Phailed Photo’s on Phriday

Ground? Finger?

IMG_8268.jpg

© Rick Ruhland 2019

Advertisements

Wandelen langs de Stelling: 2. Fort aan de Nekkerweg naar Fort Spijkerboor

De route tussen Fort Benoorden Purmerend, het eindpunt van mijn eerste wandeling, en Fort aan de Nekkerweg loopt deels op met de snelweg. Niet het meest boeiende deel van de Stelling qua wandelroute. Bovendien is zo’n snelweg eigenlijk een anachronisme in het licht van de Stelling: je zou de weg tijdens je wandeling (net als veel andere bebouwing) moeten kunnen wegdenken, uitgummen uit je blikveld en gehoor. Dan besef je beter dat de stad Amsterdam nog ver weg is en dat je als vijand (in een tijd dat er nog geen vliegtuigen waren) wel twee of drie keer nadacht over het inzetten van de aanval, aangezien een hoop water en een forten met geschut als waakhonden op elke hoek van wegen (accessen) en rivieren lagen te wachten.

Mijn tweede wandelroute van het Noordfront, zoals dit deel van de Stelling van Amsterdam tussen Zuiderzee / IJsselmeer en de huidige snelweg A7 ook heet, begon dan ook bij het Fort aan de Nekkerweg (ik heb de route vanaf Benoorden Purmerend gereden, niet gewandeld).

IMG_0905.jpg

De houten fortwachterswoning staat er nog steeds, net als een loods en wachtershuisje. Het fort is nu een hotel, dat wat verder weg ligt van het Noordhollandsch kanaal. Doel was de accessen Volgerweg en Nekkerweg te beschermen. De wegen in de buurt van dit fort liggen trouwens allemaal haaks op elkaar: deze polder, de Beemster, is ingedeeld volgens logische patronen.

Van dit fort aan de Nekkerweg is de kortste route naar het volgende fort misschien wel langs die ‘haakse wegen’ van de Beemster-polder, maar leuker is het om naar de dijk langs het Noord-Hollands kanaal te wandelen en vandaar uit westwaarts te gaan. Op de dijk wandelend kun je zien hoe de forten de polder hebben beveiligd, en ook waar de inlaatpunten voor het inundatiewater zijn. Richting stad is te zien wat beveiligd moest: het achterland van de inundatie, het voorland van de stad.

IMG_0907

Langs de dijk van het kanaal liggen drie forten: Fort aan de Middenweg, Fort aan de Jisperweg, en Fort Spijkerboor.

Voor je bij het eerste fort aan het kanaal bent, Middenweg, is er een inundatiesluis in de Zuiddijk.

IMG_0911.jpg

Fort aan de Middenweg moest de accessen (toegangswegen) bewaken, namelijk de Middenweg en de Zuiddijk. De inundatiesluis ligt even ten oosten van het fort. Overigens, dit soort informatieborden staan overal langs de route van de Stelling:

IMG_0912

Het fort zelf ligt meteen achter de dijk.

IMG_0915

Verderop ligt Fort aan de Jisperweg. Een zelfde verhaal als Middenweg: een slapende hond die blaft als je in het water van de inundatie spartelt. Bewaker van de accessen.

img_0921.jpg

Als je van fort naar fort wandelt, dan stap je steeds van de 19e eeuw naar de 21e eeuw en terug. Vooral ook omdat tussen de forten de wereld niet heeft stilgestaan. Kunst is een onderdeel maar ook ‘vleermuisdozen’ en natuurlijk: de natuur.

This slideshow requires JavaScript.

Misschien een van de mooiste punten van de Stelling, vooral omdat op dit plek diverse waterwegen bij elkaar komen, is de omgeving van Fort Spijkerboor. Wandelend van de dijk, langs het Noordhollandsch Kanaal ga je de dijk richting De Rijp op. Verscholen achter die dijk ligt Spijkerboor. Zwaar bewapend, vooral omdat zowel dijk, ringvaart als kanaal moesten worden beschermd.

IMG_0929.jpg

De wandeling terug over Volgerweg is minder relaxed vanwege het verkeer. Bovendien loop je in de polder en is minder te zien van de Stelling, als in forten en batterijen. Het enige dat nog met de stelling te maken heeft is het inundatiepunt aan deze weg.

IMG_0932.jpg

Al met al een wandeling van 16 km.

