Mensen vragen mij wel eens… #2

Waarom deed je mee aan een kennisquiz op tv?

Bijna op de kop af 25 jaar geleden was ik voor het eerst op de nationale televisie te zien. En niet zo’n beetje. Ik deed destijds mee aan een televisiequiz genaamd 2 voor 12. Ik kende de quiz al van mijn jeugd, maar tegen de tijd dat ik zelf had willen meedoen, was de quiz niet meer op televisie. Wat de quiz (en dat deelt die quiz met andere quizzen uit die tijd) bijzonder maakte, zeker nu we decennia verder zijn, was het gevoel van intimiteit. Van saamhorigheid. Je kon het idee hebben dat je bij de spelers in de studio zat. Dat je naderhand even met ze kon klessebessen over hoe het ging tijdens de quiz. Dat je als deelnemer een sigaret mocht opsteken ((k rook niet meer maar nu ik er over schrijf krijg ik haast het verlangen zo’n uitzending van toen te bekijken en dan te smachten naar een haal nicotine), destijds nog heel gewoon in de televisiestudio’s. Bijzonder en toch heel gewoon. Met de vercommercialisering en de ‘verdommercialisering’ van de televisie in Nederland, begin jaren 90, ontstond bij mij een haast nostalgisch verlangen naar die tijd dat televisie maken nog een soort aangenaam hobbyisme was. Van presentators tot regisseurs tot cameramannen en -vrouwen tot belichtingscrew: het was speels. De tijd dat kneuterigheid en schijnbare knulligheid qua televisie maken nog mocht en kon, en dat mensen nog slim en intelligent waren – of beter: niet de indruk wekten dat ze niet slim zijn, zoals menigeen dat vandaag de dag wel doet….

Groot was mijn vreugde toen in 1991 de quiz weer op televisie kwam. Ik had in mijn studietijd zelfs iemand gevonden die er evenzo naar uitkeek dat de quiz zou terug komen en net zo blij was dat de quiz terugkeerde. Omdat ik iemand ben die actie onderneemt, besloot ik in 1993 ons in te schrijven. Dat betekende vooral een kaartje sturen, en daarna – dit is in de tijd dat internet nog in zijn baby-schoenen stond, en alles nog op papier en via vaste telefoons verliep – een aanmeldformulier invullen. Zo gezegd, dus gedaan. Wie zijn we, wat doen we, wat zijn je hobby’s en meer van dat soort vragen. Opgestuurd en prompt kregen we een uitnodiging om in september datzelfde jaar op een ‘kandidaten-testdag’ te komen. Dat betekende dat je een stuk of wat vragen beantwoordt – op papier, zonder naslagwerken en in je eentje – waarna de producers de ingevulde testen nagingen om te bepalen wie slim genoeg is om in ieder geval mee te kunnen doen. Dat ‘slim genoeg’ bleken wij te zijn. We hebben daarop ook gepraat met het productieteam, en jawel, we werden op de kandidatenlijst gezet.

De rest is geschiedenis. In najaar 1994 deden wij mee, en wonnen drie rondes.

Goed, de vraag was: waarom deed je mee aan zo’n quiz?

Wel, ik ben altijd in voor een spelletje. Dat is 1.

2. Ik ben altijd bezig met kennis. Iets uit mijn hoofd weten is een intelligente sport voor mij. Iets leren is elementair, Mr. Watson. Ik wil mijn hersens laten kraken om achter een woord, een begreep, een naam, wat dan ook te komen. Tegenwoordig kan ik die informatie en kennis opzoeken met een computer, telefoon, tablet, maar destijds was dat niet zo. Nog steeds vind ik iets weten wat onmetelijk belang. Niet alleen om de kennis zelf, maar ook om mijn hersenen te laten kraken. Om de sport.

3. Er is een element van Twee voor twaalf dat eveneens belangrijk is om het spel te spelen: je moet bij het raden van het woord van twaalf letters ook taalgevoel hebben. En slim spelen bij het letters kopen in de eindfase van het spel.

