Verrast: hoezo hebben wij geen miratief?

Ik was zeer verrast te horen dat er een grammaticale wijs (dus een categorie, een vervoeging van het werkwoord) bestaat die onverwachte openbaringen uitdrukt. Wel brak mijn klomp toen mij duidelijk werd dat het Nederlands de miratief nauwelijks omarmt c.q. omarmd heeft. Dat vanwege het feit dat hoon een integraal facet is van de Nederlandse cultuur.

Woehahahaha.

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

WoW: woordspelling

Woordgrappen maken zonder te weten hoe je iets schrijft; soms ook: taalgrap die een kreun bij het publiek oproept omdat de grap eigenlijk te voor de hand liggend is. Linguïstisch: weten welke letters er in een woord horen, maar niet snappen dat er ook een grappige connotatie aan verbonden is.

 

© Rick Ruhland 2018

Proefschrift van de week

Titel: Versprekingen: de motor van taalevolutie. Auteur: Jinke Flongen.

Samenvatting: De linguïstiek is niet wat je noemt een vakgebied dat zich vaak in de kijker speelt. Vaak zijn toepassingen van taalwetenschappers maar beperkt geldig. Althans, die indruk wekken linguïsten mijns inziens meestal. Misschien hebben zij met hun bevindingen wel meer in hun mars, en is de impact hun wetenschappelijke vragen en inzichten en uitkomsten veel groter dan taalwetenschappers zelf beseffen.
Dat gezegd hebbend: niet elk proefschrift op het gebied van de linguïstiek is dus de moeite waard. Ik lees af en toe proefschriften die van los zand en speeksel aan elkaar hangen. Flingen is daarvan een flagrant voorbeeld. Hij komt met een bulk aan voorbeelden (waarvan niet duidelijk is of hij die zelf heeft verzameld of dat die uit een bestaand corpus komen). De voorbeelden die hij aanhaalt zijn zowel fonologisch, morfologisch, syntactisch, als semantisch van aard. Het is een grote vergaarbak. Ratjetoe. Radjetoe.

Eindoordeel: Ik denk dat Flongen uit alle macht een reden zocht naar DE reden hoe en waarom taal zich ontwikkelt. Anders dan een linguïst – die elke verhandeling mathematisch dan wel logisch aanpakt en veranderingen en fouten (en wat Ties meer zei) als een gevolg van de taal zelf ziet – is Flongen de weg ingeslagen van probabilistische taalwetenschap. Wat ‘zou kunnen’ is belangrijker als verklaringsmodel dan een theorie. Ik denk dat versprekingen best mee spelen in taalverandering, maar dit lijkt meer een kwestie van ‘de kok horen luiden, maar niet weten waar de lepel hangt’.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: fits and averages

“In sum, there is no evidence that the development of function words is best explained from a linear or discontinuous point of view. […] The non-linear fitting has implications for the study of language development. […] It does not mean that age averages are wrong.
However, one must be careful with respect to certain claims about development. Group data do not yield a solid description of (individual) development. Only age dependent development (i.e. strictly timed development) will benefit from such averages. The second point to be made is that whatever the averages, in all cases the data are best modelled by a non-linear fit.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development / H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: syntactic categories

“Languages have a structure which is commonly referred to as grammar. This implies that language is a rule governed system. It also means that words in sentences have a relationship. Furthermore, in most languages words have a fixed order in a sentence. The assumption of an underlying structure makes it plausible that all natural languages share common features. The surface structure of languages is derived from the underlying basic order through movement procedures. The lexical categories (i.e. words) in a sentence undergo changes (e.g. verbs are inflected). The changes that form to say a shell around the lexical entities are called functional categories. Functional categories are syntactic operations, that do not refer to entities in the real world. It is assumed that these categories are more difficult to acquire.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: research question

“If some theories on human development propose discontinuity and others assume continuity as the quantitative pattern in development, and under the assumption that underlying properties of UG and principles are either available to a child from birth on or they become available during development, what are the sorts of change in language development in terms of a relationship between a change on the time-axis and a change on the score-axis?”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018

