Proefschrift van de week

Titel: Het schoonmaken van het riool: de sociologie van zelfdenkende borstels. Auteur: Simon Vroman.

Samenvatting: Stromingsleer is de wetenschap die de beweging van gassen en vloeistoffen onder de loep neemt. Eigenlijk is stromingsleer op alles toe te passen waarin kleine onderdelen samen een stroom maken. Denk aan files van auto’s, gletsjers en meer. De onderzoeker van het onderzoek, Vroman, is van huis uit gespecialiseerd in de hydrodynamica van halfopensystemen. In zijn zoektocht naar praktische toepassingen is Vroman echter een geheel andere kant opgegaan. Uitgaande van de kennis van de hydrodynamica heeft hij zich afgevraagd hoe storingen in stromingen in een riool kunnen worden aangepakt. Hij stelt die vraag  in een tijd dat in London ‘monstervetbergen’ het riool verstoppen (zie onderstaande afbeelding).

London vetberg riool

Vromans idee is dat borstels met vetoplossende substanties zich een weg vreten door het vet. Het lijkt ver weg op hoe de witte bloedlichaampjes lichaamsvreemde stoffen opeten. Het bijzondere aan Vromans verhaal is dat de borstels zelf nadenken en met elkaar samenwerken. Hoe ze dat doen, wordt in de studie uit de doeken gedaan.

Eindoordeel: het blijft allemaal een beetje aan de oppervlakte. Het lijkt er op dat Vroman het liefst zou willen schrijven over hoe borstels op een bepaald moment nadenken over hun eigen bestaan en of ze wel in staat om goed te werken in een omgeving die vol afval zit. Wetenschappelijk is het verhaal niet goed dichtgetimmerd.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn III

De Fulmar Inn, kortweg de FI (zie voor meer verhalen over de FI hier en hier), staat aan een rivier. De kroeg heeft niet altijd de ingang aan de rivierkant gehad. Vroeger stond aan die kant van de kroeg de stadsmuur, met alleen een kleine opening voor het afval en rioolwater, een venster waardoor goederen naar binnen konden worden getild, en een halve deur in de stadsmuur om water te scheppen voor brouwen van bier. De FI was vroeger namelijk een bierbrouwerij (waarover een andere keer meer).

Bij het slopen van de wallen en de muren halverwege de 19e eeuw, sloopte men min of meer per ongeluk ook de buitenmuur van de Fulmar Inn, en keek men vanuit de kroeg, toen een louche bordeelachtige herberg, zo over de rivier. Men besloot destijds, in 1844, een weg om het centrum te leggen, op de plek van de voormalige stadsmuur, en daarmee kwam ook de mogelijkheid om een poort en een voordeur aan die kant van het huis te plaatsen. Eerst als laadplek, later ook als de ingang van de kroeg.

De entree van de kroeg was vroeger aan de stadkant, maar is dus al ruim 150 jaar aan de rivierkant. De entree is dus dezelfde in de zin van de plek, maar niet in de zin van de vorm van de ingang. In 1848 werd een poort gebouwd, daar waar vroeger de goederen vanaf een schip op de rivier naar binnen werden getild. Die poort uit 1848 is reeds lange tijd weg, en daar op de eerste verdieping zitten nu ramen. De voordeur nu zit een verdieping lager, op het huidige straatniveau. De ruimte achter de voordeur is een overloop die deels naar de keuken leidt en die zich onder de feitelijke kroeg bevindt. Van de overloop loopt een donkerbruine trap naar de eigenlijke kroeg. Op de overloop staat weinig meer dan twee koelkasten en een vriezer, een fornuis en wat handige apparaten zoals een magnetron, waarvan iedereen in de groep stamgasten zich afvraagt of die vaker dan eens per maand wordt gebruikt. Gekookt wordt er nauwelijks, behalve dat de bitterballen (en sinds kort vlammetjes en miniloempia’s, niet geheel volgens Koos’ idee: die houdt het liever bij wat belegen kaas en ossenworst, met misschien nog een gekookt ei erbij) daar worden gebakken in een enorme frituurpan. Bijzonder is de steen net voor de trap naar de kroeg boven. Daarin staan drie afdrukken van hondenpoten. Lange tijd heeft een bord naast de trap gehangen met de tekst:

Zie, de duivel heeft voor de trap gestaan, maar dorst niet naar boven.