Ik had en heb nog twee redenen om mee te doen aan een dergelijke quiz. Ik mag graag mijn (4.) kennis etaleren. Soms om indruk te maken, vroeger ook om een vrouw te versieren, maar vooral omdat ik er van geniet ‘te weten’. En 5.: Ik wil winnen, Dat is inmiddels wel minder geworden, de boeddhist in mij is groot geworden, maar destijds was winnen een elementair onderdeel van meedoen.

Tot slot: Mensen hebben mij naderhand meermaals gevraagd: en het geld, wat heb je daarmee gedaan? Die mensen, veel mensen overigens, snapten niet goed wat de drijfveer was om mee te doen. Geld zeker niet, hoewel het leuk is om een spaarcent te verdienen met je kennis.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

De Fulmar Inn: Het open riool 1

Onder het uithangbord van de Fulmar Inn, een vierkant bord van geel email met daarop een verwaaide stormvogel en in letters eronder In De Stormvogel, stond elke vrijdag vroeg in de middag een tweetal te wachten voor de deur tot Koos zuchtend aan kwam lopen en de kroeg opende. Hij zuchtte niet om het tweetal an sich, maar het feit dat ze niet pas kwamen als de kroeg al open was. Want zoals het steeds ging, leek het alsof Koos steeds te laat was. Terwijl dat niet zo was. De twee heren waren steeds te vroeg. Dat was altijd al zo geweest. Het leek een gewoonte te zijn geworden: alsof bij hun gebruikelijke drankje ook gebruikelijk gedrag hoorde.
Terzijde: Gerrit en Berend waren niet uit de categorie kroegloper ‘Geen thuis hebben en wel behoefte aan alcohol’. Ze hingen gewoon graag in het weekend bij Koos rond.

Niet zo lang geleden, wederom een vrijdag, kwam Koos op de het al wachtende tweetal af, groette licht mokkend en deed de deur van slot. Uit zijn ooghoeken zag hij Berend en Gerrit elkaar aanstoten, waarop die terloops vroeg:

‘Televisie gekeken gisteren, Koos?’

Meestal ging Koos in op de opmerkingen van Gerrit en Berend als die nog voor de deur staan, maar die dag niet, want het verkeerde been was als eerste uit bed gegaan. En ja, hij had het regionale journaal gezien. Maar dat liet hij het eerste uur niet merken. Berend en Gerrit kregen hun drankje, Koos haalde ongevraagd het doek van het biljart en zette een tweede drankje neer. De twee stamgasten haalden hun schouders op, namen de keus uit het rek, legden de biljartballen op het biljart en begonnen aan een partijtje Tien over rood. Koos liep de trap af naar de kelder om wat worst en kaas te pakken.

Het duurde lang voor Koos terug was achter de bar. Inmiddels waren de overige stamgasten binnengekomen, op Mira-Lux na. Iedereen had zich zijn eigen drankje ingeschonken en braaf genoteerd op een blaadje. Het geroezemoes in de kroeg werd steeds luider, tot Koos de trap op kwam.

Ineens was het stil. Koos keek iedereen aan.

‘Wat?’

Niemand zei iets.

Maar iedereen wist wat er speelde.

Eerder die week was de spade in de grond gegaan. De weg achter de Fulmar Inn, een weg van kinderkopjes die geflankeerd wordt door 19e-eeuwse paaltjes, is al heel lang niet meer open geweest. Was ook niet nodig. Tot tien jaar eerder de eerste keer opviel dat het toch wel meurde op extreem warme dagen. Dat werd niet minder: het riool was sindsdien op sommige plekken en op warme dagen goed te ruiken, en dat steeds vaker. Dan stonk de omgang, de weg van de kerk naar het klooster en die langs de Fulmar Inn leidde, een uur in de wind. En vaak langer als het een windstille dag was. Uit eerste boringen, een half jaar voor de gemeente besloot dat de omgang open moest, bleek de bodem behoorlijk vervuild.

Dus toen Koos zwijgend de deur opende en die middag eerst lange tijd in de kelder vertoefde, was hij niet zo blij. Want zoals gezegd, eerder die week ging de weg open en al na een dag graven, en toen waren de bouwvakkers nog niet eens aangekomen bij de achterdeur van de FI, vond men kapotte rioolbuizen. Daardoor moest men veel meer en vooral dieper graven dan eigenlijk de bedoeling was. Daar was Koos in het geheel niet blij mee. Dat betekende meer tijd voor het afgraven van de vervuilde grond. Wat dat stond buiten kijf: de grond onder de weg was een en al  poep en pies en toiletpapier en luiers en maandverbanden. Stront aan de knikker, had een van de werklui tegen Koos gezegd, toen die fronsend stond te kijken bij de geopende weg. Koos kon niet lachen om de grap en was omgekeerd.

