Tweede paasdag

Ik ben vandaag opgestaan.

Uit de tijdelijke dood.

Een eeuwigheid in het kwadraat geleden

Heb ik nieuw leven geschapen.

Vandaag, drie keer drie jaar geleden,

werd mijn zoon aan de mensheid geschonken.

Hij is mij heilig,

Wij zijn een god buiten het ondiepst van ‘s mensen gedachten.

© Rick Ruhland 2019

 

Advertisements

Zuur, zeik, zanik, klaag toch niet zo!

Ik bracht mijn zoon naar school vanochtend. Onderweg (het is nog geen 10 minuten lopen) komen we langs kruispunten en drukke en grote wegen. Die drukte is goed voor veel onenigheid op straat. Mensen die afsnijden, mensen die andere mensen er niet tussen laten, mensen die luid bellen of toeteren, mensen over de stoep fietsen, mensen die voordringen, mensen die zuur kijken, klagen, zaniken, en zichzelf en anderen over de zeik laten gaan.

Steeds mensen die iets doen. Niet fietsen, honden, vogels, auto’s, bomen, wolken, wind, ramen, kassa’s, bruggen, asfalt, grachten, stoeptegels.

Ik zei tegen mijn zoon: ‘Doe jij vandaag lief tegen anderen?’ Hij beloofde het, ondanks het feit dat hij die ochtend uitgleed over een natte stoeptegel vol algen, en zichzelf daarbij pijn deed omdat hij op zijn knie viel. Broek vies, knie geschaafd. Dat hij desondanks niet boos op die tegel was, dat doet deugd. Dat is een teken van beschaving. Als ik een kleine jongen kan bewegen aardig te zijn, dan is er misschien nog hoop.

© Rick Ruhland 2019

Reken maar van yes!: een pleidooi om te stoppen met realistisch rekenen

Als docent, trainer en coach (ik laat mijn verleden als onderwijsontwikkelaar even voor wat die is) maak ik mij vaak hard voor het beheersen van basisvaardigheden. Of het nou gaat om muziek maken of een andere creatieve uiting zoals schilderen, of het nou gaat om een sport als basketbal, of het nou gaat om het leren van taal als het Japans, of het nou gaat om een schoolvak als rekenen: je moet eerst weten wat je instrument is. Als je bas speelt, moet je weten wat een snaar doet, wat de fretten (de metalen stroken in het hout die haaks op de snaren staan) zijn, hoe een bas gestemd is, welke toon maakt als je een snaar indrukt op een bepaalde plek, en ga zo maar door. Wil je basketballen, dan moet je weten wat de spelregels zijn, wat het doel van het spel is, hoe je met een bal dribbelt en gooit, en ga zomaar door. Wil je Japans leren, dan moet je weten wat de geschreven karakters van de taal zijn, hoe de klanken klinken, wat de grammatica is, wat woorden betekenen, wanneer gebruik je welke woorden en zinnen, en ga zomaar door.

Met schoolvakken op de basisschool, zoals rekenen, heb ik zo mogelijk een nog uitgesprokener mening. Dat komt enerzijds doordat ik zelf (logisch) een kind ben geweest die heeft leren rekenen. Daarnaast heb ik las sinds mijn jongste jaren een voorliefde voor getallen, vergelijkingen, puzzelen met wiskundige problemen. Daarnaast heb ik in mijn studie en werk erg veel gebruik gemaakt van cijfers, getallen, vergelijkingen, logica. Van semantiek in de taalwetenschap, van modellen en statistiek in de psychologie, van pure cijfers als docent bij bedrijfseconomie. Ik weet wat je moet kunnen qua wiskunde en rekenen om die vakken goed uit te kunnen oefenen. Daarnaast heb ik college gegeven in Schoolpsychologie. Dat is een vak waarin ik theorieën en modellen besprak op het vlak van de psychologische ontwikkeling, gerelateerd aan het les krijgen in vakken zoals rekenen. En last but not least: ik heb een zoon die op de basisschool zit, waardoor ik meekrijg wat het soort rekenonderwijs is dat wordt gegeven in de eerste vijf schooljaren.

