Groeien, stoeien, knoeien: voor sommigen onderzoek doen is beitelen aan het ego

Wetenschap, dat was ooit mijn ding. Ik kon volledig opgaan in het bedenken van onderzoekvragen, van antwoorden, van een onderzoekmethode, van het lezen van literatuur, in het redeneren en argumenteren, en ik genoot als ik data kon analyseren en daar een uitspraak over kon doen.

Wat mij destijds bij een groot deel van de wetenschappers wel opviel, was hun oogklepperij. Vrij vertaald: hun vermogen om hun onderzoeksobject(en) vanuit het eigen straatje te bekijken en te zoeken naar bewijzen van datgene wat ze al dachten, ook daadwerkelijk in de data aan te tonen.

Wat ik miste bij de meeste van die wetenschappers was relativeringsvermogen en het vermogen om onderzoek in een ander daglicht te zien, vanuit een andere invalshoek, om zichzelf kritisch onder de loep te nemen. En: ik mist iets wat ik mezelf wil boven brengen. Een veelweter, een kenniszoeker buiten de eigen interesses. Een homo universalis. Wat ik ook miste was het vermogen om iets met kritiek en feedback en andere data en andere verklaringen te doen.

Dat laatste, het venijnig reageren op kritiek op het eigen onderzoek, kwam dit weekend weer eens aan het licht. In een artikel in NRC met de titel ‘Help! Hij groeit’ wordt het boek Oei ik groei van Frans Plooij weer eens onder aandacht gebracht. Het boek, dat begin jaren 90 uit kwam, was destijds een van de vele hulpboeken voor ouders.

Dat boek, en Plooij zelf ook, kwam eind jaren 90 behoorlijk in het nieuws. Een van mijn gewaardeerde collega’s destijds, Carolina de Weerth die net als ik bezig was met een proefschrift over ontwikkelingstransities, had nauwgezet onderzoek gedaan en kwam tot de conclusie dat het boek van Plooij, die een stuk of wat exact getimede groeispurts meende te hebben gevonden, wetenschappelijk niet door de beugel kon. Sterker, die groeispurts kon niet zo exact worden gevonden. Even los van definities en van wetenschappelijke literatuur en meer van dat soort academische kwesties: baby’s zijn in ontwikkeling en dat gaat niet zonder stoot of slag. Het boek van Plooij is ook niet perse onzin. Het boek speelt wel handig in op ouders die zich onzeker voelen. Gezien de verkoop van het boek over de jaren heen zijn dat er veel. Ik vermoed ook dat veel jonge ouders vandaag de dag niet meer weten wat hun eigen (groot)ouders deden toen zij kinderen kregen. Niet in het boek van Plooij kijken, dat is duidelijk.

Misschien saillant detail: het onderzoek waarop Oei ik groei is gebaseerd was niet eens naar menselijke baby’s, maar naar jonge primaten. En: ik heb nooit het idee gehad dat dat onderzoek uitblonk in heldere definities en een welomschreven begrippenkader.

Mijn punt: de wijze waarop destijds door Plooij – toen nog buitengewoon hoogleraar, een tijdelijke baan, want zijn contract liep na 5 jaar af en de universiteit besloot – terecht – zijn aanstelling niet te vernieuwen – de publiciteit zocht en mijn collega Carolina probeerde af te branden, was stuitend. Nog steeds denk ik dat daar niet alleen een hoge ijdeltuiterij (die wetenschappers over het algemeen eigen is) een rol bij speelde, maar ook het feit dat de verkoop van Plooij’s boek mogelijk zou lijden onder dat nieuwere onderzoek, waarin de groeispurts werd betwist. Hij probeerde zijn eigen promovenda af te maken in de media. Ik heb hier thuis een groot deel van de artikelen die destijds in de grote kranten en tijdschriften verschenen, en ook de optredens van hoogleraren (mijn eigen promotor en Plooij zelf) in diverse televisieprogramma’s heb ik bewaard.