Partij voor planten XII

Als iets opvalt in mijn communicatie met de PvP (onderaan meer over de nieuwe afkorting), dan is het wel de wispelturigheid van de grote leider en de haast über-polemische opmerkingen die in de mails van GW staan en die ik in de twitterberichten lees van de lagere echelons van de partij. Het komt er vaak op neer dat anderen de schuld zijn van de  tekortkomingen van GW en zijn aanhangers . Een journalist van een kwaliteitskrant heeft zelfs een keer een opiniestuk geschreven waarin hij stelde dat de PvP de Faalpartij is. Falende planten die hun eigen falen aan andere planten toeschrijven, die op hun beurt niets anders zijn dan falers. Volgens de faalpartij zelf dus.

Ik heb die journalist gebeld en gemaild, maar die wil geen reactie geven op mijn ervaringen met GW en zijn nalopers. Ik vroeg specifiek om zijn ervaringen omdat ik wil weten hoe het komt dat er zo veel boosheid en verwijten naar iedereen die niet met hem (GW) en de zijnen is. Ik gebruik de woorden boosheid en verwijten, maar misschien is het iets heel anders. Dat had ik die journalist willen vragen, maar ik kreeg een mail terug met niet meer dan de opmerking ‘Lees mijn artikelen maar.’

Goed, ik heb dus een eigen journalistiek onderzoek gedaan en alle websites, fora en boeken bestudeerd. Eerst van de buitenstaanders, zoals de genoemde journalist, toen stukken en websites van de PvP’ers. Wat die laatste uitingen betreft: gelezen is een groot woord, want de meeste teksten zijn onleesbaar. Slecht Nederlands, onduidelijke standpunten, metaforen en beeldspraak die te hooi en te gras er met de oren bij zijn gesleept, en een opbouw en structuur die zelfs op alineaniveau van de hak op de tak, waar geen touw aan vast te knopen valt, en daardoor in alle valkuilen van een ondoorwrochte tekst tegelijk springt.

Interessant is wel dat van die partij de meest geletterden – dat woord is ruim te nemen want geletterd wil niet meer zeggen dan het aantal spelfouten geringer is, de opbouw van teksten helderder en het taalgebruik an zich niet zo storend is dat het lezen wordt bemoeilijkt – nou net de planten zijn die uit de partij willen stappen of er reeds uitgezet zijn.

Het lijkt erop dat er een aardverschuiving plaats vindt. Van veel planten raken de  wortels los en enige voeling met de grond waarin zij meenden te staan is er niet meer. GW schrijft op een van zijn websites (hij heeft er meerdere) dat hij een scheuring in de partij niet zal accepteren. Planten die elkaar, de inheemse planten, het zonlicht niet in de cellen gunnen, zo oreert hij menig maal, moeten maar ‘in een broeikas gaan groeien’.

De eerste afsplitsingen hebben al plaats gevonden. En dat had niet eens te maken met de partijbeginselen zelf, maar met randverschijnselen. Belangrijkste is de ruzie met de Partij van de dieren, consequent door GW de Partij voor de dieren genoemd. Die partij is alleen maar geïnteresseerd in dieren, en de naam lijkt ook veel te veel op de naam van zijn partij. Vandaar, zo schreef hij deze week, de naamsverandering van PvdP naar PvP.

Al die ellende, met dwarsliggers en querulanten en afsplitsers, dat komt niet door de partij zelf. Dat ligt aan vragenstellers zoals ik. Mijn mail aan GW is al de deur uit: hoe zit dat dan? Leg me dat eens uit.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: modelling development

“One of the main concerns […] is how to account for quantitative growth in development and how to relate this quantitative growth to qualitative analyses and to the parameters in the model. The definition of such quantitative growth (or development) is an autocatalytic quantitative increase in a growth variable following the emergence of a specific structural possibility in the cognitive system. In other words, language development (or cognitive growth in general) consists of growth which is expressed in numbers (quantitative) and which is not entirely caused by some external factor (autocatalytic). This growth is caused by the system itself, i.e. change is induced by the cognitive system itself.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Semantische inflatie

Semantiek is met een ander woord gezegd betekenisleer. Formeler gezegd: semantiek is de wetenschap die de betekenis van symbolen bestudeerd. En symbolen zijn in onze natuurlijke talen de klanken, woorden en zinnen, en zelfs hele teksten.

