder: geen geld, hoge rekening. Hij heeft veel bonnetjes laten staan. Hij is tevens de oudste stamgast: 69 en al 40 jaar kind aan huis. Hij heeft de vader van Koos nog gekend! Veel ouwehoeren met andere stamgasten, biljarten. Een beetje opdringerig naar nieuwe, onbekende bezoekers toe. Wordt vrijwel elke avond dronken, maar zal dat zelf te allen tijde ontkennen.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

Stamgast van de Fulmar Inn: Koos

Om een idee te geven wie er zoal in de Fulmar Inn komen (hier en hier meer informatie over deze kroeg) is het misschien handig om wat meer te vertellen over de stamgasten en de uitbater.

Om met de laatste te beginnen: Koos.

Volledige naam: Koos Hondius.

Leeftijd: 45.

Werk / studie: Heeft na de lagere school en middelbare school een studie Sociale Geografie gedaan. Na 3 jaar had hij zelfs de propedeuse niet gehaald. Kwam aan het begin van zijn studietijd in de kroeg, werd stamgast en na 3 jaar kreeg hij een weekendbaantje als barkeeper/hulpje in de FI. Nam op zijn 22e de kroeg over en is nu de eigenaar van FI. Hij woont boven de kroeg.

Hobby’s: Cartografie; verzamelt (land)kaarten, heeft onlangs GoogleEarth ontdekt. Op regenachtige dagen zet hij zijn computer op de toog, wat steevast tot gemopper bij de oudere vaste klanten leidt.

Vaste uitdrukkingen / spreuk(en): Begint alle zinnen met: ‘Ik zeg, ik zeg…’ en vervolgens valt hij stil en grinnikt als een ander zijn zinnen afmaakt.

Familie: gescheiden en nu vrijgezel. Heeft af en toe wel een relatie. Ex-vrouw is hertrouwd. Hij ziet zijn drie dochters niet meer.

Afkomst: uit de hogere middenklasse, vader was adjunct-directeur van een middelgroot ingenieursbureau. Ouders overleden, Koos is enig kind. Is wat anderen ‘eenzaam’ zouden noemen. Maar hem bevalt dat wel. Is ook de reden dat relaties nooit lang stand houden, laat staan tot iets als samenwonen kunnen leiden.

Vrienden / kennissen: Heeft wel vrienden; een paar uit de lagere/middelbareschooltijd, en een enkele uit de studietijd. Verder kennissen, buren, klanten. Lijkt een lichte vorm van autisme/asperger te hebben. Maar hij is vanwege zijn beroep veroordeeld om elke avond gastheer te spelen, sociaal te zijn. Dit gaat niet altijd makkelijk. Sommige klanten begrijpen/accepteren dit niet, anderen wel. Is altijd bezig met één of ander ‘project’ (marathon, feng shui, herinrichten van kroeg etc.) waarbij hij anderen probeert te porren mee te helpen.

Kleding: Spijkerbroek, in de kroeg overhemden. In vrije tijd wat maar voor handen is.

Uiterlijk: baardje, snor, leesbril, stiekem ook een ziekenfondsbrilletje. Zandbakkleurig haar, wordt al behoorlijk grijs.

Drank: Drinkt geen bijna alcohol tijdens het werken, wel cola of bijna-over-datum flesjes frisdrank. Neemt aan het eind van de avond nog wel eens een baco. Geen bier, dat verdraagt hij niet meer sinds die ene legendarische avond in de studentenstad…. Waarover hij niet meer praat, terwijl velen in de kroeg heel goed weten wat er toen gebeurd is. Drinkt sinds kort stiekem het ene na het andere foute, en dan vooral zoete drankje. zet die drankjes stiekem op de rekening van klanten.

Muziek: Punk, New Wave, Jazz. Maar sinds een tijd ook Duitse Schlagers uit de jaren 70 en 80, vermoedelijk door Duits vriendinnetje, een jaar of 10 geleden.

