Ergernissen: geen korting

Je staat – voor je aan het werk gaat – in de supermarkt en je weet al wat je gaat kopen en koken die dag. Even wat ingrediënten halen. Helemaal mooi als je die dingen koopt die in de aanbieding zijn.

Je komt bij de kassa, ziet hoe de kassière de prijzen aanslaat (eigenlijk hoeft ze niets te slaan, ze moet alleen de streepjescode goed scannen – niet eenvoudig, dunkt me) en je kijkt mee naar de prijzen, omdat je op dat moment toch niets anders te doen hebt.

Dan zie je dat de korting die bij het product in de schappen staat, niet wordt gegeven. Je zegt dat tegen het meisje achter de kassa, maar die kijkt je aan met een blik: ‘Ben jij wel helemaal goed?’

Je gaat dus de winkel weer in, en maakt een foto van het schap waarin het product, sjalotten, ligt. Dan zie je dat de sjalotten vorige week in de aanbieding waren. Is dat niet volksverlakkerij? Is dit niet waar ons land mee naar de verdoemenis gaat?

Maar het kon nog erger, want een van de andere producten in mijn mand was wel in de aanbieding deze week. Maar mooi geen korting he.

Potjandokie nog eens aan toe.

Ik liet alles staan, heb niets betaald en ben nukkig de winkel uitgelopen.

© Rick Ruhland 2017

Advertisements

Zendividu

Ik ben.

Dat wil nog niet zeggen dat ik denk.

Ik ben,

sowieso,

liever een voeler.

Liever een ondervinden van de zintuigen.

Geen betekenis meer toekennen aan de wereld binnen of buiten.

Dan ben ik op weg naar ginds.

Even een god in het diepst van emoties,

en dan weer verder.

Verder weg

Voorbij emoties

Gedachteloos.

Dan ben ik een zendividu.

Dan ben ik geen mens meer.

Dan ben ik voorbij aan alles.

 

© Rick Ruhland 2017

Een inkijkje in mijn geest 1

Het is me nog nooit overkomen dat ik niets dacht. Zelfs als ik dacht, ‘Ik denk nu niets’, dan dacht ik toch iets, namelijk ‘Ik denk nu niets’. Zodra mijn zintuigen aan gaan, meestal bij het ontwaken, analyseert mijn geest de omgeving, of neemt waar, of is in ieder geval bezig.

Met het lezen van tekst, woorden, letters, wordt het erger. Dan speelt het linguïstische deel van die geest met de letters en klanken, met de grammatica, met de betekenissen van die taal.

Een inkijkje in de taligheid en het linguïstiekspel van mijn geest? Er stond laatst een zin in de krant. Die luidde:

‘Onderweg naar het station telde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’

Ik weet niet of uw geest het heeft, o lezer, maar mijn geest vindt het leuk om in een dergelijke zin (en uiteindelijk bij elke zin die ik lees eigenlijk), uit een boek, een liedje, krant, of op reclamebord in een winkel of waar ik ook ben lees, één woord te veranderen door een letter veranderen, toe te voegen of weg te halen.

Om het bovenstaande voorbeeld te gebruiken:

‘Onderweg naar het station telde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’

De verandering kan dan zijn (en dat was de eerste verandering die mijn brein maakte):

‘Onderweg naar het station tilde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’

Helemaal leuk is de meervoudige betekenis van tillen. Iemand tillen betekent niet alleen opheffen van de grond, maar ook iemand oplichten.

Doe dat nou eens met een ander woord. Ik doe wat voorstellen:

  • velde of belde ipv telde
  • stadion ipv station
  • echt of zacht ipv acht
  • zwaarbewakende ipv zwaarbewapende

De meeste veranderingen leiden tot onzin of niet-bestaande woorden, maar je, ik, kunt je uren bezig houden met nieuwe betekenissen.

Nog een optie: woorden vervangen. Vervang militairen eens door duiven.

En voor ik het weet, is de dag om en heb ik weer niets gedaan.

© Rick Ruhland 2017

Plaatszoeken, niet plaatsvinden

Waar gebeurd. Dat is meestal een onzinopmerking. Als iets gebeurd is, dan is het per definitie waar.