© Rick Ruhland 2019

De Fulmar Inn: Spelletjesanarchie 2

Omdat Koos een weekend weg was en dus niet zelf in de kroeg kon staan, had hij Berend gevraagd voor barman te spelen. Koos had hem in goed vertrouwen de sleutels gegeven en Berend had die in goed vertrouwen aanvaard. Berend zou het wel rooien. Maar Berend had niet verwacht dat de stamgasten spelletjes wilden gaan doen. Rond het avondeten kwamen wat toeristen binnen, en een enkele buurtbewoner, en zij allen dronken hooguit een of twee glazen van het een of ander.

Niemand had in de gaten dat de kroeg langzaam leegliep. Na een uur of drie spelen waren alleen de stamgasten nog aanwezig. Er werd nog gedobbeld door Berend en Hannes, en de rest speelde monopolie.

Bij Sjoerd stond het zweet op de slapen. Hij was misschien niet de fanatiekste van het stel, maar als hij ergens zijn tanden in had gezet, dan gaf hij niet op. Hij hoefde niet te winnen, maar wilde evenmin verliezen.

Maartje had al een tijd haar glas niet meer aangeraakt. Ze zat bovenop elke beweging van de tegenspelers. Fanatisme is mijn tweede natuur bij spelletjes, had ze een paar jaar eerder terloops laten vallen. Dat bleek een understatement te zijn.

Gerrit, die normaal om twee drankjes naar de wc moest, had al zijn urine opgespaard en speelde als een bezetene. Toen Hannes klaar was met dobbelen, kwam hij bij Gerrit staan en sloeg hem gemoedelijk op de schouders. Gerrit schrok, kreunde een keer, en toen werd zijn broek nat.

Consternatie alom.

‘Shit, je plast in je broek.’

Hannes schrok van zijn eigen luide stem, maar nog meer van de urine op de vloer.

Gerrits gezicht betrok. Berend, als volleerd gastheer, pakte Gerrit bij de elleboog en zei:

’Kom maar, Gerrit.’

Gerrit liep met o-benen achter Berend aan. Boven de kroeg was een kamer, zo had Koos gezegd, met kleren die Koos niet pasten en kleren die door dronken kroeggasten waren achtergelaten. Naast die kamer was een tweede kamer waar Koos vaak sliep. Na de scheiding was Koos een tijd dakloos. Nu had hij een wening, maar als hij geen zin had naar huis te gaan, sliep hij in die kamer. In die kamer was ook een douche.

Een kwartier later kwam Gerrit in een ruim zittende broek naar beneden.

‘Alles droog?’

De boze blik van zowel Berend als Gerrit deed Hannes zwijgen.

Maartje kwam met een afleiding. Ze opperde het idee om in teams te gaan spelen. Drie teams en voor echt geld.

‘Je vindt het nog niet spannend genoeg?’

‘Nee. We doen altijd maar slapjanussie hier. En dat is de reden waarom spelletjes hier altijd na een tijdje weer worden opgeborgen. Het gaat nergens om. Met echt geld wel.’

‘Jonneke, doe je ook mee?’

Jonneke luisterde niet. Die zat verhit op haar telefoon te tikken. Berend keek weer eens naar haar, en haar schermpje, maar dat hield ze voor iedereen verborgen.

‘Jonneke doet niet mee. Ik ook niet, ik schenk.’

Zo kwam het dat Gerrit, Sjoerd, Hannes en Maartje met echt geld speelden. Ook al hadden ze een maximum afgesproken, na een half uur was het gevloek niet van de lucht.

‘Berend, je bent me gratis drank verschuldigd.’

Berend bleef op zijn kruk achter de bar zitten en verroerde geen vin. Hij keek Gerrit niet eens aan.

‘Kom op man, wees niet zo’n deugmens.’

Het werd een seconde of vier volslagen stil in de kroeg. Zelfs de klok hield een seconde lang op met tikken.

[Wordt vervolgd]

© Rick Ruhland 2019

Een doorwaadbare plaats: 9. Waterrest

Als ik nadenk over hoezeer water een elementair onderdeel van mijn kindertijd en van mijn leven als puber was, dan heb ik over het algemeen een positieve herinnering.