De uitbater van de kroeg, Koos, wil nog wel eens samen met twee van de oudste stamgasten onbekenden wijsmaken dat die tegel, net zo donkerrood en glad als email als alle tegels in de kroeg, niet betreden mag worden. Het was voor de koster van de Grote kerk, die recht achter de FI staat, de reden om niet meer binnen te komen. Koos had speciaal voor de koster een bord gemaakt om erop te wijzen dat op de tegel stappen ongeluk zou brengen. De koster was zo bijgelovig als eenreligieuze hommel, en het bord en de tegel maakten grote indruk. De koster kwam ook niet meer toen het bord naar de kelder was verdwenen. Koos is wel blij dat de koster wegblijft. De man kon zuipen als een tempelier, maar betaalde nauwelijks en als wel, dan uit de collectezakjes. Ziek werd Koos van diens reactie, als iedereen daar commentaar op leverde: “Wat kost er nou niets in de wereld? Precies!”.

Niet lang geleden was stamgast Gerrit zo zat dat hij een lange monoloog hield over de dronken koster. Gerrit kende de koster nog van de lagere school in de jaren 60. Ze waren een jaar lang vriendjes geweest, maar dat veranderde toen de koster, Serge Moddertra, een zak knikkers van Gerrit had gestolen en iemand anders in de klas de schuld gaf. Dat verhaal komt vaak terug in de kroeg.

Koos, die eerst alleen met Gerrit in de kroeg zat, de kroeg was net open, liet Gerrit raaskallen, maar toen er vreemden binnenkwamen, riep hij Gerrit tot de orde.

‘Niet meer, Gerrit. Geen geloof en geen politiek.’

Gerrit zweeg, maar dat duurde zolang tot er geen stamgasten in de kroeg waren. Toen de vreemden weg waren, en Peter binnen was gekomen, begon Gerrit weer. Hij moest zijn ei kwijt.

Pas tegen de tijd dat de meeste stamgasten er waren, ging het gesprek over biljarten of over muziek. Gerrit probeerde het vaak nog een keer, en begon dan over hoe de koster biljarten okee vond, maar de jukebox niet. De jukebox is ‘De hand van de duivel’ volgens de Koster, zei Gerrit. Maar de meesten waren zijn ‘kosterlijke’ verhalen, zoals Gerrit het smalend noemde, al lang zat.

Die monoloog van Gerrit over de koster werd dan steevast afgekapt door Sjoerd, meestal Chef genoemd, als die zei:

‘Ik druk meestal met de duim van mijn linker hand.’

Een week nadat de man van de gemeente was langsgekomen in de FI – vanwege de aanstaande rioleringswerkzaamheden – was het doorgedrongen bij de stamgasten dat de weg aan de achterkant van de kroeg zou worden opengebroken. Ook de rioolbuizen de kroeg in werden vervangen. Dat betekende dat de weg aan de achterkant van de kroeg, waar vroeger de ingang was en waar nu nog een kleine deur zat waardoor Koos soms even naar buiten liep om wat boodschappen te doen, sinds eeuwen weer open zou gaan.

‘Koos, als ze het nieuwe riool gaan aanleggen, ga je dan eindelijk ook eens kijken wat er zoal bovenkomt, bij de achteringang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hannes wil weten wat er onder de grond zit.’

Maartje had het goed gezien. Ondanks dat ze sprak met een zachte G, wist ze veel van de binnenstad en daarom nam iedere stamgast haar serieus. En ze kon drinken als een tempelier, daar scoorde ze ook punten mee.

‘En ik denk ook aan wat Peter zei paar weken geleden. Over die muren tussen de bogen wegbreken. Peter zei dat dat vragen om problemen was. Is Peter hier al weer geweest, Koos?’

Koos schudde het hoofd.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelde. Ik weet wel dat die bogen er zitten sinds 1789, sinds de grote brand.’

‘Maar wil je niet weten wat er achter de muren onder de bogen zit? Ik wel.’

Koos liep zonder een woord te zeggen de trap af naar de keuken.

‘Wat is er loos met Koos?’

Berend was opgestaan en wilde achter Koos aan gaan, maar Gerrit hield hem tegen.

‘Berend, laat Koos.’

‘Maar waarom?’