Dat gezegd hebbende: ik verbaas me over de methode van het rekenonderwijs. Dat is al jaren het zogenaamde realistische rekenen. Veel taal, veel plaatjes, veel puzzelen. Maar geen tot nauwelijks basisvaardigheden. Geen stampen van rijtjes, geen basale kennis van getallen. Geen Meneer, geen Van, geen Dale, geen Wacht, geen Op, geen Antwoord. Nauwelijks tafels, laat staan staartdelingen, sommen met breuken (zoals optellen, aftrekken en vermenigvuldigen), vermenigvuldigingen met grote getallen, en ga zo maar door.

Nou heb ik een zoon die voor is, die bovendien graag rekent, die daar goed in is, en die een vader heeft die weet dat het ouderwetse rekenen, de zogenaamde ‘directe expliciete instructie’, meer oplevert. Die vooraf moet gaan aan de zogenaamde realistische methode. ALS je die methode al gaat gebruiken. Ik ben dan ook verbaasd dat het realistische rekenen voet aan de grond heeft gekregen in het curriculum van het basisonderwijs. Talige sommen, waaruit een kind de rekenkundige informatie moet halen, terwijl het kind helemaal nog niet voldoende geleerd heeft wat het moet doen met getallen als het gaat om rekenvaardigheden zoals delen en vermenigvuldigen. En ook: je moet goed kunnen lezen, hetgeen een andere vaardigheid is dan rekenen (duh!).

Natuurlijk, het is allang bekend dat minstens zo belangrijk voor goed onderwijs en goed leren de kwaliteit van de docent is. Dat moet wel gezegd zijn. Maar: je bouwt geen huis zonder te weten wat bakstenen zijn, of betonplaten, en hoe je die met elkaar verbindt zodat het huis staat en blijft staan. Je moet weten waar de elektriciteits– en waterleidingen zullen lopen, en die leg je aan voor je de wanden gaat behangen en het meubilair gaat plaatsen. Pas als alles op zijn plaats is, dan leg je de vloerbedekking.

Mijn zoon gaat naar een goede school, maar zoals de meeste scholen mist het onderwijs daar die expliciete instructie. Ik ben blij dat hij goed en makkelijk leert, bij alle vakken, en dat hij het qua rekenen leuk vindt om complexe, moeilijkere sommen te maken. Ik geef hem dan ook staartdelingen, vermenigvuldigingen met breuken, sommen met onbekenden zoals y en x. Ik heb hem zelfs een paar opgaven van de rekentoets gegeven, een toets voor de middelbare school die afgeschaft gaat worden (ik hoop wel dat de vaardigheden die gevraagd worden op de middelbare school en in het hoger onderwijs uiteindelijk goed in het basisschoolcurriculum verankerd zullen zijn). Die rekentoetsopgaven maakte hij met plezier.

De vraag die tot slot wel van belang is: wat gebeurt met die kinderen die niet zo makkelijk kunnen rekenen, die niet hebben leren rekenen via de expliciete methode? Ik kan zeggen uit ervaring, omdat ik les gaf in het hoger onderwijs: de slimsten van die kinderen komen uiteindelijk in het hoger onderwijs terecht. Ze kunnen heel goed projecten doen en profielwerkstukken bij elkaar schrijven in het middelbare onderwijs. Vaak niet in goed Nederlands, dat dan weer niet. Wat ze zeker niet of nauwelijks kunnen, en ik spreek nu als een paard uit de oude stal van rijtjes stampen: relatief simpele sommen maken. Deze kinderen, opgevoed met het realistische rekenen, maken de meest basale fouten bij het rekenen. Grosso modo.

Er zijn uitzonderingen. Gelukkig hebben sommigen de klok en de klepel bij de horens leren vatten. Ondanks het realistisch rekenen. We moeten van dat type rekenen af. Vandaag nog!