IMG_7697.jpg

Ik ben van mening: pleit beslecht. Plooij heeft het verkeerd aangepakt met zijn benadering, met het zoeken van de publiciteit. Hij had het in de wetenschap moeten oplossen. Als ik zijn persbericht van destijds lees, najaar 1997, dan is dat een bericht waarin Plooij van zich af slaat en schopt. Niet netjes. De resultaten van zijn onderzoek waren niet zo eenduidig dat die met een andere, betere onderzoeksopzet bij (menselijke) baby’s konden worden gevonden. Dat was alles. Maar niet voor Plooij.

Maar goed, olifantje met een lange snuit erbij gehaald en einde verhaal. Toch?

Nee. Wat lees ik dit weekend in het NRC? Plooij’s dochter (ik heb op internet zo snel niet kunnen vinden of deze vrouw gestudeerd heeft of niet, maar laat ik eens aannemen van wel, vermoedelijk iets met andragogie of met commerciële economie; heeft ze zelf ook onderzoek gedaan? Zou kunnen, maar ik heb geen idee) doet daar een paar duiten in de zak. Zij is van mening dat het originele onderzoek en de onderbouwing van Oei ik groei – ‘internationaal talloze keren gerepliceerd’, staat in het artikel als quote – nog steeds goed is. Nog een quote van haar: ‘Als je daar [bij het gerepliceerde onderzoek, RR] vraagtekens bij zet, heb je de literatuur niet goed gevolgd. Dit is geen wetenschappelijke discussie maar een persoonlijke vete.’ Dat laatste klopt: dat is een vete die haar vader 20 jaar geleden is gestart. En die blijkbaar moeiteloos in haar verder gaat. Opvallend aan het citaat over de replicatie van het onderzoek van Oei ik groei is wat mij betreft dat het onderzoek misschien wel gerepliceerd is, maar de resultaten niet (?).

Ik ken het onderzoek van Carolina goed en ik was bij menige discussie over het onderzoek dat zij deed (zij en ik waren met nog twee andere onderzoekers-in-opleiding deel van een aandachtsgebied van NWO). Tot aan het gelazer leek Plooij wel eens moeite te hebben met de kritiek en de resultaten van De Weerth, maar die leek hij te slikken, alsof hij wist: dat is nou eenmaal onderzoek doen. Kritiek geven en krijgen, en daarmee je werk verbeteren.

Na zijn persbericht van 30 oktober 1997 was duidelijk: hier was een man aan het woord die kritiek krijgen niet zo makkelijk slikte. Die feedback krijgen zag als ongelijk krijgen. Die misschien wel zijn boekverkoop gedwarsboomd zag? Ik heb geen idee. Wat ik wel als idee heb: zijn dochter is blijkbaar een appel die niet ver van de boom is gevallen. Ook zij schopt van zich af.

En waar gaat het om? Een paar lastige momentjes in het eerste jaar van een baby. Als vader heb ik die momenten ook meegemaakt. So what?

Na die woelige maanden in 1997en 1998, vol verdachtmakingen en zwartmakerij en waarin ik zelf ook promoveerde tot doctor, wist ik: in de wetenschap van de 21e eeuw is geen plek voor een homo universalis als ik. Wegwezen dus. En zo geschiedde!

Meer lezen? Hier. Geen wetenschappelijk exercitie maar gewoon een wikipedia-pagina.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Scenes from a thesis: modelling development

“One of the main concerns […] is how to account for quantitative growth in development and how to relate this quantitative growth to qualitative analyses and to the parameters in the model. The definition of such quantitative growth (or development) is an autocatalytic quantitative increase in a growth variable following the emergence of a specific structural possibility in the cognitive system. In other words, language development (or cognitive growth in general) consists of growth which is expressed in numbers (quantitative) and which is not entirely caused by some external factor (autocatalytic). This growth is caused by the system itself, i.e. change is induced by the cognitive system itself.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Scenes from a thesis: rule guided development

“The importance of the concept of a language structure is that in any language, but also during development this structure follows rules. In other words, language and language development is not without a goal. There is an end state in development, which is described and explained with the aid of linguistic theory. Language development, i.e. the change from no language to that end state, is not a proliferation of change that is adrift, but a series of learning events in time that is rule guided, although these rules do not need to be innate or explicitly learned.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Scenes from a thesis: development