Waar heeft in dat geval niets te maken met juist of niet juist, geldig of niet geldig, echt of niet echt.

Het begrip waar heeft in dat geval te maken met noodzakelijkheid. Noodzakelijke waarheden zijn die uitspraken die in alle mogelijke gevallen waar zijn. De tegenstelling die je met een ontkenning als niet kunt maken, heeft een logische tegenspraak in zich. Voorbeeld: “Alle driehoeken hebben drie zijden.” Als je ‘niet’ toevoegt, dus dan wordt de zin ”Alle driehoeken hebben niet drie zijden”, dan is de uitspraak niet waar.

Waar gebeurd kan niet met juist of echt verbonden worden, maar alleen noodzakelijk waar. De uitdrukking moet dan ook betekenen: we weten dat het gebeurd is, alleen niet op welke plek. Waar gebeurd is dus een vorm van plaats zoeken, en niet van plaatsvinden. Gebeuren, met als voltooid deelwoord gebeurd, in combinatie met waar is het zoeken naar een plek. Het is daarmee een existentieel vraagstuk, derhalve.

Wie ‘waar gebeurd’ gebruikt om aan te geven dat iets echt gebeurd is, dat het waar is dat iets heeft plaatsgevonden, wil eigenlijk zeggen dat iets wat heeft plaatsgevonden niet noodzakelijk is – of was. Eigenlijk is ‘waar gebeurd’ dan een contradictio in terminis.

© Rick Ruhland 2017

Daktiviteiten

Het ligt aan mij.

Voor mijn gevoel is gisteren of vandaag pas de zomer ten einde gekomen.

Dit is mijn eerste herfstdag. Wel een zeer mooie dag om het najaar mee in te luiden. Ik moet opeens aan Frank Govers denken: ‘Mooi, die kleuren, staat je goed.’

Maar wat raar is: over drie dagen komt de Goedheiligman (niet te verwarren met de Slechtheiligman, hoewel de twee verschillende namen het onmogelijk maakt in de war te geraken) het land binnen ‘gezeild’.

Daar klopt dus niets van. Sint moet nog op het strand van Spanje of Turkije liggen.

Het is nog steeds tijd voor luieren, het is nog lang geen tijd voor daktiviteiten.

© Rick Ruhland 2017

 

Groepsdynamica van robots

Robots worden vaak bezien vanuit hun nut voor de mens, en hun interactie met mensen. Daarbij moeten ze vooral voldoen aan zogenaamde wetten en uitgangspunten, ooit geformuleerd (en hier terug gebracht tot één uitgangspunt) als de mens is uitgangspunt van de interactie en die mag geen schade van een robot ondervinden.

In deze eeuw heeft de mens, meer dan voorheen, volop in interactie met robots. Een robot is, simpel gesteld, een apparaat dat met een zekere intelligentie voorwerpen kan hanteren. Even los van de fysieke vorm van zo’n robot (een vorm die vaak iets menselijks heeft) is een robot tot nu toe vooral een hulp. Dat is aan het veranderen, zoals robots in de industrie en zorg laten zien. Steeds vaker beslissen robots in situaties wat moet gebeuren.

Een interessante vraag is mijn inziens die volgende, en dat is een vraag die ik vorige week tijdens een van mijn filosofische wandelingen met een vriend doornam: hoe kijken we aan tegen robots die beslissingen (mogen of zelfs moeten) nemen? En wat als die beslissing een ethische moet zijn? Hoe zit het morele dilemma’s, empathie, goedertierenheid: moeten die niet een onderdeel van robots worden? En ook: hoe we krijgen we die ‘karaktertrekken van de mens’ in een robot ingebouwd, en moet dat wel?

Ik hoef geen discussie over wat die moraal en wat die ethische dilemma’s überhaupt zijn. Een robot, als entiteit (of individu, zo je wilt), moet voldoen aan de eis dat ze mensen dienen, of in ieder geval niet schaden. Ik zeg niet dat dat zo moet zijn, dat een robot alleen maar bestaat om de mens te dienen, maar het is een uitgangspunt. Die robots dienen moet veilig zijn.

