Big talk, small talk

Bij de bushalte staan twee vrouwen.

‘Weet u wat ik mij afvraag? Of een workshop squirten en g-spot-orgasme mij gelukkig zou maken.’

De tweede vrouw kijkt naar de hemel.

‘Ik denk dat het later vandaag nog gaat regenen.’

De bus kon geen seconde vroeger komen.

© Rick Ruhland 2020

De Fulmar Inn: Peter is terug (1)

Koos had vaak de vraag gekregen van de huidige stamgasten of er mensen waren die niet meer als stamgasten in de kroeg kwamen. Sommige konden simpelweg niet meer komen, die waren dood. Een daarvan was Raaf. Soort van spottend zei Koos, als een kraai of roek op de stoep voor de Fulmar Inn rondhuppelde, dat het niet onwaarschijnlijk was dat dat Raaf was. Van hen die nog wel leefden, had Rooie Rita haar leven gebeterd. ‘De drank is op’, zo had ze iedereen gezegd toen ze krap tien jaar eerder de kroeg vaarwel zei en een burgerlijk leven met Rinus begon. Ze kwam de oudere stamgasten wel tegen op straat, en groette dan hartelijk, maar een gesprek ging ze niet meer aan en in de kroeg kwam ze niet meer. Rita, zo zei Koos meer dan eens, had mooie verhalen van voorbije tijden. Daar had bijna iedere stamgast een zwak voor. Alleen Jonneke kon het weinig schelen.

De verhalen van ex-stamgasten kwamen elk jaar terug. Zeker als een verjaardag van de kroeg aanstaande was. Verjaardag wil zeggen: de herbouw van de kroeg na de oorlog met de Fransen begin 19e eeuw. Die viel dit jaar in een weekend. Koos was al een tijd in de kroeg bezig met het klaarzetten van drank. Hij maakte er een speciale dag van. Elk decennium werd gevierd dat de kroeg werd heropend nadat de Fransen er hadden huisgehouden 200 jaar eerder. Alles was kort en klein geslagen. Toen de Fransen definitief weg waren, werd de kroeg (behalve de kelder en een deel van de eerste halfverdieping, die waren gespaard gebleven) weer opgebouwd. Dat opbouwen duurde een paar jaar, maar toen de kroeg in oude staat en luister was hersteld, werd dat gevierd met toespraken en drank. Omdat de kroeg destijds tien jaar dicht was geweest, werd bij de opening vastgelegd dat elke tien jaar een avond besteed werd aan het belang van de kroeg en de plek van de Fulmar Inn in de samenleving. En hoe ze de Franse overheersing had overleefd.

Meer en meer werd dat tienjaarlijkse moment van herinnering een moment van introspectie. De laatste keer werden gemoederen enig emotioneel, zeker omdat de herinnering aan oud-stamgasten als Raaf centraal stond. Terwijl Koos de laatste viering van de heropende ‘kroeg na de Franse slag’ overdacht en besefte hoe lang hij nu al de baas van de Fulmar Inn was, hoorde hij een gerucht. Een ademhaling.

Hij draaide zich om en keek in het gezicht van een rimpelig gezocht. Gebronst, ontspannen, wijs.

Peter Lakenvouwer.

Uit het niets stond een van de oudste stamgasten in de kroeg. Koos had de voordeurbel niet gehoord.

Peter zei niets maar knikte minutenlang. Als een hondje op de hoedenplank. De kroeg was leeg, het zou nog een half uur duren voor de eerste dorstige de deur zou openen.

‘Peter.’

Het was even stil, toen vielen ze elkaar in de armen.

‘Koos.’

Langer dan strikt genomen sociaal aanvaardbaar hield Peter zijn armen om Koos middel heen.

Toen Koos een keer diep inademde en Peter in zijn zij kietelde, liet Peter eindelijk los.

‘Waar ben je nou geweest? Waar kom je vandaan?’

‘En waar ga ik heen?’

Peter ging op een kruk zitten. Hij keek de kroeg rond.

‘Niet veel veranderd hier. Wat nieuwe drankjes zie ik, maar de oude klok hangt er nog, het biljart heeft waarschijnlijk een nieuw laken.’

Koos wist niet wat hij moest zeggen.

‘Ik weet niet goed wat ik moet zeggen.’

Peter ging aan de bar zitten.

‘Laat ik iets zeggen.’

Hij haalde diep adem.

‘Ik ben ooit vertrokken omdat ik ongelukkig werd van mijn leven. Wat anderen ook denken van mijn vertrek, het klopt niet wat ze denken. Ik ben gegaan om ruimte te krijgen. Deze stad is nou niet bepaald open te noemen. Misschien een open riool, maar niet niet een plek waar ik mij nog thuis voelde. Ik ben op een vroege ochtend vertrokken om ver te reizen. Ik droomde van Japan, ik droomde van de Inca’s, ik droomde van de Great Rift Valley. Ik ging wandelen met niet meer dan een kleine rugzak. Uiteindelijk ben ik niet verder gekomen dan een paar dorpen verderop. Ik zeg niet welk dorp, maar het was alsof ik thuis kwam.’