“Development is not an unambiguous concept: there are several meanings (or definitions) of development. Development means growth, and growth is defined as an increase in size or value. This means that something has been present all the time, nothing new is added. Development also means evolution, which derives from the Latin evolve meaning to unfold or to open out. Stage of advancement is [also] listed as a definition of development, advancement being derived from the word advance, which means (among others) to rise or to move forward. [So], If change (e.g. to increase, to open out, to move forward) is the core aspect of development, the next step is to determine the treatment of change (development) in theories on development.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Psychologen in de wetenschap

Waar je mee omgaat… besmet je! Niet dat het levensgevaarlijk is, maar toch.

Ok, dat klinkt cru, maar het heeft een kern van waarheid waar ik niet om heen kan. Ik ben een decennium lang met psychologen omgegaan. Voor alle duidelijkheid: niet met therapeuten en aanverwante hulpverleners, maar psychologen in de wetenschap. Wat ik van hen leerde? Dat de psychologie een extreme behoefte kent om serieus te worden genomen. Een extreme behoefte om rekenschap af te leggen door gedachtegangen en experimenten te toetsen met statistiek. Ook het gebruik van het metaforen is de enige wijze om iets (zinnigs) te zeggen over des mensen geest. Ik was gelukkig eerst gevormd door een spitsvondige geest aan de letterenfaculteit van dezelfde universiteit; mijn professor Frans Zwarts. Ik wilde na diens inzichten alleen wel wat anders, een andere benadering van mijn specialisatie taalontwikkeling (de studie van linguïstische verschijnselen en veranderingen in de taal van een kind tussen geboorte en, in het geval van mijn onderzoek, het vierde levensjaar). Dus toen ik een uitnodiging kreeg om mijn proefschrift te gaan schrijven bij de psychologen, zei ik ja tegen een andere blik op taalontwikkeling. Heel belangrijk op dat moment: ik was weerbaar geworden door de taalwetenschap, ik was uitgerust met een sterk analyseapparaat, ik had de beschikking over een trits werkende en werkbare theorieën en modellen. Ik was weerbaar tegen de narratieve theorievorming. Want dat kenmerkt(e?) de psychologische wetenschap m.i. op niet mis te verstane wijze. Tot mijn verassing was er nog wat aan de hand: een gebrek aan een houtsnijdende gedragstheorie. En nog een kern van die wetenschap van menselijk gedrag en geest (waaronder ook beweging en spreken): het zonder enige ruggengraat (lees: gebaseerd op steekhoudend model of theorie) hanteren van de meest uiteenlopende wiskundige of natuurkundige of zelfs biologische analysemethoden, modellen en dergelijke.

Want dat was waar ik aan bloot gesteld werd: aan een discipline van denken en analyseren die nog steeds in de kinderschoenen staat. Of stond, misschien, want het is 20 jaren geleden dat ik promoveerde in de psychologie, en ik ben uit de wetenschap gestapt. Misschien is de psychologie een nieuwe weg ingeslagen. En misschien is de goegemeente in deze discipline ook minder bezig met zich groot voordoen. Want dat viel me wel op: de gevoeligheid voor kritiek en feedback, niet van buiten, maar van binnen. Ik was soms gewoon nieuwsgierig naar het waarom achter bepaalde methodes, theorieën, etc. En zulke vragen werden regelmatig gepareerd met een lichte vorm van angst. De angst niet serieus genomen te worden. Denk ik.

Maar het is een punt waar ik ook gaandeweg last van kreeg, waar ik mee besmet werd. Het moeten verdedigen van keuzes die vaak op intuïtie stoelden. Ik ben blij dat ik ook een linguïstische achtergrond heb, zodat ik me altijd weerbaar heb gevoeld en ook kon aangeven waar het goede van een ontwikkelingspsychologische gedachtegang in zat, al helemaal in het werk van mijn latere promotor, professor Paul van Geert. Hij formuleerde ideeën die praktisch waren, die een nieuw begrippenapparaat introduceerden, die tot theorievorming leidden en die ook goed waren voor de andere tak van de psychologie: therapeutische toepassingen.