Drie dagen later was het een drukte van belang bij de opgebroken weg. De stadsarcheoloog had de pers opgetrommeld want hij had wat te melden. Wat bleek? Bij het dieper graven in de oude grond onder de kinderkopjes waren tientallen gebruiksvoorwerpen en zelfs delen van een oude muur gevonden. Bij die vondsten zaten onder andere eeuwenoude wijn- en bierkruiken, rozenkransen, een handvol stenen die zwartgeblakerd waren, en een uithangbord van hout met daarop nog net zichtbaar een stormvogel, en de woorden Vul maer in eronder.

Koos keek toe hoe de archeoloog sprak over de vondsten. Want, zo zei de archeoloog, hiermee is het bewijs geleverd dat de straat zo oud is als de kerk en dat de kroeg dus, aldus de woorden van de stadsarcheoloog, ‘een nieuwe pagina zou schrijven aan de historie van de stad’. Toen zag hij Koos. Hij zwaaide naar de uitbater en met het journaille achter zich aan liep hij naar Koos. Die kon niet meer wegvluchten: hij zat ingesloten tussen de schrijvende pers en de lokale televisieploeg.

Dat was gisteren, de dag dat de kroeg normaal gesproken alleen open was tussen lunch en avondmaal. De stamgasten waren er dan niet, en ‘s avonds was de FI dicht na een akkefietje jaren geleden, waarover later meer.

‘Mooi interview gisteren op tv, Koos.’

Iedereen gniffelde.

‘Ja, Hannes?’

De boosheid stond gebeiteld op Koos’ bakkes.

Gerrit greep in.

‘Koos, vraag: waarom was je gisteren en nu weer zo boos? Toch prachtig dat ze in de grond bewijzen voor de ouderdom van de kroeg hebben gevonden.’

Zou Koos het zeggen? Dat hij beducht was dat zijn kroeg een historisch monument zou worden en dat Monumentenzorg zich met alles ging bemoeien?

Koos ging op zijn plek zitten en boog zijn hoofd een paar seconden. Toen keek hij iedereen bedroefd en zei:

‘Ik vrees het einde van de Fulmar Inn.’

[wordt vervolgd…]

© Rick Ruhland 2018

Die Sendung mit der Maus

Habe ich vor einigen Wochen schon mal erzählt von der Sendung mit dem Elefanten, ich kucke noch viel mehr Kindersendungen. Früher gab es Mister Eder und sein Pumuckl, Pan Tau, Rappelkiste, Pippi, Wickie, und vieles mehr. Ich war fast 5 als die Sendung mit der Maus im Fernsehen anfing. Wie Das Sandmännchen und die Mainzelmännchen gehört die Maus zu meiner Jugend. Seitdem, jetzt 44 später, kucke ich fast jeden Sonntagmorgen die Sendung. Und wenn wir nicht zu Hause sind, nehme ich die Sendung auf und schaue die später an, alleine oder mit meinem Sohn. Erklärung und Spaß, das geht immer zusammen bei „Die Maus“. Erklären wie die Streifen in der Zahnpaste kommen, was passiert mit lehren Dosen die eingesammelt werden, warum sind die Banane krumm, wie fliegen Flugzeuge, und so weiter.

Nicht nur die Sachgeschichten sind toll. Ich freue mich auch immer wieder wenn es gute Zeichentrickfilme in der Sendung gibt. Die mir am Besten gefallen:

  • Der kleine Maulwurf
  • Nulli & Priesemut
  • Shaun das Schaf
  • Lars der kleine Eisbär

Seit Kurzem gibt es eine neue Serie bei der Sendung. Die heißt Trudes Tier. Einfach Spitze. Auch für mich als Erwachsene. Denn es macht fröhlich. Es streichelt das Kind in mir über den Kopf. So einfach kann es sein.

© Rick Ruhland 2015