Peter smakte. Koos schonk hem een glas water in. Peter mocht geen alcohol meer. Dat was al zo voor hij vertrokken was.

‘En wat deed je daar? Seksboerderij gerund, waren de geruchten.’

Peter proestte het uit.

‘Wat je zegt: geruchten. Het bleek iets anders. Op een boerderij werkte ik als knecht en een deel van de oude stallen was ingericht als een boeddhistische retraite.’

Hij haalde die adem.

‘Maar er bleek wel een maar.’

‘Wat?’

‘We kregen veel politici, sporters en sporttrainers over de vloer. En gekker nog, kerkleiders zochten daar hun heil. Tot hun teleurstelling vonden dat niet.’

Na die zin was Peter niet stil. Nee. Hij pruttelde. Onnederlandse klanken kwamen uit zijn mond. Hij confabuleerde. Zijn ogen stonden ronduit ernstig. Schijnbaar naar binnen gekeerd, maar ondertussen met een ernstige zwartheid. Na een kwartier keerde hij terug naar het land van de begrijpelijke taal.

‘Vind je het niet gek dat er zo mensen binnen komen die jou nog van vroeger kennen?’

Peter schudde zijn hoofd.

‘Nee. Het zou er toch een keer van komen.’

‘Maar ze zullen vragen stellen.’

Peter knikte.

‘Ik wil het niet over mijn afwezigheid wil hebben, maar dat zal toch gebeuren. En nog een ding: ik heb op dit moment geen geld. Dus ik wil hier zijn, maar ik wil alleen water uit de kraan. Als dat goed is, wat jou betreft.’

Koos tuitte zijn lippen.

‘Daar moet ik over nadenken.’

Voor hij er over nagedacht had, klonk de bel van de voordeur…

© Rick Ruhland 2020

Big talk, Small talk

Hij: ‘Wat moet ik nou doen nu mijn vrouw mij heeft verlaten, en met mijn beste vriend er vandoor is gegaan? Ik ben zo teleurgesteld. Snap jij het? We zijn al zo lang vrienden, Marie, zeg me alsjeblieft wat ik moet doen.’

Hij huilt de ballen uit zijn broek.

Zij: ‘Er zijn best veel mooie herfstkleuren die blij maken.’

Ze huppelt weg.

© Rick Ruhland 2020

Nieuwe producten: PCS

‘Ik heb een computer met een PCS.’
‘Met een wat??’
‘PCS.’
‘En dat is?’
‘Een Pixel Corrector Scherm. Schunnige en schandelijke woorden worden omgezet in brave woorden. Een soort autocorrect maar dan niet voor spelling, en wel voor synoniemen en bewimpelingen. Een photoshop voor taal.’
‘Handig voor de kleinzieligen en de kleinzerigen onder ons.’

© Rick Ruhland 2020

Een doorwaadbare plaats: 1. Stront

In de doorwaadbare plaats was de lente zelden een enkel en alleen fris ruikende tijd. Tussen de zoete regen van een voorjaarsochtend en de zonnige zoutheid van een warmere middag streek niet zelden een wind over de daken die weinig aan verbeelding overliet. De bloemen van het voorjaar gingen gebogen onder de mestgeur die van de weilanden waaide. Bij een mooie dag, als de wind uit het oosten waaide, en als de boeren een onweersbui verwachten, reden de mestkarren uit en besproeiden het land met koeienstront.

En toch, die geur van koeienstront heeft iets teders. Iets verfrissends, hoe gek het ook klinkt. Wat dat is? Vooral de temporele en olfactorische samenhang met de lente heeft ermee te maken. Maar dat is niet het enige. Ik denk dat er een goede verklaring te vinden in de ervaringen die een mens maken tot wie hij is, en daar zit ook een psycho-analytisch element in.

De herinneringen van menig voorjaar met poep als belangrijke geur is een gegeven. Wat daar bij komt: ik keek halsreikend uit naar de lente. Ik was en ben niet echt een wintermens. Als er ijs was, of sneeuw dan kon ik me er mee vermaken, maar de winter mocht voor mij ook niet voorbij komen. Of sneller dan redelijk en normaal was, dat mocht ook: twee of drie dagen winter was voor mij wel genoeg. Dus zodra de lente kwam, ging de stemming meestal rap door naar extase. In ieder geval naar een hoogtepunt, en daar hoorde dus steevast de geur van mest bij. Pavloviaans: koppeling van strontgeur en voorjaar.

Maar is dat het enige? Ik weet zeker van niet. Als kind, baby, kun je heerlijk alles loslaten. De luier vangt alles op. Voor een baby, voor zover die al in de gaten heeft, op een meta-niveau dat er iets is om de gaten te houden, is poepen een gevolg van eten. Hier erin, daar eruit. Als een baby iets goed kan, dan is het stront produceren.