Onhebbelijkheid: Bij elke bestelling noemt hij op wat er al staat en Peter zegt dan: ‘Ja ja, zeur niet zo, en nu maar schenken met die hap.’

Gewoontes: Draait elke dag altijd als eerste en laatste nummer “Duitse punk/new wave jazz”.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn II

Ik schreef eerder al over de Fulmar Inn, of de FI zoals de stamgasten de kroeg koosnamend betitelen. Om iets meer van de kroeg en zijn ambiance te begrijpen, moet je eigenlijk een keer langs gaan. Dan snap je ook meteen iets meer van de kroeg qua bouw en architectuur. De vloer in de kelder van de kroeg stamt uit minstens de 16e eeuw. Er gaan geruchten dat een van de eerste eigenaars zelfs een oude monnik was die uit het klooster was getreden en liever houten pullen warm bier verkocht dan godsdienstige praatjes. Een soort Broeder Tuck van de Lage Landen. De stenen vloer is door die monnik eigenhandig gelegd. Ook de romaans aandoende bogen van de kelder schijnen van zijn hand te zijn. Die bogen behoren tot de muren die diep onder de grond zitten, zoals de hele kelder onder rivierniveau ligt. Die keldermuren van de Fulmar Inn hebben in het verleden altijd als doel gehad het water van de rivier buiten te houden. Immers, de rivier stroomt op nog geen 30 meter van de kroeg. Nog niet zo lang geleden, vlak na de oorlog, kwam de opa van Koos en destijds de uitbater van de FI, op het lumineuze idee om te achterhalen wat er nu achter het stukwerk onder de bogen zat. Dat had hij beter niet kunnen doen: na een halve dag bikken in de muur kwam vanachter een laag stuc en iets dat leek op beton kleiige modder tergend langzaam door het gat naar buiten. “Potverdorie, wat een lucht!” riep Koos’ opa, toen hij met zijn neus boven de grijsgroene klei hing. Een van de stamgasten van toen kwam kijken, kotste een keer door de stank, en sprintte weer naar boven.

Inmiddels is in het kader van de naoorlogse wederopbouw een stevige wand geplaatst in de kademuur. Die wand van staal en beton houdt nu het rivierwater buiten de stad en dus ook buiten de kroeg. De stinkende klei is grotendeels ingedroogd en ingeklonken. Koos’ opa heeft de opengebikte muur diezelfde week nog weer dicht gemetseld, maar het bleef onduidelijk hoe oud die muren tussen de bogen nu eigenlijk zijn. Het gerucht gaat dat er achter een van die bogen een geheime gang naar de kerk aan het Grote Kerkplein. Koos heeft al eens gezegd dat hij dat graag nog eens uitzoekt. Of laat uitzoeken.

De eerste vloer, dus boven de kelder, is minder oud. Het is de vloer waar nu de voordeur zit en waar mensen sinds halverwege de 17e eeuw binnenkomen. Aan de onderkant, dus aan het plafond van de kelder, zitten eiken balken van bijna een voet doorsnee. Twee van die balken hebben zwarte vlekken: overblijfselen van een brand en van een explosie. Ondanks vele overstromingen (de laatste nog geen 20 jaar geleden), als de rivier hoog stond, zijn de herinneringen niet weggewassen. Ik vertel dit alles omdat aan de kroeg een fenomenale geschiedenis kleeft. Er kleven verhalen uit bijna vijf eeuwen aan die balken. En omdat de kroeg nog zo hedendaags is als maar zijn kan. En dat die twee dingen, toen en nu, zo feilloos naast elkaar bestaan, en nog beter, zo naadloos in elkaars armen vallen. Niet dat de een de ander bepaalt, maar een van de twee kan niet zonder de ander. Dat maakt de kroeg nou juist zo af. Ik weet niet of Koos ooit uitgezocht heeft hoe de kroeggeschiedenis in elkaar steekt, qua details. De grote lijn is al beschreven in een boek dat een collega van een van de stamgasten, Maartje van Egters en journaliste bij de plaatselijke courant, heeft geschreven, in een boek met de titel ‘De geschiedenis van de kroegen in onze stad. Met een meer gedetailleerd verhaal is Hannes, een van de jongere stamgasten, al bezig.