Gerrit ging rechter op zijn barkruk zitten, haalde diep adem en sprak:

‘Toen de tweede wereldoorlog bijna was afgelopen en de Duitsers de stad uit werden gejaagd, in 1944, wilde de moeder van Koos’ vader, Koos’ oma dus, nog wat meel uit de voorraadschuur halen, die achter de bogen lag. Feestpannekoeken bakken, sprak ze met kordate stem. Nadat ze de meel uit de voorraad had gehaald, klom ze vlug naar boven. Op dat moment sloeg een granaat in, en die rukte de hand met het pak meel van de arm van oma. Oma heeft het overleefd, maar de hand ligt nog steeds in de kelder. Opa besloot de de vloer boven de voorraadkelder te repareren en de bogen stevig dicht te metselen en alle resterende voedingsmiddelen (niet veel meer, door de hongerwinter was de voorraad zo goed als op) te offeren aan de goden.’

Alle stamgasten zwegen respectvol. Niemand kende dat verhaal. Sinds die dag kende iedereen dat verhaal, en elke stamgast geloofde het: ‘Tot op de dag van vandaag houdt de hand van oma dat pak meel nog vast’.

© Rick Ruhland 2018

De Fulmar Inn II

Ik schreef eerder al over de Fulmar Inn, of de FI zoals de stamgasten de kroeg koosnamend betitelen. Om iets meer van de kroeg en zijn ambiance te begrijpen, moet je eigenlijk een keer langs gaan. Dan snap je ook meteen iets meer van de kroeg qua bouw en architectuur. De vloer in de kelder van de kroeg stamt uit minstens de 16e eeuw. Er gaan geruchten dat een van de eerste eigenaars zelfs een oude monnik was die uit het klooster was getreden en liever houten pullen warm bier verkocht dan godsdienstige praatjes. Een soort Broeder Tuck van de Lage Landen. De stenen vloer is door die monnik eigenhandig gelegd. Ook de romaans aandoende bogen van de kelder schijnen van zijn hand te zijn. Die bogen behoren tot de muren die diep onder de grond zitten, zoals de hele kelder onder rivierniveau ligt. Die keldermuren van de Fulmar Inn hebben in het verleden altijd als doel gehad het water van de rivier buiten te houden. Immers, de rivier stroomt op nog geen 30 meter van de kroeg. Nog niet zo lang geleden, vlak na de oorlog, kwam de opa van Koos en destijds de uitbater van de FI, op het lumineuze idee om te achterhalen wat er nu achter het stukwerk onder de bogen zat. Dat had hij beter niet kunnen doen: na een halve dag bikken in de muur kwam vanachter een laag stuc en iets dat leek op beton kleiige modder tergend langzaam door het gat naar buiten. “Potverdorie, wat een lucht!” riep Koos’ opa, toen hij met zijn neus boven de grijsgroene klei hing. Een van de stamgasten van toen kwam kijken, kotste een keer door de stank, en sprintte weer naar boven.

Inmiddels is in het kader van de naoorlogse wederopbouw een stevige wand geplaatst in de kademuur. Die wand van staal en beton houdt nu het rivierwater buiten de stad en dus ook buiten de kroeg. De stinkende klei is grotendeels ingedroogd en ingeklonken. Koos’ opa heeft de opengebikte muur diezelfde week nog weer dicht gemetseld, maar het bleef onduidelijk hoe oud die muren tussen de bogen nu eigenlijk zijn. Het gerucht gaat dat er achter een van die bogen een geheime gang naar de kerk aan het Grote Kerkplein. Koos heeft al eens gezegd dat hij dat graag nog eens uitzoekt. Of laat uitzoeken.

De eerste vloer, dus boven de kelder, is minder oud. Het is de vloer waar nu de voordeur zit en waar mensen sinds halverwege de 17e eeuw binnenkomen. Aan de onderkant, dus aan het plafond van de kelder, zitten eiken balken van bijna een voet doorsnee. Twee van die balken hebben zwarte vlekken: overblijfselen van een brand en van een explosie. Ondanks vele overstromingen (de laatste nog geen 20 jaar geleden), als de rivier hoog stond, zijn de herinneringen niet weggewassen. Ik vertel dit alles omdat aan de kroeg een fenomenale geschiedenis kleeft. Er kleven verhalen uit bijna vijf eeuwen aan die balken. En omdat de kroeg nog zo hedendaags is als maar zijn kan. En dat die twee dingen, toen en nu, zo feilloos naast elkaar bestaan, en nog beter, zo naadloos in elkaars armen vallen. Niet dat de een de ander bepaalt, maar een van de twee kan niet zonder de ander. Dat maakt de kroeg nou juist zo af. Ik weet niet of Koos ooit uitgezocht heeft hoe de kroeggeschiedenis in elkaar steekt, qua details. De grote lijn is al beschreven in een boek dat een collega van een van de stamgasten, Maartje van Egters en journaliste bij de plaatselijke courant, heeft geschreven, in een boek met de titel ‘De geschiedenis van de kroegen in onze stad. Met een meer gedetailleerd verhaal is Hannes, een van de jongere stamgasten, al bezig.