Die eerste jaren, met de luier nog om, moeten volgens mijn ouders meer dan voortreffelijk verlopen zijn. Ik at goed, ik poepte goed. Alles ging conform de wensen van kersverse ouders. Toen ik de luiers uit kwam, moest ik zelf poepen op de plee. Ook dat leerde ik snel en goed. Ik heb in ieder geval geen andere berichten uit mijn jeugd ontvangen. Geen stront aan de knikker.

En wat nu geldt, gold destijds ook: poepen was behalve nodig in grote mate bevrijdend. Die druk op de darmen en de anus die met een paar duwen weg is: voortreffelijk. Als je in evolutie gelooft, en dat mag wat mij betreft, dan heeft de ontwikkeling van de soort mens ergens baat gehad bij het geluksgevoel van de stoelgang zoals wij die kennen. Mocht God toch bestaan, en er voor zorgde om voortplanting en ontlasting zo dicht bij elkaar te plaatsen, dan kan het niet anders zijn dat hij het genot van seks en het genot van poepen bewust zo naast elkaar geplaatst heeft. Dat Hij (Hij is ook een Zij, soms) het midden van het mensen lichaam als middelpunt zag waar het plezier en de heerlijkheid van het genot om draaide. Terzijde, ik zag recentelijk een schilderij van een naakte vrouw en op haar buik, tussen navel en borsten, was een baby in de baarmoeder getekend; de plek van de tekening was zo dat de schaamlippen op de plek van de sulcus zaten, dus precies tussen de borsten in. Als er echt een god was geweest, dan had z/hij dat in de praktijk gebracht zodat je bij de seks van tepel via clitoris naar de andere tepel kon en in een kleine ruk van pijpen naar neuken.

Waar was ik ook al weer? Oh ja, ik heb dus als kind geen nare poep-ervaringen gehad. Ik kan het me niet herinneren, maar goed, een baby herinnert zich niet de tijd dat hij in de luiers was. Ik heb er geen trauma van opgelopen, dat in ieder geval niet. Qua gevoel ben ik heel vertrouwd met mezelf en erg op mezelf als ik poepen moet.

Ik denk nog minstens één reden is, los van een onbezorgde poepjeugd, dat poep bij mij een soort van aangenaam gevoel. De geur (niet de smaak of de textuur) gaat samen met een moment van mij als 11-jarige. Ik had vlak voor mijn tienerjaren al een interesse voor meisjes gekregen. Eerst nog kijken, en mijn sprankelende ogen schijnen een goede interesse van meisjes te kunnen opwekken, maar toen 10, 11 werd, wilde ik weten wat dat zoenen nou was. Niet de zoenen van een tante op een verjaardagsfeest, maar dat geworstel van tongen en lippen waarbij speeksel van de een naar de ander ging. Welnu, de eerste zoen van mij was niet braaf op een bankje op haar kamer of in het fietsenrek naast school. Nee, ergens in de late winter van mijn 11e jaar stond ik tussen een paar bomen niet ver van mijn huis. Iets verderop stond een vriendje met een meisje, ik stond er met de zus van dat meisje. In de 10 minuten (langer was het volgens mij niet) heb ik gezoend met dat meisje wier naam ik vergeten ben. Houterige tong, gespannen lippen. Ik vond het opwindend, maar niet perse lekker. Naast haar en mij lag een enorme hoop. Stront van een grote hond. Die geur, en heel af en toe kom ik hem tegen want het was een specifieke strontgeur, was gekoppeld aan mijn eerste zoen. Is het dus vreemd dat ik zoenen en poep als combinatie in mijn hoofd heb sinds die minuten in het parkje met de stront naast ons?

Die strontgeur was trouwens niet van de lekkerste soort. Het had iets penetrants, iets ongezonds.

Daar staat tegenover dat veel mensenpoep aangenaam is. Die heeft nooit iets banaals, iets smerigs. Ook nooit gehad. Als ik een tijd me niet gewassen heb, ruik ik maar wat graag die zoete anusgeur. Ik weet nog wanneer de eerste keer was dat ik die geur van een ander mocht ruiken en de smaak wilde proeven. Dat was in een van die bosjes in de omgeving van de flats; naoorlogse bouw waar ik de eerste 10 jaar van mijn leven heb gewoond. Snelweg, vijvers, wandelstroken, plukjes bomen met struiken, veel gras, een talud met bomen. In een van die bosjes met bomen was ik met een vriendje beland. We struinden tussen de bomen op zoek naar niets, eigenlijk. We spraken over weinig, in ieder geval niet over school, thuis of meisjes. Ik deelde niet zoveel met hem, qua leven of interesses. We waren vriendjes omdat we in dezelfde klas op dezelfde school zaten en omdat onze ouders soort van vrienden waren.