Maar in het algemeen is het nog niet erg goed gesteld qua volwassenheid in deze tak van wetenschap. Ik denk dat het narratieve van de psychologie, het gebrek aan een theorie die niet op metaforen is gebouwd, en het lukraak grijpen naar tools uit de gereedschapskist van de exacte wetenschappen de ontwikkeling van deze discipline tot een wetenschap met ballen in de weg staat. Het is niet de reden dat ik de wetenschap verliet, maar het was zeker wel een van de redenen om niet te blijven.

De besmetting zit nog steeds achter mijn geestelijke oren, dus van dat alles is een residu overgebleven, maar mijn nieuwe richting in het leven, die van musiceren, acteren en schrijven, is een goed medicijn en wasmiddel tegelijk.

© Rick Ruhland 2018

Ontwikkeling: de 3 R’s en de 3 K’s

In Nederland worden al van oudsher in de opvoeding van de kinderen de 3 R’s gepropageerd. Wie kent ze niet? De R’s van Regelmaat, Rust en Reinheid. Niks mis mee.

Maar ze zijn niet altijd van doorslaggevende betekenis. Ze zijn niet altijd nuttig en levenoverstijgend. Voor menigeen, en als een start, zijn rust, reinheid en regelmaat wel een eerste en zinnige stap.

Maar ik heb gemerkt dat een kind meer kan als je een kind meer aanbiedt, op andere manier benadert. Ik noem het de tweede stap in de pedagogie. Die loopt dwars door de eerste stap heen en loopt met de drie R’s op. Die is wat ik ben gaan noemen de 3 “K’s”: Kennis, Kreativiteit en Kaos. De drie K’s zorgen voor een verbreding en verdieping van de geest. Dat niet alleen, het helpt op die momenten dat het leven even niet logisch is, of als je vast zit, ook als kind. Ik spreek uit ervaring.

De eerste K, Kennis, staat voor dingen weten (zoals hoe iets werkt, hoe iets eruit ziet, klinkt, ruikt, etc., en niet zozeer waarom iets is zoals het is, hoewel dat wel voorbij kan komen). Kennis is niet zaligmakend. Kennis is ook aan verandering onderhevig. Maar wat kinderen niet van nature weten is hoe iets werkt, wat iets is, wat de geschiedenis van iets of iemand is, wat de relatie tussen voorwerpen en / of mensen is. Daarom leg ik vaak uit. Dat kan bij mijn zoon vrij makkelijk: hij heeft diezelfde honger naar weten als ik. Daarnaast is kennis, althans in mijn geval, leuk. Steeds weer iets te weten komen is een vindtocht, alsof je zelf een ontdekkingsreiziger bent.

De tweede K is van Kreativiteit. Dat begrip staat voor je uiten, en ook voor het “zinloos” bezig zijn. Zinloos wil zoiets zeggen als: niet met een nuttig doel, niet met een cognitieve (bijvoorbeeld logische) inslag. Uiten kan op heel veel manieren. Dansen, muziek maken, tekenen, schilderen, kleien, legoën, maar ook een wandeling door het bos en dode takken oprapen om er mee te knutselen. Of over het strand struinen en aangespoeld spullen oprapen en daar mee knutselen. Knutselen kan ook heel goed met verpakkingsmateriaal (van eierdozen tot bubble wrap). Kortom, even niet nadenken, maar het spel van de creatie spelen.

Kaos staat voor de loslaten van gebaande paden, voor opschudden van wat is, voor het scheppen van wanorde en verwarring, met als doel (want dat zit er wel aan vast) vastgelopen patronen in jezelf, in anderen, in de maatschappij los te wrikken. En dan vooral die patronen die mensen niet verder helpen. Ook Kaos is geen einddoel maar een stap in het opgroeien (hoewel ik nog steeds Kaos gebruik: soms omdat mijn hersenen dat vanzelf doen, soms om een niet voor het oprapen liggende oplossing te vinden voor een probleem). Deze stap is niet de makkelijkste van de drie K’s, en het vereist van de ouders begeleiding. Iets wat bij veel ouders te vaak afwezig is.