Willen we dan dat een robot empatisch, inlevend, goedertierend is, en morele en ethische dilemma’s de juiste beslissing(en) neemt? Dat zou heel mooi zijn, als dat lukt. Ik denk dat het goed is als een robot dat doet: in dienst staan van de mens en daarbij de mens niet schaden.

Nou is het wel zo dat de mens heel goed is in ‘het *niet* in dienst staan van anderen’ en ‘andere mensen *wel* schaden’. Feit is dat de mens in veel situaties niet altijd de juiste beslissing neemt. De mens behoedt een ander mens niet altijd voor onheil. De tweede wereldoorlog en andere genocides zijn daar voorbeelden van. Niet alleen de mens alleen is slecht in staat om onheil tegen te gaan: in groepen wordt het zo mogelijk nog erger. Groepsgedrag (zie ook experimenten zoals die van Millgram en Asch) is een eigenschap van sociale interactie die niet zelden mooie gevolgen heeft, maar net zo vaak tot slechte en zelfs gevaarlijke situaties leidt.

Maar het gaat nu even niet om mensen. Het gaat over robots. Voortbordurend op de gedachtegang over robots en robots in groepen: ik zie dat in discussies over robots en het gedrag dat robots moeten vertonen, iets over het hoofd wordt gezien. Namelijk groepsgedrag van robots. Mijn vraag: moet je het gedrag van een robot niet alleen beoordelen op regels die de individuele robot moet volgen in zijn omgang met de mens, maar ook dat robots regels voor samenwerking (groepsgedrag) moet volgen?

Voorbeeld (dit voorbeeld is een aangepaste versie van een voorbeeld uit een artikel in de wetenschapsbijlage van de NRC van 4 november 2017; dat artikel met de titel ‘Robots die raad weten met morele dilemma’s’ was het startpunt van mijn verhaal hier): als een mens door een straat loopt, en een robot ziet dat een mens gevaar loopt als hij door loopt (bijvoorbeeld vanwege een gat in de grond), dan moet een robot ingrijpen. Als hij twee mensen ziet die allebei gevaar lopen, dan kan hij misschien maar een mens redden. Daar moet dus een afweging gemaakt worden, als de robot dat gevaar ziet, en hopelijk wordt een van de mensen gered. Wat nu als er meerdere robots zijn (en die zullen in de toekomst vaak samen zijn)? Hoe moeten die handelen en zitten die elkaar misschien niet in de weg?

Mijn punt is nu: je moet niet alleen regels opstellen voor robots wat ze moeten doen, niet alleen moeten robots beslissingen nemen die voor de mens (en liefst ook voor de robot), maar het samenwerken van meerdere robots moet niet leiden tot juist meer ellende. Want wat bij mensen duidelijk wordt: zodra individuen groepen worden, ontstaat veel goeds, maar niet zelden en verrassend genoeg heel vaak ook heel veel slechts. Hoe zit dat met robots? Misschien nog een graadje erger zolang robots geen bewustzijn hebben, zolang ze nog niet redeneren over hun eigen handelen en het handelen van soortgenoten.

We hebben daarom een groepsdynamica van robots nodig. Om robothandelingen tot een hoger niveau te brengen. Om te voorkomen dat robots samen niet tot meer ellende leidt. Maar hoe krijgen we dat voor elkaar? De mens is in een groep niet in staat om goed te doen. Zie eens hoe iemand mishandeld wordt op straat, hoe iemand bedreigend is, en dat omstanders dan niets doen.

Dat mag niet gebeuren bij een robot.

Groepsdynamica van robots is een nog onvoldoende vakgebied, dat we hard nodig hebben.

© Rick Ruhland 2017

Fileersofie!

Ik open vandaag meteen maar met een stelling (dat wil zeggen, los van deze introducerende zin, die eigenlijk de opening van vandaag is, maar ik ben vandaag geen kniesoor): ‘Het beschouwen van de wereld is geen bezigheid an sich, geen ding an sich.’ Want? Wat bedoel je daarmee, Rick? Wel, beschouwen heeft te maken met hoe je de wereld ziet, vanuit je je opvoeding, je gedachten, je overtuigingen, je perceptie (wat dat laatste woord betreft, neem dat letterlijk: hoe je zintuigen werken). Beschouwen – net als het verwante Duitse werkwoord (be)schauen – heeft met kijken, waarnemen te maken; de linguïst in mij moest dat even gezegd hebben.