Toch kwam er een moment, ergens in de lente, dat we meer wilden weten van elkaar. En dat was: hoe de ander er naakt uit zag. Had hij ook een piemel? Kon die ook stijf worden? Want zover was ik inmiddels. Opwinding, orgasme, klaarkomen, het was inmiddels gewoongoed in mijn leven. Ik was pas 11, ik was er vroeg bij.

Zo stonden we in dat bosje naast de snelweg. We lieten onafgesproken onze broek zakken. We keken naar onze piemels. Toen bij hem meer en meer bloed door de fallus stroomde, vond bij mij het bloed ook mijn penis. Met schokjes werden onze jonge lullen steviger, harder. Na een minuut stonden onze pikken fier rechtop, en de voorjaarswind blies om onze eikels heen. Toen pakte hij mij hand legde die om mijn eikel. Even was ik bang dat hij me wilde zoenen. Maar dat gebeurde niet. Hij klemde zijn hand om de mijne bewoog rustig heen en weer. Na een minuut greep hij mijn hand vast, draaide zich om en boog voorover. Het topje van mijn wijsvinger duwde hij op zijn anus. Ik wilde. Ik wilde voelen hoe een anus om mijn vinger knelde.

Ik duwde een vinger in zijn anus en nog voor ik helemaal binnen was, moest het vriendje poepen. Het warme zachte goedje gleed over mijn hand. Eerst wilde ik mijn hand terugtrekken maar het vriendje bewoog mee. Dat wond op. Ik liet de vinger in zijn anus, en de poep gleed over mijn hand op de grond. Hij kreunde nog een keer. Toen was het genoeg. En toen gebeurde iets wat ik niet verwacht had. Niet verwacht omdat het niet hoorde wat ik deed. En misschien deed ik het daarom wel. Ik likte de poep van mijn handen. Het warme goedje had een vieze smaak, en het rook evenmin aangenaam. Het haalde het niet bij de zoete anale geur die uit een bilnaad omhoog cirkelde als die een paar dagen niet gewassen was.

Sommigen zullen boud beweren dat ik latente homo-gevoelens heb. Ik zal mijn vrouw eens vragen. Zou dat dan zijn om die zoete anale geur? Nee. Anderen mogen denken van wel, maar dat komt doordat zij – de meeste mensen – een start- of eindpunt, en wat daar tussen zit, kennen dat niet meer dan een choquante platvloersheid en stuitende domheid is. Ik heb poep willen eten, maar ik weet dat poep ziekmakend is. Van mijn ouders, uit de boeken. Maar je mag best proberen uit te zoeken of het ook waar is wat iedereen poept en roept. En misschien moet de meeste mensen maar eens poep eten. Je hoeft niet alles te geloven wat een ander zegt.

© Rick Ruhland 2020

 

Proefschrift van de week

Titel: Pornografische barokmuziek: opwindende teksten en noten. Auteur: Christof Ägnat.

Samenvatting: Muziek kan mensen opwinden. In vervoering brengen. Zelfs tot extase leiden. Dat was ook het startpunt van Ägnats gedachtengang toen hij diverse muziekstukken onder loep nam en vreemde patronen ontdekte in het notenschrift van bekende en onbekende barokcomponisten. De officiële melodieën en teksten bij vocale werken zijn algemeen bekend. Maar wat de onderzoek heeft ontdekt, gaat een stap verder.
Ägnat heeft originele manuscripten onderzocht. Het blijkt dat componisten, zelfs de meest religieuze, in vooral de 16e en 17e eeuw op verborgen wijzen hints gaven over hun seksleven en hun (destijds zeer verboden en ook omstreden) seksuele voorkeuren. Sterker, aldus de onderzoeker, wie het notenschrift analyseren, kan de complete Kamasutra terugvinden.

Eindoordeel: wat lastig is aan het onderzoek van Ägnat is zijn vertaalslag van annotaties in de tekst en zijn interpretatie van noten (naast, onder, op, achter, voor elkaar) als verwijzing naar seks, geslachtsverkeer, en ook naar piemels en vagina’s. Ik denk dat menig componist en tekstdichter de tijd tussen de seks vulde met componeren, maar of dat dan betekent dat in elke manuscript verwijzingen naar seksuele standjes staan?! Ik betwijfel dat, maar ik wil Ägnat het voordeel van de twijfel geven. Eigenlijk vooral omdat het zo’n afwijkend onderwerp is, met een invalshoek die je niet verwacht.

© Rick Ruhland 2019

Heengaan is geen onschuldige seks

‘Gaat heen en vermenigvuldigt u!’ Ik hoor mensen dat wel eens gebruiken, en heus niet alleen relirakkers. Die uitroep is echter bijzonder onsmakelijk.