Niet lang geleden zaten aan het eind van de middag, halverwege de week, Gerrit Brasem en Koos de barman voor zich uit te staren toen de bel van de voordeur rinkelde. Koos en Gerrit keken over de trap naar beneden en zagen een man in een gekreukeld pak steunend de treden bestijgen. Hij nam plaats aan de bar en vroeg om een glas kraanwater.

‘Meneer Hondius, neem ik aan?’ terwijl hij het glas water van Koos aan.

‘Klopt. Wat kan ik verder voor u doen? Glaasje jajem?’

‘Nee, ik drink niet in werktijd.’

Hij legde een fancy uitziende klapper op de toog en tikte een keer op het plastic voorblad.

‘Ik heb hier wat voor u. We gaan over 3 weken een nieuw riool aanleggen.’

Gerrit was met zijn hand, het glas tussen duim en wijsvinger houdend, halverwege toog en mond en bleef zo zitten, als een standbeeld.

‘Dat betekent we de straat achter uw horeca-gelegenheid opengooien en dat we een week of 2 bezig zijn met nieuwe buizen leggen. Dat kan enige overlast geven, en u zult op bepaalde dagen geen gebruik kunnen maken van de douche en het toilet.’

Koos had wel eens verteld van zijn opa en de opengebikte muur en de stank. Gerrit bewoog langzaam zijn hand met glaasje richting mond en keek Koos strak aan.

‘Mocht u nog vragen hebben, hier is het visitekaartje van de dienst Infrastructuur.’

Hij legde de kaart op de tapkast en verliet fluitend het pand. Koos en Gerrit keken elkaar bedonderd aan. Het duurde tot de volgende stamgasten binnen waren. Koos had het pas in de gaten toen twee handen voor zijn gezicht wapperden.

‘Wat zitten jullie hier gezellig. Koos, biertje graag.’

Hannes, meestal Bassie genoemd vanwege zijn broer Adriaan, ging op zijn vaste plek aan de hoefijzervormige bar zitten en in zijn kielzog kwam Jonneke van Bil de trap op.

‘Heren, een goede mid… Hallo, is er iemand gestorven? Sjeumineu, wat een slecht karma hangt hier in de kroeg.’

Koos zei niets en wees op de map die voor hem lag. Hannes en Jonneke liepen om de hoefijzervormige bar heen en bogen zich over de map.

‘Nieuw riool? Hebben we dan zo hard gescheten hier?’

Hannes lachte om zijn eigen grap. Koos ontdooide.

‘Zou me niets verbazen als ze onder straatniveau nog iets van de brouwerij terug zien. Of dat andere shit boven water komt, Koos. ‘

‘Je weet het nooit met dat nieuwe riool. Ik heb jullie toch dat boek over kroegen in de 17e eeuw laten zien?’

Koos stond al op om het boek, zo goed als het enige in de kroeg, te pakken van de plank met brandewijn en jenevers, toen de aanwezigen als in één koor riepen dat ze het boek al genoeg gezien hadden. Hij zakte weer neer op zijn kruk met rugleuning aan het uiteinde van de hoefijzerbar.

‘Volgens mij is de eerste keer dat de straat hier achter open lag rond de start van de brouwerij en de bouw van de eerste FI.’

Hannes kon het weten, die had meermaals in het gemeentearchief gezocht naar de oorsprong van gebouwen in het centrum van de stad. Geen intellectueel was hij, maar slim wel en met een gedegen feitenkennis van de lokale geschiedenis.

En terwijl Hannes en Jonneke het mapje van de gemeente doornamen, schonk Koos nog een keer de glazen vol.

© Rick Ruhland 2015