Zelfs in de extreme winter van 1978 / 1979 kon ik genieten. De enorme sneeuwduinen in de doorwaadbare plaats, het kunnen schaatsen op straat door de vele ijzel. Er is zelfs een foto van mij waarop ik met een buurtvriendje in de sneeuw sta en met een schep de sneeuw te lijf ga:

IMG_0767.JPG

Bijna speels, hoe ik me mij door de sneeuw heen ploegde, terwijl overal in Europa doden vielen door het natuurgeweld en mensen zonder stroom en water en voedsel zaten.

Ik was een net-puberende jongen, van die doden en ellende wist ik maar weinig. Wat ik wist, was wat ik zag: de schoonheid van de witte en koude deken op de wereld. Dat begon als de sneeuw begon te vallen, dan rende ik als een kind zo blij door de dartele sneeuwvlokken en voelde ik me als een kind zo blij. Niet zo gek, ik *was* een kind.

Viel de sneeuw op het moment dat ik niet naar buiten kon, ’s nachts of als ik op school was, dan kon ik niet wachten naar buiten te gaan. De stilte die van de bedekte wereld afkwam: oneindig veel mooier dan de luidheid van medemensen. Ik genoot als ik in de weilanden rondschuifelde en alles stil was, nergens een geluid behalve het kraken van de sneeuw onder mijn schoenen. De sneeuw maakte de donkere dagen fluorescerend van onder af, de wereld van geluid werd een wereld van verstilling. Zelfs het geroezemoes van de verderop gelegen snelweg werd gedempt door de donsdeken van kleine kristallen. Uren en kilometers kon ik lopen, tot ver in de avond en ver buiten de stad, met ondanks de laarzen steeds natter wordende sokken en broekspijpen. Ik ploegde door de sneeuw, soms struikelend over prikkeldraad van hekken die onder het dikke pak sneeuw lagen verscholen. Soms zakte ik weg in een kuil in het weiland. Het zweet stond na die uren, ondanks de koude lucht, op mijn voorhoofd en in de nek onder mijn sjaal. De adem die de keel opfriste tot die rauw was, het was eigenlijk genieten ondanks de pijn. En ergens kwam het moment dat ik dacht: ‘Het wordt tijd om terug te keren naar huis, terug naar de centrale verwarming.’ Daar kreeg ik een warme chocolademelk en zat ik met ijsklompjes van voeten tegen het warme ijzer van de CV, en voelde een pijnlijke tinteling als het bloed en de zenuwen ontwaakten van de lange wandeling door de van ijskristallen doorspekte buitenlucht.

En als de winter zijn einde naderde, als de laatste sneeuwbui van het seizoen over mijn geboortegrond raasde, dan was het tijd voor de Sneeuwbal. De sneeuwbal aller sneeuwballen. Langs de vier flats, over het grasveld dat tussen die flats en de snelweg lag, voorbij de vijvers. Wat begon met een tennisbal werd al gauw een handbal, een basketbal, en voor ik het wist duwde ik een groot formaat skippybal voor me uit. De bal werd groter en zwaarder, tot een punt dat het niet meer ging. De sneeuw was papperig, de bal was zwaar. Toen het echt niet meer ging, maakte ik van de bal het lichaam van een sneeuwpop. Een kleine bal erop, de laatste sneeuwman van het seizoen was klaar. Dagen later zou van die pop nog een wit hoopje overblijven op het gras dat verder inmiddels sneeuwloos was. Met natte voeten en handen rende ik naar huis. En altijd aan het einde van de winter besefte ik dat weer een seizoen voorbij was. Dat gaf een vorm van verdriet, van melancholie. En toch, dat gevoel, dat iets ophield en dat iets nieuws stond te beginnen, dat heeft mij door het leven geleid. Geholpen, zelfs. Nog steeds is niet de continuïteit relevant, maar de transitie, de overgang, de verandering.

Ik heb nog veel meer herinneringen aan ijs en sneeuw, dus wat ik heb opgeschreven is niet het geheugen van mijn winterkindertijd, maar wel het grootste deel. Wat ik mij verder herinner van de winters van mijn jeugd is dat er niet zo vaak sneeuw lag. Ik herinner me maar twee serieuze sneeuwwinters, en dat was die van 1978/1979 en die van 1985 (daarna was ik van mijn geboortegrond vertrokken). In de laatste jaren van mijn lagere school lag er vaker sneeuw, maar het dooide ook vaker.

De zonneherinneringen zijn onmiskenbaar groter in aantal. De hete zomers van van 1975 en 1976 hebben daar mee te maken, maar ook dat herinneringen aan zomers nou eenmaal makkelijker hun sporen in de geest achterlaten. Zon, zee, waterpret, goed voelen, loomheid, geuren van bloemen en planten.