Laat me verklaren wat er mis mee is. Ik heb er om twee redenen een probleem mee. Ten eerste, wie heengaat, of als je liever een spatie wilt, wie heen gaat, is aan gene zijde terecht gekomen. Die heeft het loodje gelegd. Heen gaan is creperen, de pijp uitgaan, doodgaan, expireren, heengaan, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen, inslapen, insluimeren, ontslapen, overlijden,  verrekken, versmachten (met dank aan de vele synoniemenlijsten op internet en de papegaai-inspiratie van mijn helden van Monty Python).

Dood dus.

Vermenigvuldigen is in de genoemde uitroep niets anders voortplanten. Punt uit.

Nou, wie dood is, lukt het niet om zich nog aan seksuele uitspattingen over te geven. Laat staan voor nageslacht te zorgen.

Nu mijn punt: ben je toch van mening dat vermenigvuldigen een optie is, met andere woorden dat seks hebben, neuken etc. etc. (niet alles heeft de noodzaak van veel synoniemen), terwijl door mensen heen gegaan wordt of is, dan snap je niet helemaal hoe voortplanting werkt.

Erger: het enige wat lukt, is neuken met een dode. Is dat de feitelijke kern van de oproep? Seks hebben met een dode?

Als je even nadenkt, dan is zo’n oproep feitelijk en stiekem een aansporing tot necrofilie.

© Rick Ruhland 2019

De Fulmar Inn: Sekshooligan Gerrit

Sommige onderwerpen lenen zich niet of nauwelijks voor een gesprek aan de bar. Duitsland en de Duitsers (zie ook Dodenherdenking) is een van die onderwerpen.

Over seks kan alleen gepraat worden als het afstandelijk is, over anderen gaat en als er stoere grappen gemaakt worden. De vrouwen praten hooguit met elkaar over seks en dan altijd komen liefde en relatie om de hoek kijken.

De jongere mannen zijn vooral bezig met de fysieke variant, en dan eigenlijk vooral in stoere woorden.

De oudere mannen schamen zich. Generatiekwestie, zou een snelle conclusie kunnen zijn.

Dat is echter niet zo.

Vlak voor het nieuwe millennium had de vader van Koos bedacht dat er een groot feest moest komen in de Fulmar Inn. Koos was net getrouwd, zijn eerste kind was in de maak, en zijn vader wilde meer mensen in de kroeg. Met posters in de straten rond de kroeg kondigde hij een groots feest aan. ‘Drink een bier, krijg een bier.’ ‘Breng een vriend en wat jij drinkt, krijgt hij gratis.’

Nobel uitgangspunt, maar de uitvoering gaf problemen, zo zou al snel blijken.

Die avond kwam elke vijf minuten een groep binnen. De helft bestelde een bier, de andere helft kreeg zijn bier. En niet alleen bier: ook de wijn en spiritualiën konden nauwelijks aangesleept worden. Koos werkte zich een slag in de rondte. Ook zijn vader, niet meer zo goed ter been, stond hem bij in wat in de maanden erna de Slag om de tap werd genoemd door de stamgasten van toen.

De eerste drie uur ging alles nog van een leien dakje. Het bier vloeide uit de tap als water, het geld stroomde in de kassa als water. Joligheid troef. Maar op die hete avond, en met een paar jonge studentes die de hoofden van enkele mannen op hol brachten, werd de aangeschoten gezindheid gaandeweg geilgrimmig.

Nog voor tien uur vloog de eerste bh uit. Die vloog met een keurige boog door het cafe, en bleef hangen op de foto van de Koning en de Koningin. De vader van Koos zag het gebeuren en liet een jankende wolvenschreeuw horen, maar het lawaai in de kroeg was inmiddels orkaansterkte, en niemand trok zich nog wat aan van wie ook.

Koos, vader in spe en onervaren in het barmanschap, keek geamuseerd toe. Tot hij een onbekende met zijn lul uit de broek op een tafel zag staan. Hij keek met grote ogen naar de man. Van het kruis met de stijve, naar de schoenen op de stoel met leren bekleding, naar het kruis, naar het onbekende hoofd en terug naar het kruis. Hij wilde overeind komen en de man van de stoel trekken, maar voor hij achter de bar weg was, zag hij uit zijn ooghoeken Gerrit hand in hand met een vrouw richting wc’s lopen.

Hij moest kiezen. Bleef hij in het café, om op iedereen te letten en mensen de kroeg uit te gooien, of wilde hij weten wat Gerrit, de enige die meer dan tien jaar in de Fulmar Inn kwam? Hij keek een paar minuten naar de overwegend nieuwe gasten, die zich prima vermaakten. Ok, sommigen zaten met hun tong in de mond van een ander, sommigen zelfs met drie tongen tegelijk, anderen zaten met hun hand in de broek van een ander. Hij zag een naakte borst en nog steeds een piemel uit een broek, maar iets trok hem naar de wc’s.

Hij liep traag en stilletjes de trap af. De deur van de heren-wc stond wagenwijd open. Maar de dames-wc was dicht, en achter de deur klonken de geluiden van ooh, oei en aah. Die konden van Gerrit zijn, maar zeker was hij niet. En die vrouwenstem? Die kwam hem bekend voor, maar helemaal plaatsen kon hij die niet.