De studie van de betekenis van symbolen is een (geslaagde) poging om een formeel systeem te bedenken om natuurlijke taal, zoals het Nederlands, te analyseren. Om voorspellingen over een taal te doen. En deze analyses zijn niet alleen een wetenschappelijke exercitie, ze zijn ook van groot nut bij (ik noem maar wat) het vastleggen van informatie in computertalen. Lang geleden, nog in mijn studietijd, heb ik daar met twee andere onderzoekers een artikeltje over geschreven. Al deze exercities in de (formele) semantiek zijn dus niet alleen wetenschappelijk boeiend, maar hebben ook een praktisch nut.

Welnu, als ik de wetenschappelijk wereld van de studie van semantiek een verzoek mag doen: analyseer de huidige semantische inflatie. De wat? Semantische inflatie is het verschijnsel dat woorden die vroeger een bepaalde betekenis hadden, een bepaalde ‘standing’ hadden, verwaterd raken en erger, steeds minder zeggingskracht hebben.

Ik zal een paar voorbeelden geven, en ze komen allemaal uit ‘het onderwijs’. Lyceum. Van oorsprong een instelling als atheneum en gymnasium: een schooltype dat voorbereid op een universitaire studie. Helaas, heden ten dage wordt het woord gebruikt voor elke plek waar een jong persoon een poging doet een boek open te slaan. Nog zo’n woord: intelligent. Was dat vroeger een woord voor een mens die in staat was op een IQ-test behoorlijk te scoren, tegenwoordig is het een woord dat wordt gebruikt voor iedereen die zinnen kan maken van meer dan vijf woorden. Volgende woord: universiteit. Een plek waar je wordt opgeleid om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te doen, waar je iets leert over normen en waarden van kennis en kennisoverdracht, waar je nieuwe kennis verwerft en zelfs genereert. Helaas, in dit ‘verangliserende’ land, waar doodnormale woorden ogenblikkelijk worden vertaald in het Engels, is het Hoger Beroepsonderwijs (hbo) inmiddels ook een universiteit: ‘university of applied science’. Zo noemen deze instellingen voor hoger onderwijs zich tegenwoordig. Maar eh, laat me niet lachen: met wetenschap hebben deze instellingen niets van doen en wetenschap is er bij de oren bij gehaald. Laatste voorbeeld is helemaal van de ratten besnuffeld: student. Dit wordt inmiddels door en voor leerlingen, pupillen nog, van middelbare scholen gebruikt (zo zag ik deze week een ingezonden brief in de NRC van twee leerlingen van een middelbare school die zich, ik zweer het je, student noemden). Studenten zijn deze kinderen zeker en voorwaar niet; sterker, de meeste van deze kinderen komen niet eens in de buurt van studeren, studie, student zijn.

Overigens is hier al eens wat geschreven over grammaticale inflatie. Lees maar wat er staat (of staat het er niet, Meneer Nijhoff?).

Ja, ik maak mij druk om deze inflatie van betekenissen. Het is net alsof we het woord magnifiek gebruiken voor een gebeurtenissen als ‘poepen in het bos’. Alsof dat een prestatie van wereldformaat is. Ik moet heus wel lachen om deze inflatie, het is ergens, ver weg, humor om te zien dat in deze tijden mensen en organisaties zichzelf belangrijker maken dan ze zijn, maar het is lachen en humor met tranen in de ogen en pijn in het hart.

© Rick Ruhland 2018