Ontwikkelingspsychologen en pedagogen, de drie R’s zijn best oké. Maar de mens, het kind kan meer. Voeg de K’s toe aan de R’s. Noem het een paradigmaverschuiving. Noem het onzin. Maar met de 3 R’s alleen redden we kinderen niet meer. Daarvoor is de wereld te groot, te snel, te complex geworden.

© Rick Ruhland 2015

Tablets, phablets, phones en kids

Als vader heb ik een opvoedopdracht. Die opdracht is voor mij: een set van waarden en vaardigheden meegeven aan mijn zoon. Die set bevat onder andere ook kennis en zelfvertrouwen. Daarnaast wil ik ook dat mijn kind zijn mogelijkheden gebruikt (wat die ook zijn).

Wat gaat helpen bij zijn leven, denk ik, is dat hij de wereld kent. Het helpt mij in ieder geval te overleven, om het maar eens zwaar aan te zetten. Overleven is meer dan kunnen eten, slapen, urineren en poepen. Overleven is ook iets dat met het kennen en kunnen gebruiken van apparaten (los nog van het kennen van wetenschap, kunst, muziek, literatuur, etc.).

Wat ik goed besef is dat kinderen van de basisschool nu veel meer apparaten hebben dan toen ik op de lagere school zat. Toen was het tv, radio en het gasfornuis. Misschien dat mijn moeder nog een Carmen krulset en een haardroger had. Maar dat was het dan wel.

Nu: computers, tablets, smartphones, zingende magnetrons, muziek makende wasmachines, nu ook al met de telefoon aan te sturen licht en verwarming, auto’s en horloges met computers. Ik ben opgegroeid met die toenemende hoeveelheid computers, die geleidelijk in mijn leven kwamen. Ik ken dus ook de ontwikkeling van die apparaten. Eerst een commodore 64 (met cassettebandje en eigen programmeerregels), toen een dos-machine (met WordPerfect 4,2), toen computers met windows (in 1992 zat ik op internet; dat had mijn universiteit toen al, met een snelle verbinding; thuis belde ik nog in…), toen breedband en internet, etc etc.

Kinderen van nu krijgen die apparaten en de mogelijkheden die internet in de schoot geworpen. Ik zie aan mijn zoon dat hij er vanaf jonge leeftijd al mee om kan gaan. We hebben hier al van voor zijn geboorte tablets en smartphones met touchscreens. Sinds hij de fijne vingermotoriek een beetje onder de knie heeft, speelt hij met die ‘touchscreens’. Ja, dat mag van ons, en graag zelfs. Leren omgaan met computers en dergelijke is goed; computers zijn een belangrijk onderdeel van heden en toekomst.

Wat nou buitengewoon eigenaardig is, is dat een groep ouders en zogenaamde pedagogen angsten ontwikkelt. Bij zichzelf. Die angsten hebben te maken met het idee dat het kind niet meer zonder die touchscreenapparaten kan. Niet verwonderlijk; ouders die aan tafel, op vakantie, in de auto zo’n scherm toestaan. En zelf ook om de haverklap op een schermpje kijken. Onrust, geen aandacht , etc. Dat gedrag van een ouder kopieert een kind maar al te makkelijk.

Ik ken die angst niet. Ik ben ook niet constant online. Wij lezen een boek hier in huis. Spelen met Lego (ja, ik ook). Ik zie vaak dat mijn zoon een half tot een uur op de iPad kijkt (spelletjes als Osmo, Gesundheit, Toca Boca, Windosill of filmpjes van Chuggington, Fireman Sam, of een film van studio Ghibli), en dat hij dan wil spelen. Met Lego, buiten, met de trein. Of dat hij creatief wil zijn: tekenen, knutselen, zingen. Of dat we samen iets doen: een boek lezen of gewoon kletsen over hoe school was.