Hij twijfelde of hij daar moest blijven staan. Wat ging het hem aan dat Gerrit het er van nam in de dames-wc? En bovendien hoorde hij halfdronken klanten roepen om meer drank. Hij liep naar boven, schonk iedereen een nieuwe borrel in en sloop de trap weer af. Hij zat op de trap voor een seconde of wat, besloot toen om naar de kelder te gaan en daar zogenaamd wat snacks te maken. Van daaruit kon hij net de deuren van de wc’s zien.

Het duurde een kwartier voor de deur openging. Toen stonden er al drie vrouwen voor de deur, van hun ene been naar het andere en terug te wippen.

De deur ging open en de drie vrouwen keken verbaasd naar Koos die met een rood hoofd en bezweet uit de wc kwam. De eerste van de drie vrouwen wilde naar binnen, maar draaide meteen om. Want er kwam nog iemand uit de wc.

Koos keek zijn ogen uit. Toen ontstonden de rimpels in zijn voorhoofd. Het zweet sprong in zijn nek. Bloed pompte met holle kanonschoten langs zijn trommelvlies.

Want daar kwam zijn zwangere vrouw naar buiten. Hij onderdrukte de neiging om op te springen en haar aan te vliegen. Hij wachtte ruim vijf minuten, alle drie de vrouwen waren al naar de wc geweest, toen wandelde hij stoïcijns naar boven.

Hij heeft nooit wat gezegd tegen zijn vrouw. Wel tegen zijn therapeut, want hij ging nog diezelfde week in therapie. Hij moest het kwijt.

Koos heeft zijn vrouw niet gevraagd wat zij in de wc deed. Hij nam aan dat de lul van Gerrit in de kut van Saar had gestopt. Zo zei hij het tegen de psychiater. Die schreef hem dan weer een zwaar kalmeringsmiddel voor, en maakte een nieuwe afspraak voor een week later.

Saar liet niet merken dat ze in de wc was geweest, maar ze voelde wel de groter wordende afstand tussen haar en Koos. Ze zijn nog zeven jaar getrouwd gebleven, maar toen heeft Koos haar in haar gezicht geschreeuwd dat hij wist dat zij zeven jaar eerder met Koos had geneukt. Ze zweeg en dat was het laatste dat ze tegen elkaar zeiden: de onuitgesproken waarheid.

En Gerrit? Die heeft zijn rekening sindsdien betaald. In de twintig jaar sinds die avond vol drank en seks en vreemdgaan heeft Koos de morele bovenhand gekozen en nooit de seks avond in Gerrits gezicht gesmeten. Wel moest Gerrit elke avond dat hij dronken zijn rekening gepresenteerd kreeg, 10 procent boven op het verteerde bedrag  betalen. Dat geld heeft Koos opzij gezet en daarvan betaalde hij de alimentatie.

© Rick Ruhland 2019

Een doorwaadbare plaats: 7. Neuken

Denk ik aan mijn geboortestad, dan word ik niet geil.

Dat, geil worden, is wel zo geweest. Maar niet door de stad. Geil word je als puber vanzelf. Daar heb je weinig voor nodig. Ok, het helpt als je vrouwelijke huid van dichtbij ziet. Dat kan ook op een plaatje, zoals op de seksblaadjes die iedere vader of moeder in die jaren ergens onder een stapel onderbroeken verstopt had. Alleen dat al maakt seks en neuken en verlangen voor een puber in de jaren 70 tot een spannender en geiler gebeuren dan een jongen die nu opgroeit met internet. Want seks, het andere geslacht, seks, wordt pas echt groots en een compleet genieten als je het verlangen ernaar niet meteen kunt omzetten in bevrediging.

De stad waarin ik opgroeide kende in die jaren van mijn jeugd een enghartige mentaliteit die zich op het gebied van genot, van uitstapjes, van andere werelden ontdekken. Wat God geschapen had, moest de mens niet veranderen. Trek je een lijn van Zeeland naar Groningen, dan zie je een lijn, een diagonaal van zuidwest naar noordoost, die zich ook wel de Dutch Bible Belt laat noemen. Halverwege die lijn, in de doorwaadbare plaats, en halverwege mijn leven in die plaats, werd in het kind dat ik was, De Man schreeuwend en verlangend wakker. Eerst alleen nog maar fysiek, in mijn uiterlijk: er verscheen haar onder mijn oksels, op mijn borst, rond mijn geslacht. De eerste seksueel getinte momenten kwamen voorbij. Ik kreeg interesse in vrouwen; eerst nog als wezens met lichamen die anders begonnen te worden (borsten! heupen!), met monden die ik wel wilde zoenen, en  al snel was het meer dat ik wilde.