Niet lang geleden zaten aan het eind van de middag, halverwege de week, Gerrit Brasem en Koos de barman voor zich uit te staren toen de bel van de voordeur rinkelde. Koos en Gerrit keken over de trap naar beneden en zagen een man in een gekreukeld pak steunend de treden bestijgen. Hij nam plaats aan de bar en vroeg om een glas kraanwater.

‘Meneer Hondius, neem ik aan?’ terwijl hij het glas water van Koos aan.

‘Klopt. Wat kan ik verder voor u doen? Glaasje jajem?’

‘Nee, ik drink niet in werktijd.’

Hij legde een fancy uitziende klapper op de toog en tikte een keer op het plastic voorblad.

‘Ik heb hier wat voor u. We gaan over 3 weken een nieuw riool aanleggen.’

Gerrit was met zijn hand, het glas tussen duim en wijsvinger houdend, halverwege toog en mond en bleef zo zitten, als een standbeeld.

‘Dat betekent we de straat achter uw horeca-gelegenheid opengooien en dat we een week of 2 bezig zijn met nieuwe buizen leggen. Dat kan enige overlast geven, en u zult op bepaalde dagen geen gebruik kunnen maken van de douche en het toilet.’

Koos had wel eens verteld van zijn opa en de opengebikte muur en de stank. Gerrit bewoog langzaam zijn hand met glaasje richting mond en keek Koos strak aan.

‘Mocht u nog vragen hebben, hier is het visitekaartje van de dienst Infrastructuur.’

Hij legde de kaart op de tapkast en verliet fluitend het pand. Koos en Gerrit keken elkaar bedonderd aan. Het duurde tot de volgende stamgasten binnen waren. Koos had het pas in de gaten toen twee handen voor zijn gezicht wapperden.

‘Wat zitten jullie hier gezellig. Koos, biertje graag.’

Hannes, meestal Bassie genoemd vanwege zijn broer Adriaan, ging op zijn vaste plek aan de hoefijzervormige bar zitten en in zijn kielzog kwam Jonneke van Bil de trap op.

‘Heren, een goede mid… Hallo, is er iemand gestorven? Sjeumineu, wat een slecht karma hangt hier in de kroeg.’

Koos zei niets en wees op de map die voor hem lag. Hannes en Jonneke liepen om de hoefijzervormige bar heen en bogen zich over de map.

‘Nieuw riool? Hebben we dan zo hard gescheten hier?’

Hannes lachte om zijn eigen grap. Koos ontdooide.

‘Zou me niets verbazen als ze onder straatniveau nog iets van de brouwerij terug zien. Of dat andere shit boven water komt, Koos. ‘

‘Je weet het nooit met dat nieuwe riool. Ik heb jullie toch dat boek over kroegen in de 17e eeuw laten zien?’

Koos stond al op om het boek, zo goed als het enige in de kroeg, te pakken van de plank met brandewijn en jenevers, toen de aanwezigen als in één koor riepen dat ze het boek al genoeg gezien hadden. Hij zakte weer neer op zijn kruk met rugleuning aan het uiteinde van de hoefijzerbar.

‘Volgens mij is de eerste keer dat de straat hier achter open lag rond de start van de brouwerij en de bouw van de eerste FI.’

Hannes kon het weten, die had meermaals in het gemeentearchief gezocht naar de oorsprong van gebouwen in het centrum van de stad. Geen intellectueel was hij, maar slim wel en met een gedegen feitenkennis van de lokale geschiedenis.

En terwijl Hannes en Jonneke het mapje van de gemeente doornamen, schonk Koos nog een keer de glazen vol.

© Rick Ruhland 2015