En als dan toch met de iPad spelen, dan kort. Vaak doet de iPad hier een huis dienst als fantastisch naslawerk. Om een voorbeeld van een dier, plant, voorwerp etc. erbij te zoeken. Om iets uit te leggen, dus als verlengstuk van mijn kennis. Om filmpjes of foto’s erbij te pakken. Dus als ik wat vertel, dan gebruik ik een computer (tablet, smartphone) om een relatie met werkelijkheid (of het ontbreken van die relatie) te leggen.

Nog een fout die ik vaak gemaakt zie worden: geen beperkingen op het gebruik opleggen. Zo hadden we een tijdje een racespel op de iPad, dat mijn zoon graag speelde. Van dat spel werd hij helemaal hyper. Dat spel ging er linea recta weer vanaf. Waarmee ik maar wil zeggen: je hebt als ouder je verantwoordelijkheid te nemen, en dus van tijd tot tijd in te grijpen in de opvoeding van je kind (iets wat ik te veel ouders te vaak niet zie doen, overigens, maar dit geheel terzijde en toch on topic.). Ook als het gaat om computers. Een kind dat constant voor de tv zit, achter een computer of alles mag eten wat het maar wil (om maar eens drie voorbeelden te geven) wordt geen prettig, zelfstandig, nadenkend, genietend mens.

Want is dat niet de kern van opvoeden? Aangeven waar de grenzen liggen. Dus niet: een barbie met een webcam in de ogen die constant met blue tooth en internet contact leggen. Niet alleen omdat mijn zoon niet veel met knuffels heeft, maar omdat nut en noodzaak en vermaak hier zoek zijn. Een touchscreen apparaat mag best speelgoed zijn. Een puzzel doen, een spelletjes spelen, een filmpje kijken. Maar kijk mee. Leg uit, leg contact. Verbied of beperk (als verbieden niet in je woordenboek voorkomt) wat tegen je eigen maatstaf ingaat.

Te vaak leggen ouders de verantwoordelijkheid niet bij zichzelf. Dan is het touchscreen degene die zaken moet oplossen, die tijd moet nemen voor het kind. Het is die gemakzucht, vermengd met een zekere digivrees of onbekendheid, die maakt dat kinderen, nee, juist de ouders met de tablet en smartphone worstelen. Terwijl dat nergens goed of nodig voor is.

© Rick Ruhland 2015

Een half stiekje

Kindertaal, toch gerust wel een specialiteit van mij te noemen (blowing my own horn: in mijn wetenschappelijke studies lag de nadruk op onderzoek naar de vroege taalontwikkeling, verwerving van taal in de leeftijd tot 4 jaar) kan steeds op mijn aandacht rekenen. Nu ik zelf een zoon heb, kan ik de dagelijkse praktijk van de verwerving van een taal in actie zien.

Syntaxis, grammatica, de woordenschat, het aanleren van klanken ofwel fonologische acquisitie, de semantische relaties tussen woorden en woordgroepen, allemaal gaat het goed of toch minstens ruim voldoende. Maar waar het nog regelmatig misgaat, en waar mijn plezier in luisteren naar mijn kind een groot goed is, het gaat nog niet zo goed met de verbuigingen en vervoegingen. Sommige horen gewoon bij de ontwikkeling. Verkeerd vervoegen van een werkwoord, nog niet het ‘juiste’ lidwoord.

Al een tijd speelt mijn kroost met woorden, waarbij de betekenis van een voorwerp duidelijk is, maar het feitelijke woord dat erbij hoort nog niet echt is binnengedrongen. Een van zijn mooiste constructies is stofschuiver (misschien was ik meer aan het schuiven dan aan het zuigen). Dagelijks komen daar verhaspleingen bij. De laatste tijd is hij erg veel aan het knutselen. En daar gebruikt hij dan, zoals hij het noemt, ‘helestiekjes’ bij. Ik vraag hem vaak of hij ook halvestiekjes heeft. Meewarig is dan meestal zijn blik.

Kok-horen-luiden-maar-waar-is-de-lepel-verhaal.

© Rick Ruhland 2014