Toen ik de lagere school verliet, dus toen ik net twaalf jaar oud was, begon ik aan de middelbare school. Geen idee wat ik zou verwachten, geloof ik. Toen en eigenlijk nu nog steeds leefde ik erg in het hier en nu, en veel in mijn hoofd. Maar ik ken ook de buitenwereld en de mensen die daar in leven en die zijn blij als je doet wat iedereen doet. Na de zomer deed ik wat van mij verwacht werd (om anderen te plezieren en geen gezeur aan mijn hoofd te hebben): ik ging braaf boeken halen, ik ging me braaf voorbereiden op school en ik ging braaf op brugklaskamp. Dat is de ene kant van de medaille van de middelbare school. De andere kant was dat ik deed in dat eerste jaar en de jaren erna wat uit mijzelf kwam en wat ik mijzelf toestond en soms zelfs verwachtte: uitzoeken wat ik leuk vond en doen wat ik leuk vind. En ik deed wat anderen niet deden. Dat alles geldt nog steeds, en dat begon in die tijd.

Scherper gezegd, dat begon in dat brugklaskamp. Wij kinderen van goede huize fietsten naar een camping niet ver van de school. Op die camping stonden een handvol grote tenten waarin per tent tien a twaalf kinderen konden slapen. Er waren jongens- en meisjestenten en er was een tent voor de leraren. Overdag deden we speurtochten en spelletjes, alles in het kader van elkaar leren kennen. ’s Avonds mochten we doen wat we wilden, maar tegen bedtijd moest de geslachten uit elkaar gehouden worden.

De leraren kamden elke tent uit op zoek naar het verkeerde geslacht in de juiste tent door te controleren met het venijnige licht van een zaklamp.

Ik kroop weg in de slaapzak van het meisje waar ik naast was gaan liggen. Ook zij wilde niet dat ik ging, want zij deed haar uiterste best om mij te verbergen. Ik had eigenlijk niet goed gekeken naast wie ik lag, maar ik lag tussen meisjes die begonnen te krijgen waar jongens met hormonen naar snakken: natte volle lippen, borsten, heupen om vast te houden, schaamheuvels. Toen de leraar was verdwenen en waarschijnlijk goedgelovig van mening zijnd dat de wolven van de lammeren waren gescheiden, werd het stiller in de tent met een dozijn meisjes. Heel voorzichtig zochten mijn lippen haar mond, en haar lippen mijn mond, en zo begon een zoenpartij die zijn weerga niet kende en kent. Mijn hele puberteit heb ik niet meer zo intens vochten uitgewisseld, met een vanzelfsprekendheid die ik nog zelden zou ontmoeten. En daar bleef het niet bij: ik weet niet meer hoe maar op een gegeven moment draaide zij zich om en ik hield haar vast. Mijn handen schoven onder haar nachthemd, haar nachthemd schoof uit, en zo streelden mijn vingers de kleine borsten van een – wat een dag later bleek – opwindend mooi Indonesisch meisje. Ik was ‘over the moon’. Ik wilde meer. Mijn handen gingen over haar maagdelijke buik naar de rand van haar slip. Maar daar werden ze tegengehouden. Verder mocht niet. Na een keer of zes aandringen hield ik het voor gezien. Ik moest accepteren dat mijn knalharde lul me uit mijn slaap zou houden en dat mijn vingers nog niet tussen schaamlippen onder beginnend schaamhaar zouden glijden en ik nog niet zou weten wat het was om nat en warm en glad vrouwenvlees te voelen. Het gekke is: ik heb haar niet naar die erectie geleid. Niet haar handen gepakt en die op mijn lul gelegd.

Onervarenheid was de grootste hinderpaal. Achteraf weet ik wel dit: ik was klaar voor seks. Ik kon gaan neuken.

Het gekke is wel dat ik vanaf dat moment (ik was twaalf jaar) misschien wel eens voorlichting had mogen krijgen. Bloemetjes, bijtjes, voorbehoedsmiddelen. Misschien ook nog iets over liefde, trouwen, en weet ik wat. Maar nee, mijn ouders hadden geen sjoege van hun zoon (mijn broer heeft volgens mij nooit een vrouw gezoend laat staan geneukt, en misschien was hij wel homo, dus vul voor ‘vrouw’ eventueel man in) en zijn klaar zijn voor het geile werk. Ik was klaar voor de porno in mijn leven. Die kende ik tot dat moment alleen maar uit boekjes als Chick en Candy, en daar moest ik het nog vier jaar mee doen. Zoenen deed ik nog wel, verlangen deed ik nog meer, maar naakte borsten zou ik pas weer vasthouden op mijn 16e.

De verlangens die op mijn 13e bij C. begonnen (zie Zwemmen 2), die mij vreselijk vleselijk opwonden, kregen drie jaar de tijd om tot kolossale geilheid op te groeien. Ik keek maar wat graag naar vrouwen, maar in die eerste jaren van mijn puberleven was alle transitie alle overgang van een kind naar een man zo groots, zo meeslepend dat ik me niet kon focussen op die acties, die handelingen die me hadden geholpen de seks op alle details te onderzoeken.

