Vaar naar een Schots eiland: Staffa en Iona

Op de meeste eilanden van Schotland ben ik meer dan een dag geweest en daar heb ik dus ook overnacht. Meestal in een tent, omdat ik me dan helemaal uitschakel qua geest en lichaam. Dan doe ik even helemaal niet wat ik thuis wel doe. Dat is toch het reizen pur sang: weg van thuis, in alle opzichten. Soms bleef ik een weekend op een eiland, soms een kleine week. Twee eilanden zijn een uitzondering. Daar ben ik een paar uur geweest, en overnacht heb ik daar niet. Sterker, die twee eilanden heb ik op dezelfde dag gezien.

Voor ik naar die eilanden ging, was ik een week op Mull. Vanuit Tobermory, het grootste dorp van Mull, heb ik diverse dagtrips gedaan. Duart Kasteel, Tobermory distillery, door de heuvelen wandelen, zonnebaden op het strand van Calgary.

Op mijn lijst stond sinds lange tijd, sinds ik Fingal’s Cave van Mendelssohn had gehoord, het eiland Staffa. Dat ligt ten westen van Mull. De naam Staffa komt zoals wel meer woorden in Schotland van Noorse Stave, wat zoiets als pilaar betekent (ons woord staaf heeft een vergelijkbare etymologie).

Het eiland bestaat uit voornamelijk basaltkolommen (de pilaren). Er wonen geen mensen, zelfs geen schapen of geiten, maar wel vogels, waaronder papegaaiduikers.

Het mooie van Staffa is onder andere dat je een grot in kan. De grot, ook wel bekend onder de naam Fingal’s cave, heeft een geweldig akoestiek en je kunt tientallen meters naar binnen lopen. Helaas heb ik niet meer de foto’s van binnen (die zijn bij de crash van een harde schijf verdwenen), wel het pad dat naar de grot loopt.

Na Staffa was Iona aan de beurt. Ik wil daar niet te veel over zeggen, behalve dat daar vanaf de 6e eeuw monniken hebben gewoond. Begin 9e eeuw hebben de Vikingen er huisgehouden en is de hele bevolking uitgemoord. Vanaf 13e eeuw is er weer een (Benedictijner) klooster.

Ik moet zeggen, het trok me niet aan om daar meerdere dagen door te brengen. Te toeristisch. Wel mooi voor een middag.

© Rick Ruhland 2020

Proefschrift van de week

Titel: Van een mug een olifant maken. Auteur: Paulo Topo.

Samenvatting:
Het is de menselijke tragiek. Een goed stel hersens, hoge vormen van technologie en wetenschap en techniek en kunst. We kunnen leven op de meest onherbergzame plekken. Maar tegen een mug en zeker ook ziektes als malaria weten we ons nauwelijks te weren.
Elke zomer is het in de gematigde streken van de wereld raak. Rond zonsondergang komen muggen ons lastig vallen met hun gezoem en vooral hun gesteek. Het houdt ons uit de slaap en we hebben de volgende dag bulten vol jeuk op vaak de handen en enkels.
Uit het onderzoek van Topo blijk dat gestoken worden niet zozeer te maken heeft met het soort bloed of zweet van de gestokene. Dat is een Broodje aap, dan wel Urban legend, aldus Topo. Nee, het gaat om reactietijden. Hoe sneller iemand op impulsen van buiten reageert, des te eerder is iemand slachtoffer van een muggenbeet. De theorie achter dit proefschrift impliceert dat mensen met een snelwerkend neuronaal netwerk, inclusief de zenuwen in de armen en benen, eerder gestoken zullen worden. Niet alleen is die reactie op externe indrukken een factor die mee bepaalt of iemand gestoken wordt, ook de neuronale en hormonale reactie van het lichaam zelf is van invloed. Want, zo stelt Paulo, ‘De gevoeligheid voor neurogiffen van insecten is lineair evenredig aan het gemak waarmee iemand gestoken wordt’.
Topo gaat nog een stap verder en stelt dat als het zo is dat iemand makkelijk gestoken wordt en heftiger reageert op insectenbeten, in de zin van zenuwbanen, dat dus ook de psychologische mentaliteit een rol moet spelen. Het proefschrift eindigt met een eerste op zet voor een therapie voor de reactie op gif en vervolgens jeuk.