Die beschouwing, het bekijken, van de wereld is niet meer dan praten over de wereld en daar met andere mensen van gedachten over te wisselen. Dat betekent niet dat je dus meteen een common ground hebt. De mens heeft een waaier aan meningen en ideeën. Die waaier is per individueel denkend wezen verschillend. En hoewel al die waaiers van de wereld bij elkaar op onderdelen opklaar lijken, is elke waaier weer anders!

Wil je daarover van gedachten wisselen, dan moet je een keuze maken. Je kunt niet alles aan de orde stellen in een uitwisseling van gedachten. Want Alles, dat is de hele wereld, alles, op elke moment van de menselijke geschiedenis. Dat is teveel. Wat wel kan: van die hele wereld aan gedachten en overdenkingen en beschouwingen en waarnemingen een beetje tegen het licht houden, daar je licht over laten schijnen. Wat je dan eigenlijk doet is stukjes van de realiteit afsnijden, daar wat zout en peper op strooien en die een ander laten proeven.

We beschouwen ons wat af en noemen dat filosofie. We verlangen en streven naar kennis en wijsheid. Maar dat kan nooit door alles tegelijk onder de loep van onze geest te leggen. Het moet in stukjes.

Ik stel dus ook voor om filosofie als begrip niet meer te gebruiken. Filosofie is in mijn ogen een weg die nergens toe leidt. Het is als een theorie van alles. Het is beter om Fileersofie te bedrijven. Wijsheid door / van het opdelen. Dus deze week een inruilactie: 1 filosofie voor 1 fileersofie. Zonder extra kosten!

© Rick Ruhland 2017

Brieven Aan Koning Therapeut

Beste B., hulpverlener inter pares,

Mag ik u het volgende voorleggen? Ik zit vaak op de w.c. Misschien wel vaker dan andere mensen, want de gang naar het toilet is verplichte kost. En ik zit er lang. Het tellen van de tegels in de wc is niet 1 2 3 gedaan, en ook knijp ik mijn keutels minstens 30 keer af. Ik wil namelijk niet het risico lopen dat ik teveel wc-papier gebruik aan het afvegen van mijn sfincteromgeving.

Mijn vraag aan u is dan ook een vraag die met het afvegen van faecale stoffen te maken heeft.  Ik heb recentelijk een wc rol afgerold en toen bleek het volgende: niet alle blaadjes zijn gelijk groot. Ja, wel in de breedte, maar niet in de lengte. Qua oppervlakte (en dat is denk ik toch wel een factor van belang bij het schoonvegen van mijn anus) blijken de wc-blaadjes niet allemaal even groot te zijn. Ik voeg een foto toe zodat u dat kunt zien.

IMG_9991.jpg

Zoals u ziet: het bovenste blaadje is duidelijk kleiner dan de overige 3. En het is niet de eerste keer dat me dit gebeurt.  Op elke 1000 blaadjes zijn er (afgerond) 7 die afwijken van de gemiddelde maat. En nooit groter. Altijd kleiner.

Want ik heb ook dit blaadje nagemeten en wat blijkt: het bovenste blaadje is 7 mm kleiner. Ik maak me nu erg druk over de rest van de rollen die ik heb aangeschaft. Moet ik nu door alle rollen heen om te zien of er meer blaadjes niet even groot zijn? Dat wordt namelijk bezwaarlijk, want ik heb in de logeerkamer nog 26 pakken met elk 8 rollen. En ik heb nog zoveel te doen. Het huis is vandaag nog niet 7 keer schoongemaakt, om maar wat te noemen.

Wat te doen? Help.

Uw Simon Teetzweer.

En gelachen dat we hebben… Nou, niet echt!

Ik heb in de afgelopen drie maanden een sociaal experiment gedaan. Meer concreet: ik deed een experiment op straat. Ik deed het experiment met andere mensen die echt niet wisten dat er een experiment bezig was.