Gelukkig kwam het zo ver toen ik zestien was, de eerste manisch-depressieve periode aan het afzwakken was en ik had geaccepteerd dat ik een jaar over zou doen op school. Juist toen vroeg ik een meisje verkering. J. In de eerste maanden zoenden we vooral, hielden we elkaar hand vast, we kletsten, schuchter is misschien wel het woord. Na nog geen jaar hadden we ontdekt dat het toch wel heel nodig was met onze vingers in het ondergoed van de ander te zijn.

Het werd een geile zomer. Op de gang voor ik naar huis ging (terwijl haar ouders of zus elk moment binnen konden komen om naar de wc te gaan) zoenden we elkaars lippen aan gort. En steeds vaker ging de rits open en de hand naar het geslacht.

Het kon niet uitblijven: er moest een moment komen dat haar schaamlippen mijn lul zouden omarmen. Het gebeurde in haar kamer, op een woensdag in 1983. We hadden samen gekookt (nasi goreng), we hadden Bach opstaan en zonder te spreken liepen we naar haar kamer (waar we nog ooit eerder geweest waren zonder kleren). Zonder te spreken ontkleden we ons en midden in de kamer, op de grond, kwam ze op mij zitten. Ik was geen jongen meer, en ik wist: dit gaan we dus zo vaak mogelijk doen.

Vanaf die tijd was de seks een deel van de verkering. Hoe vaak wij niet eindigden in de werkkamer van haar vader. Naast de piano, tussen de boeken muziektheorie.
Ik leerde haar te penetreren alsof het de normaalste beweging van de wereld was. Het was voor haar en voor mij, ook al spraken wij er nauwelijks over, de meest aangename bezigheid laat op de avond. Dat het zo normaal was, vind ik achteraf tamelijk bijzonder. Zij was een buitengewoon intelligent, cognitief wezen, en toch durfde zij zich over te geven aan de seks. Ook pijpen was geen banale bezigheid voor haar. En: ze liet zich maar wat graag beffen. Toen in latere jaren het heel normaal werd schaamhaar af te scheren, ging ik missen wat ik destijds zo waardeerde:  die lichte geur van urine en geil in schaamhaar.

Schaamhaar is een fijne herinnering aan alle orgasmes: hoe haar geil zich als druppels in de haren openbaarde, en hoe ik dan mijn zaad daar boven op deponeerde. Klaarkomen op schaamhaar, wat een genot. Maar ook: wat een spelen met vuur. Want dat was ook mijn seksjeugd: spelen met vuur. We hadden seks zonder condoom.

Ik durf te beweren dat ik een goede neukjeugd gehad heb. Ik had misschien wel eerder willen beginnen. Niet eens om het eerder, maar omdat ik meer had gewild. Daarom raad ik alle kinderen vanaf een jaar of twaalf, dertien, veertien aan zoveel mogelijk de seks te verkennen. Doe het wel voorzichtig, gebruik voorbehoedsmiddelen.

Sterker, ik zou het volgende idee willen opperen:

Sekskamp!

Dat houdt in dat elk kind de gelegenheid krijgt om op je vijftiende of zestiende een neukstage loopt. Verken het lijf van een ander. Iedereen moet er aan meedoen, alle geloven, alle sociale lagen van de samenleving.

Wil je niet, dan moet je verplicht een instrument leren spelen. Dat is namelijk ook een vorm van seks hebben, van verleiding. Dat ik gitaar ben gaan spelen op mijn twaalfde, had te maken met muziek zelf, maar het was ook de manier om de vrouw die mijn vingers over de snaren zag razen te verleiden.

Ik hield mij voor dat zij mijn spel zou zien. Van vingers die over snaren jagen. Hoe fijnbesnaard ik zelf ben. Ik dacht dat zij zou denken: wat hij met snaren kan, kan hij ook met mijn clitoris.

Ik zou veel baat bij een sekskamp gehad hebben, op mijn twaalfde. Misschien was ik dan wel geil geworden, niet alleen in maar ook van mijn geboorteplaats. Tegelijkertijd: was ik dan wel al die andere vrouwen uit andere steden en landen tegengekomen?

© Rick Ruhland 2019

Brieven Aan Koning Therapeut 36

Beste B.,

Ik zag deze week twee karpers in een sloot. Het leek wel of ze seks hadden.
Ik keek toe hoe twee duiven op elkaar zaten.

De wereld is niet altijd mooi, maar als we nou maar steeds letten op dieren die het doen, wordt het wel beter. Want ik word zo verdrietig van mensen en dieren die elkaar de hersens inslaan.

Ik wil graag bij u in therapie om van mijn watjesbestaan af te komen.

Kan dat? Bij u in therapie? Van mijn watjesbestaan af?

Jozef.

© Rick Ruhland 2019