Eindoordeel: Best wel praktisch, zou je denken. Maar is het ook logisch? Heeft de onderzoeker wel voldoende parameters in zijn opzet meegenomen? Ik zeg nee. Het is bovendien allemaal heel klinisch van opzet. Dat kan, maar waarom niet meer stekende insecten meegenomen in het onderzoek? De sprong van snel gestoken worden naar een therapie is veel te groot. En op het bordje een broodje aap? Het lijkt erop dat Topo vooral die literatuur heeft gekozen die hem goed bevielen en die het hem niet al te moeilijk maakten het broodje aap af te serveren en zijn eigen ideeën en de ideeën van een kleine groep macrobiotische insectbestrijders op tafel te leggen. Ook opvallend: de subsidie van een bedrijf met de naam Zweetsok Inc. Nog nooit van gehoord.

© Rick Ruhland 2020

Jeugdherinneringen verpest: Pan Tau

Q & Q. Peppi en Kokkie. Swiebertje. Tita Tovenaar. Een greep uit de series die in de jaren 70 op televisie waren. Ik heb ze allemaal gezien. Nederlandse series, dat wel.

Nederlands is echter niet de enige taal die ik beheers. Ik ben tweetalig. Duits is mijn tweede taal. Dus we keken thuis veel naar ARD en ZDF (de enige Duitse zenders destijds). Die Sendung mit der Maus. Wickie. Die Biene Maja.

Een serie, die volgens mij nooit in Nederland op televisie is geweest, die ik in mijn hart heb gesloten is Pan Tau. Van oorsprong Tjechisch – ook Krtek, Het Molletje, was van oorsprong Tjechisch – was het een verhaal van een buitenaardse man in driedelig kostuum die met zijn ruimteschip op aarde landt. Pan Tau kon zichzelf klein maken en hij kon van alles tevoorschijn toveren door op zijn bolhoed te tikken en langs de rand te strijken. Als je met de kennis van nu naar de serie kijkt, en dat doe ik af en toe nog, dan valt de knullige trucage, trage verhaallijn en ook de overduidelijk jaren-70-stijl van kleren en interieurs op. Desondanks, en dat is denk ik essentieel bij het herinneren van televisieprogramma’s uit je jeugd, kan ik er nog steeds van genieten. Je kunt op YouTube een groot deel van de Pan Tau-serie bekijken. Hier is de eerste aflevering (sla de eerste 13 seconden over, want dat heeft niets met de serie te maken en is onbegrijpelijke herrie):

Maar wat schetst mijn verbazing? Pan Tau is terug. Niet de jaren 70 Pan Tau. Nee, een nieuwe serie, die zich in deze tijd afspeelt. Ik heb even gekeken, en viel van mijn stoel. Dat is echt niet om aan te zien. In de volgende video wordt snoeihard de nieuwe Pan Tau aangepakt en afgemaakt:

Schreckliches Remake. Inderdaad. Niet doen. Laat de herinnering intact. Ga niet iets goeds opnieuw en zo slecht doen. Was ein Scheiss.

© Rick Ruhland 2020

Melk, zaad, tepels

‘Ik werd net gebeld door een knappe vrouw.’

‘Vriendin van je?’

‘Nee. Ik ken haar niet.’

‘He? Maar eh. Hoe?’

‘Ik had opeens wit vocht op mijn bureau.’

‘Weer melk geknoeid?’

‘Denk je dat het melk is?’

‘Er is wit vocht dat melk is.’

‘Er is ook witte verf die je sperma kunt noemen.’

‘Die ligt toch minder vaak op tafel.’

‘Jij hebt daar geen melk?’

‘Nee, hier ligt sperma vaker op tafel.’

‘Bij mij werken meer vrouwen dan mannen, vandaar dat de melk hier veelvuldig over tafel klotst. Dat kan ik met mijn sperma en in mijn eentje niet overtreffen.’

‘Dat zou ik ook niet trekken.’

Een dag later is de LSD uitgewerkt.