De oudste herinnering is die van kuilen graven aan zee in de buurt van Hoek van Holland. Mijn vader had eind jaren 50 mensen leren kennen die uit Vlaardingen kwamen. Het was nog niet zo lang na de oorlog, de stemming was nog lang niet pro-Duits, of zelfs maar Duits. Het was steevast ‘moffen hier en moffen daar’. Mijn vader, een Duitser had bij zijn kampeervakanties in Nederland die mensen leren kennen, en in de loop van hun vriendschap werden hij, zijn vrouw en zijn twee kinderen (waaronder ik dus) regelmatig des zomers uitgenodigd om langs te komen bij hun huisje nabij Hoek van Holland. Een geweldige ervaring, want dat betekende zwemmen in zee. En natuurlijk ook, gegeven een Duitse vader, kuilen graven. Ik heb hier een zwart-wit foto van mijn vader zaliger en mij, een kuil gravend op het strand van Hoek van Holland.

IMG_0769.jpg

Of het daar is ontstaan, geen idee, maar van jongs af aan, vanaf die dagen op het Zuid-Hollandse strand, is de zee me altijd blijven trekken. Niet de bergen, niet woestijn, zelfs niet het binnenland van Nederland, ook al stroomde er een rivier. Nee, strand en zee. Daar waar land overgaat in water. Dat raakvlak is niet alleen in de lente en zomer een plek om te vertoeven: ook in de herfst en winter is het een genot om op het strand te zijn.

Nog een moment van water en verkoeling: de watersproeier in onze tuin. Of tuin: mijn ouders hadden een lapje grond van 4 bij 10 meter achter het huis. Te weinig om een beetje moestuin in aan te leggen (aangezien eenderde was belegd met grijze stoeptegels en eenderde van gras was voorzien). Ik geloof ook niet dat mijn vader echt een moestuin zag zitten. Wel gras dus, en dat moest op zijn tijd bewaterd worden. Met een sproeier. Beter gezegd: een zwenksproeier. Dat is een watersproeier als op de foto. In de gebogen buis boven zitten gaatjes. Als er water doorheen komt, via een slang die aan het tuitje aan de rechter kant wordt vastgemaakt, dan komen er uit ca. 14 gaatjes straaltjes (je kunt de kromme buis ook vastzetten, dan zwenkt de waaier dus niet). Omdat de buis steeds heen en weer gaat, dus zwenkt (vandaar de naam zwenksproeier), gaat de waaier van stralen van links naar rechts (of van voor naar achter; afhankelijk van je standpunt).

Heerlijk om door die waaier te springen en de koude stralen als speldenprikken op de huid te voelen. De verkoelende watersproeier in de tuin op een kleffe dag staat hoog in de top zoveel van aangename jeugdherinneringen. Bij die herinnering, en het is makkelijk te vergeten, hoort pijn. Want het heen en weer springen door de waterwaaier van de ene kant van het grasveld naar de andere kant ging niet zonder uitglijden, en niet zelden kwam dat neer op een spagaat die de spieren in de lies bijkans uiteen trok.

Als kind zocht ik ook vaak de vijver naast de snelweg op. In de late winter kwam ik daar om boven een vuurtje een aardappel te poffen (zie het verhaal Stoken) en naar school te lopen. In de lente was dat een goede plek om te vissen met andere kinderen: de vijver was groot genoeg voor een paar karpers, snoeken en kleiner grut als voorns en bleien.
Als het echt te warm was om te vissen, dan was het heerlijk om het water in de lopen. De vijvers waren nergens dieper dan de middel, er groeide riet in het midden van de vijver, als een eiland van twee meter hoge lisdodden met prachtige bruine ‘sigaren’. In dat rieteiland hadden eenden nesten. Om af te koelen was het heerlijk om door het water te lopen. Op een van die zwoele middagen deed ik dat. Ik liep door het water naar dat riet, en zelfs erin. Wat ik niet in de gaten kon hebben, was dat in het riet, op de bodem, een plank lag met een grote spijker erdoor…

Ja, denk zelf verder aan wat er gebeurd is die middag, en besef daarbij dat die spijker ongeveer vier centimeter lang was en recht omhoog stak. Halverwege de zool van mijn linkervoet, in de voetboog, zit nog steeds een herinnering aan die pijnlijke dag.