Wat heb ik gedaan? Ik wilde uit een verlangen van ‘de wereld een tikkeltje aangenamer maken’ elke dag een stuk buiten lopen en dan met een glimlach door de straten lopen. Het experiment bestond eruit dat ik turfde wat de reacties waren. Ik had zelfs een soort van doel, misschien zelfs een hypothese. Die was: ik wil zien of elke dag 10 glimlachen terug kon krijgen. Over die 10 lachen is nog wel iets meer te zeggen.

Vandaag kan ik de resultaten bekend maken.

Eerst maar eens de gelopen afstand: Over een periode van drie maanden heb ik gemiddeld (volgens de gezondheid-app op mijn telefoon) 8000 stappen per dag gelopen. Die stappen heb ik zowel hardlopend als wandelend gezet. Soms was de wandeling / loop in de stad, soms op het platteland. Ik liep ook op dagen met regen, maar die dagen zijn in de ruime minderheid. Ik denk dat 1 op de 10 dagen een regendag was. Ook wellicht van belang, althans intuïtief: de dagen waarop de zon uitbundig scheen en de temperatuur aangenaam was. Ik heb daar niet voor gecorrigeerd in de data, maar ik kan al wel een tipje van de sluier oplichten, en dat is dat volgens de wetenschappelijke inzichten van de sociale psychologie het inderdaad zo is dat mensen op zonnige dagen meer terug lachen.

De definitie van ‘een glimlach terug’ was trouwens niet eens zo eenduidig als die op het eerste gezicht lijkt. Sommige mensen had een soort van krulletje rond de mond, of keken met licht opfleurende ogen terug. Ik heb (niet geheel wetenschappelijk, maar goed, ik wil positief zijn en het aantal mensen dat iets terug deed, is dan ook in de telling opgenomen als ‘JAAA, een lach, hoera!’) niet alleen die mensen met een duidelijke glimlach in de telling gestopt, ook zij die even een leken te lachen en dan weer niet, met een half of een kwart lach gewaardeerd.

Het maakte in het experiment natuurlijk wel uit hoeveel mensen ik op zo’n dag tegen kwam. Op een rustig landweggetje lopen nu eenmaal niet zo veel mensen. Uiteindelijk kwam ik op alle plekken gemiddeld zo’n 200 mensen tegen die een glimlach van mij kregen.

Nieuwsgierig naar wat ik heb ervaren? Wel, hier zijn de resultaten:

Ten eerste de hypothese: Het gaat me lukken dat ik op een en dezelfde dag 10 glimlachen terug krijg. Deze is ontkracht. Het is niet gelukt. Misschien als ik langer had gelopen op een dag wel, maar helaas, meer dan 7 zat er niet in. 7 was het dagmaximum.

Misschien is een statistiekje leuk? Goed, de cijfers:

– 75,7 % van de mensen keek nors voor zich uit. Bij een enkeling kwam de blik terug zelfs neer op wat ik maar even noem ‘Wat moet je van me?’ Een enkele keer verwachtte ik zo half om half een klap in het gezicht, zo boos werd ik aangekeken.

– Bij 12,1 % procent van de ontmoetingen kreeg ik geen glimlach terug, maar was er wel even een blik terug. Vaak een gevuld met een vraagteken. Een blik die leek te zeggen: ‘He, is iemand nou gewoon midden op straat aan het glimlachen? WTF?’

– 8,4 % had iets van een glimlach

– 3,8 % ging zelfs zo ver dat ze niet alleen teruglachten, maar ook hallo of dag zeiden. In 2 gevallen zelfs een zwoel hai.

Is er nog iets zinnigs te zeggen over de verdeling naar mannen en vrouwen? Niet echt. De lachen kwamen bij vrouwen vaker voor, maar het kan zijn dat een vriendelijke glimlach van mij door een vrouw vaker als flirten werd opgepikt, wat overigens niet de bedoeling was.

Wel opmerkelijk was dit: in de stad groet de blanke nederlander meer met een glimlach, buiten de stad de gekleurde medemens. Voer voor sociologen.

Maar helaas, de 10 x een glimlach terug op een en dezelfde dag is een brug te ver gebleken.

© Rick Ruhland 2017