© Rick Ruhland 2020

Neologische dieren: bulrat

Dier met een brede borst en twee horens die zo groot is als een witoranje rat. Is schuw en leeft voornamelijk van berkenwortels. Werd in vroegere tijden gezien als een mythologisch en dus fictief wezen, maar recentelijk is het bestaan aangetoond. Op een wildcamera is te zien hoe een bulrat een pijpje met vermoedelijk berkenschors rookt en daarbij geniet van een salade van berkenwortel. Veel is nog niet bekend van deze ondersoort van het damhert.

© Rick Ruhland 2020

Een doorwaadbare plaats: 4. Vliegtuigen

Enkele van de manieren om een leven, dus ook een plek, te ontvluchten zijn de benenwagen, de fiets en de auto. De auto was vooral als we naar Duitsland gingen, Benenwagen en fietsenwaren dé manier om mijn geboorteplek te verlaten, tot ver in mijn twintiger jaren. Ik reisde voor het overige wel met het openbaar vervoer – bussen, treinen en veerboten – maar vooral: ik wandelde en fietste. Benen en fiets waren om naar school te rijden, en om mijn thuis te ontvluchten als ik weer eens vastgelopen was in mijn geest. Zo kon ik een eind komen. En ik ben een eind gekomen. Ver genoeg om dat thuis te ontvluchten, om met de geest aan de haal te gaan.

Met mijn ouders reisde ik in de auto, een Ford Escort (die mijn vader om de twee jaar inruilde voor een nieuwere variant). Wij reden vooral naar Duitsland, want daar was mijn tweede Heimat. Daar waren ook veerboten,  zoals het pontje over de Rijn bij mijn Duitse familie. Terzijde: pas toen ik echt uit de doorwaadbare plaats was en zonder ouders naar Schotland en Engeland reisde, heb ik op echte veerboten overtochten gemaakt.

Dus vervoer was benen, fiets, auto, bus, trein, allerhande boten.

Vliegtuigen? Nee. Vliegen was een ver-van-mijn-bed-show. Ik had het niet nodig, ik reisde (en reis nog steeds) liever op grond. Lopen, fietsen, of met auto’s en treinen en boten. Maar beter dus nog: lopen. Langzaam reizen. De andere omgeving eigen maken, de eigen omgeving verlaten. Die langzame overgang was altijd deel van mijn reizen. Bovendien: aangezien ik opgroeide ver van dé luchthaven van Nederland, Schiphol, was vliegen niet een logisch vervoermiddel.

Nou is het gekke dat vliegtuigen vanaf jonge leeftijd toch een belangrijk deel van mijn leven waren. Hoe? Ik kwam als kind graag bij mijn oma in Gross-Gerau. Dat is een Kreisstadt ten zuiden van Frankfurt am Main. Het stadje ligt onder de aanvliegroute van het grote vliegveld Rhein-Main. Ook de luchthaven van het Amerikaanse leger was niet ver van Gross-Gerau. Vliegtuigen genoeg.

Wij lieten elke zomer de doorwaadbare plaats achter ons en reden in onze Ford Escort over de snelwegen met Baustellen naar Hessen. Alle zomers waren we daar, zo staat het in mijn herinnering. Voordat mijn oma verhuisde naar haar laatste woning – dat was toen ik een jaar of 14 was – had zijn een klein appartement meteen onder het schuine dak in de Ludwigstraße. Dat huis, met een Hof aan de achterkant van het woonblok, waar ook de deur naar het trappenhuis was, was het huis waar mijn oma sinds de tweede wereldoorlog woonde.

Ik kwam daar graag. Hoe klein ook (de woonkamer van mijn huidige huis is groter dan alle ruimtes van haar huis bij elkaar), het huis van oma had een Gemütlichkeit die ik thuis zelden of nauwelijks kende. Toegegeven, dat had ook te maken met de rook. Oma rookte alsof haar leven er van afhing. Tot de dood erop volgde. En dat was niet snel. Oma was een van die vrouwen die als kettingrookster geen kanker leek te kunnen krijgen en die tot achter in haar tachtiger jaren fier overeind bleef.