Mijn tijd in de doorwaadbare plaats en mijn echte leven kende een haast natuurlijke cesuur. School hield op, thuis hield op, vriendjes hielden op, en mijn eerste relatie hield op. Wat haar betreft, J.: ik heb goede herinneringen aan haar. Niet alleen omdat ze mij seks bracht, maar ook door het intelligente karakter van haar en haar thuis. De klassieke muziek die ik door haar leerde kennen. De intellectuele benadering van het leven in haar gezin.

In de zomers dat ik verkering had met haar, ging zij naar familie in Zwitserland. Ik ging met mijn ouders of met een neef weg, en zo waren we een paar weken uit elkaar. Omdat zij niet ver van mijn woonde, en de familie het fijn vond als ik de planten water gaf en de post af en toe van de deurmat haalde, kwam ik bij haar thuis. Het rook, ook zonder haar aanwezigheid, naar haar in het huis. Dat ‘haar ruiken terwijl ze niet was’ maakte vrolijk. En als ik, een zwetende puber, koud water over mijn polsen liet stromen als ik in het huis was als zij weg was, dan snoof ik de geur diep in mij op. Ik kon het een keer niet laten: toen ik alle handelingen van planten water geven en post sorteren had gedaan,  ging ik naar haar kamer. Ik lag op haar bed. Het was die dag zo warm dat ik weinig meer dan een sportbroek en een t-shirt droeg, en de hitte was botergeil makend. Ik bevredigde  mij in haar kamer. Ik zat op mijn knieën op haar bed, trok wild aan mijn spijkerharde lul tot niet lang daarna mijn zaad in een wijde boog op de vloerbedekking spoot. Ik heb de klodder laten liggen. Het rare: we hebben op de allereerste keer na nooit seks gehad in haar kamer.

En hoe goed het ook voelde in dat verlaten huis, het was een verlaten huis waar alleen de geur van haar nog hing. Verdrietig voelde ik me als ik daar was, in een huis dat niet mijn thuis was, maar dat ik dolgraag wel mijn thuis zou willen laten zijn. In het huis van mijn vriendin die er niet was. Hoe ik genoot van de geuren van een tijdelijk afwezige vriendin, en diep in mij mijn hart huilde omdat ik besefte dat ik nooit rust zou hebben, en altijd op weg was. Altijd op zoek. Op zoek naar een thuis als dat van haar.

Nu weet ik nog beter dan destijds: ondanks alle genot was pijn onvermijdbaar.

Dat is uiteindelijk het verhaal van mijn leven: zonder pijn geen genot. En andersom.

De brandblaren stonden vaak op  de huid van mijn geest, omdat ik mij nooit goed, of beter, helemaal niet insmeerde met spirituele zonnebrandcrème. Had ik geleerd hoe ik me wel moest beschermen, dan nog had ik gekozen voor de blaren. Achteraf. Nadat de regen in mijn geest was gaan vallen.

© Rick Ruhland 2019

Food Fursday: Baharat turkey & side dishes

Turkey baharat (with chickpeas and sweet potatoes), couscous with spring onion, feta, tuna salad, bread and sour orange carrots with cumin, lemon and garlic. Flat bread to dip into the baharat marinade.

IMG_0704.jpg

Judging by the way my son kept on reloading his plate, it was good. I like to think so too. Well balanced with the eighth spices, cooked to perfection. The sour tuna salad and carrots were a good counterpart in taste, as was the slightly salty feta.

© Rick Ruhland 2019

 

Not growing old

There is a band, The Origin, that recorded a song Growing old in 1991, which has the following lines:

I’ll tell you
I’m not growing old.

On this day, the 18th of April, I again am not growing old. 30 years in row I have become 23 years old.

How do I know? Because I still laugh at these ‘jokes’:

IMG_0564.jpg

IMG_1101

#Happy Birthday to me, Happy Birthday to me!#

© Rick Ruhland 2019

 

 

Lees maar, er staat wat er niet staat

Letterlijk: Wat een operatie als deze kost, dus het totale kostenplaatje van een organisatieverandering zonder op de details in te gaan? Dat is lastig aan te geven.

Feitelijk: We kunnen precies zeggen wat het zoiets kost, maar als we echt zou zeggen wat het kost, dan komt het hele volk in opstand, en eerlijk gezegd: het is teringrete duur.

© Rick Ruhland 2019