STOP REALISTISCH REKENEN NU!!

© Rick Ruhland 2019

Hulpcijfers

Cijfers. Grote hobby van mij. Ik reken graag, ik wil cijfers, getallen weten. Het aantal mensen dat je tegenkomt op een normale dag, hoeveel bomen er gemiddeld in een stad van ongeveer 100000 inwoners staan, hoe vaak mannen vreemd gaan, hoeveel zandkorrels in een druppel water passen, en het gaat maar door. Dat ‘gecijferde’ is waarschijnlijk een genetische trek, want mijn zoon heeft die behoefte ook. De behoefte van spelen met getallen, cijfers, van weten.

De andere kant van de medaille, ongecijferdheid (tevens de titel van een boek van John Allen Paulos; staat hier in de boekenkast), is mij een gruwel. Ik heb nog niet ontdekt of junior ook die hekel aan ongecijferdheid heeft, maar hij zou wel eens van hetzelfde hout gesneden kunnen zijn. Dan zou het zo maar kunnen zijn dat hij ook op andere fronten van de menselijke geest (taalvermogens, creativiteit, logica met redeneren en argumenteren, en meer) ook bovengemiddeld scoort. Dat lijkt nu, hij is nog jong en nog maar halverwege zijn eerste schooltijd, inderdaad zo te zijn. Op toetsen scoort hij ver boven de hoogste gemiddelde score (de A-score), en ook in andere opzichten zit er een HB-jongen in hem. Hij leest veel, kan zijn aandacht goed houden bij zijn opdrachten op school, interesseert zich voor alles wat los en vast zit, hij heeft een grote mate van zelfreflectie en omdat hij veel kan en uit zichzelf doet, mag hij ook veel. Zo doet hij tablet of computer uit als hij er genoeg van heeft; hij is er zelden lang mee bezig (wij hoeven hem zelden tot nooit te zeggen dat de schermtijd voorbij is). En hij gaat elke week een dagdeel naar een zogenaamd Denklab (ook wel Day a week school genoemd), bedoeld voor die groep kinderen die bovengemiddeld scoort op school.

Dat gezegd hebbend: als hij is zoals ik en als hij dus een kleine dosis pech heeft, heeft hij ook een andere trek van vaders kant, namelijk die van een verstoorde chemiebalans in de hersenen. Dan gaat zijn intelligentie (en misschien ook zijn creativiteit) gepaard met ongehoorde fluctuaties in de samenstelling van de neurotransmitters, in de activiteit in de grijze en witte hersencellen.

Van alle mensen in de wereldbevolking schijnt 1 op 14 geestesziek te zijn. Dan hebben we het niet over een pijntje maar over ernstige stoornissen. Angststoornissen, stemmingsstoornissen, schizofrenie. Ik hoop dat hij een van die overige 13 is. Ik hoop in ieder geval dat hij niet, zoals 1 op de 3 mensen van de Nederlandse bevolking, een beroep op de geestelijke gezondheidszorg (ggz) zal doen. Ik hoop dat hij ook dan tot de meerderheid behoort.

Over de cijfers: ik vind het nogal wat. Dat 30 a 35 % van de mensen de ggz opzoekt, terwijl een groot deel van die mensen eigenlijk geen last heeft van een ernstige stoornis. Mag ik dat zo concluderen? Ja, dat mag. Het kan niet zo zijn dat de tendens in de wereld qua geesteszieken (7 %) zo afwijkt van de Nederlandse tendens (30 a 35 procent). Goed beschouwd zijn Nederlanders (dus) geneigd om hulp te zoeken voor kwesties die ze zelf op moeten pakken, die niet onder de noemer ‘psychiatrische stoornis’ vallen. Misschien is het verhaal ook een verhaal van aanbod: volgens een psychiater uit Amsterdam is het aantal behandelaars en hulpverleners in de ggz in Nederland zo’n 500 per 100.000 inwoners (wereldwijd zou dat 9 per 100.000 zijn). Zoveel aanbod aan ggz’ers genereert vraag.