Als wij daar kwamen, dan was het zo goed als altijd zomer. Dat wil zeggen, wij reisden vooral in de zomervakantie naar oma Duitsland. We zijn ook op andere momenten bij haar geweest, zoals pasen en herfst, maar de zomervakanties voerden de boventoon.Tijdens de zomervakantie deden we uitstapjes. Overdag waren we vaak onderweg: naar het Odenwald, naar Heidelberg, naar het Felsenmeer, naar de Rijn. In de avond maakte mijn oma een maaltijd die, als ik er aan denk, ik nog steeds ruik alsof het hier ter plekke wordt gemaakt. Bohneneintopf, Nudeln, Sauerbraten.

Omdat Gross-Gerau in de Rhein-Ebene ligt, een gebied dat plat is en dat ingebed ligt tussen de heuvels langs de Rijn in het westen, het Odenwald in oosten en in het noorden de Taunus, bleef de warmte van de dag in de avond hangen. Windloos, stilstaande zwoele lucht. Onder het schuine dak was het niet uit te houden, dus elke avond als we gegeten hadden liepen we de trap af, de hof uit, staken de straat over en zaten naast de Sportplatz op bankjes. Daar verzamelde zich zo ongeveer de hele buurt. Destijds was op dit plek, de naam Sportplatz geeft het al een beetje weg, een atletiekbaan met gravel. Daarachter lag het voetbalveld van de plaatselijke voetbalvereniging. De hele avond, een beetje zoals kinderen dat ook mogen in Italië, speelden we daar buiten.

Natuurlijk kwam ook op die warme avonden het moment dat mijn broer zaliger en ik naar bed moesten. Dat betekende vooral gaan liggen op het tweepersoonsbed onder het schuine dag. Daar sliepen we met ons vieren in. Mijn ouders bleven nog op, mijn broer was binnen no time in slaap en zo keek ik in aangename eenzaamheid door het kantelraam. Het bed had een radio in het hoofdeinde, met boxen aan de zijkanten van het bed. Soms luisterde ik naar zenders als radio Luxemburg, maar vaak droomde ik van me af en luisterde naar de geluiden in de straat, en vooral de geluiden hoog in de lucht.

Frankfurt is een drukke luchthaven. Ook toen al, jaren 70. We zijn wel eens op het panorama-dek geweest om naar de vertrekkende en landende vliegtuigen te kijken. Ik telde de seconden tussen twee vliegtuigen. Dat was nog geen minuut. ’s Nachts was het niet zo druk, maar nog steeds was het een komen en gaan.

Dat luisteren naar de brommende vliegtuigen in de zwoele zomerhitte onder het schuine dag in het bed met de radio in het hoofdeinde: persoonlijker en diepgravender worden herinneringen niet.

Als we weer terug en thuis waren, dan miste ik de brom in de warme lucht. Dan miste ik liggen onder het schuine dak. Dan miste ik de radio. Goed beschouwd: dan miste ik de vrijheid van de zomer. Dan miste ik boodschappen doen in de Wertkauf aan de rand van Gross-Gerau, waar ik altijd speelgoed en later platen kocht. Eenmaal terug in Nederland dacht ik terug aan de geur in de winkel. Die winkel die inmiddels niet meer bestaat. Soms ruik ik die geur nog.

Romantiek. Dat is wat vliegtuigen voor mij betekend()en. De warme zomer en het brommen van de vliegtuigmotoren.

Later terug in Nederland keek ik regelmatig naar de lijnen in de lucht. Dat waren er toen nog niet zoveel als vandaag de dag. En ook: die lijnen waren hoog in de lucht. Ver weg. En die vliegtuigmotorgeluiden, dat lage gebrom? In de doorwaadbare plaats, die ver van ’s lands nationale luchthaven ligt, hoorde je de geluiden van de vliegtuigen nauwelijks tot niet.

Vliegtuiggeluiden en witte lijnen tegen een blauwe achtergrond waren mijn verbinding met vliegtuigen. Zelf vliegen? Pas laat in mijn twintiger jaren ben ik voor het eerst in een vliegtuig gestapt.

De echte liefde is niet vliegen. De echte liefde is luisteren naar overvliegende vliegtuigen in de late warme zomernacht. Die liefde is gebleven. Die is niet gevlogen.

© Rick Ruhland 2020