Als u zich tot slot afvraagt, wat is nou HB? Dat is de afkorting die wij hier in huis gebruiken voor hoogbegaafdheid. Niet een term (noch HB, noch hoogbegaafdheid) die wij graag gebruiken. Hij is wat verder dan andere kinderen, dat zien wij en de leraren wel. Maar HB? Dat is meer een term die ouders graag gebruiken om te laten zien hoe slim hun kind wel niet is. Die term wordt vooral gebruikt door mensen met weinig gevoel voor humor. Doen wij hier in huis dus niet. Maar we zien wel – lees zelf eens wat onderzoeken over kinderen / volwassen met een supergroot denkvermogen, dan valt op dat een kind met een denktalent een ‘kind met rugzak’ is: het onderwijs is niet afgesteld op kinderen die voorlopen – dat mijn zoon, en ook ik, niet alleen profijt heeft van een HB-hoofd. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik HB ben, want let wel: bij het teruglezen van mijn proefschrift kan ik mezelf af en toe niet volgen, maar goed: dat is nog geen argument dat ik al dan niet HB ben.

Dat is overigens een nadeel van mij. Ik bedoel: zie de laatste zin van de vorige alinea. Dat nadeel? Ik hanteer om de haverklap humor. Waarmee ik moeilijk ben voor psychiaters. Want die snappen niet dat er humor blijft bestaan op de zwartste, vermoeidste, meest boze en verdrietigste momenten van het bipolaire bestaan.

Gelukkig heeft mijn zoon ook die humor. Je moet hem horen schateren om de films van Laurel en Hardy. Ja, hij krijgt een bijzonder goede opvoeding.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: rule guided development

“The importance of the concept of a language structure is that in any language, but also during development this structure follows rules. In other words, language and language development is not without a goal. There is an end state in development, which is described and explained with the aid of linguistic theory. Language development, i.e. the change from no language to that end state, is not a proliferation of change that is adrift, but a series of learning events in time that is rule guided, although these rules do not need to be innate or explicitly learned.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development. H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

Zoontaal: snelwegen van de geest

Tijdens het avondeten spraken mijn zoon en ik over het leren van een vaardigheid. Dat begon ermee dat ik een woord gebruikte dat hij nog niet eerder had gehoord. Het woord was adaptief.

Ik legde hem uit wat het betekende en hij zei: ‘Dierenpaden.’

Ik keek hem aan. Hij nam weer het woord.

‘Als je iets nog niet vaak hebt gedaan of geoefend, zit dat nog niet goed in je hersenen. Dan zijn je hersenbanen nog niet ingesleten. Dierenpaden.’

Hij nam een hap van zijn rijstmaaltijd en keek me aan.

‘Als je iets heel vaak hebt gedaan, dan kun je het goed en snel. Dan wordt je aandacht niet snel afgeleid. Dat zijn de snelwegen van de geest.’

Ons gesprek ging verder – ik vroeg onder andere waar hij die kennis vandaan had – en ik vroeg hem vlak voor we van tafel gingen of iemand die adaptief is eerder gebruik maakt van dierenpaden of snelwegen. Dierenpaden, zei hij resoluut.

Af en toe vind ik het ronduit jammer dat ik dit soort gesprekken met mijn zevenjarige niet vaker met volwassenen kan voeren.

© Rick Ruhland 2018

 

Zoontaal: ruiken

Ik kom bij ons huis aan met mijn zoon aan het einde van de middag.

Terwijl ik de fiets op slot zet, kijkt junior omhoog alsof hij iets waarneemt.

Dan spreekt hij.

‘Ik ruik pasta.’

Ik draai me om naar hem.

‘Ik ruik niets.’

Hij houdt vol.

‘Ik ruik pasta. We eten toch pasta straks?’

Ik knik. Dan zegt hij de onsterfelijke zin:

‘Ik kan in de toekomst ruiken.’

© Rick Ruhland 2018