Een doorwaadbare plaats: 5. Varen

De plassen en rivieren rond de doorwaadbare plaats zijn ’s zomers goed voor veel waterplezier. De drie rivieren, waarover later meer, zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water. Verder zijn er grachten van de binnenstad, de plassen in de buurt, veelal zandafgravingen voor de nieuwbouw van de uitdijende stad, maar verder weg ook de zogenaamde ‘wiedes’, Beulakerwiede en Belterwiede. Al dat water is ideaal voor pleziervaart, surfen, zeilen, kanoën, zwemmen.

Het eerste varen op die wateren was met jeugdvriendje P. Hij woonde een flat verder, en vanuit het zijraam van ons huis kon ik het balkon zien van zijn huis. Hij zat op dezelfde lagere school, en we speelden van jongs af aan in de zandbak. Zijn ouders hadden een boot van een meter of zeven lang, niet genoeg om lang mee op het water te vertoeven want geen kooien, maar wel een kleine kajuit om een nachtje in te slapen en een plek om wat eten te maken op een butagasfles. Een paar zomers lang, in de middelste jaren van de lagere school, mocht ik af en toe een weekend of een dag mee. Ik herinner mij weinig van het varen zelf, maar op het moment dat we in een van de grotere kolken langs het Zwarte water voor anker gingen, terwijl de zon naar de horizon daalde, haalden we onze hengel tevoorschijn en op de aanlegsteiger hingen we onze bamboestok boven het water en keken naar de dobber. Misschien wel de mooiste herinnering aan die zomers was dat we op een gegeven moment merkten we dat kleine voorntjes zich zonder aas lieten vangen. Gewoon visdraad met haak en dobber in het water hangen en binnen enkele minuten had een vis zich vastgebeten. Van dat varen is dat eigenlijk het enige wat ik mij herinner. Warme avonden moeten het zijn geweest, maar daar herinner ik mij ook weinig van.

Op de middelbare school kwam het varen (het surfen niet meegerekend) terug in de vorm van punteren en kanoën. In de buurt van de doorwaadbare plaats is er een plek bij uitstek waar beide vaarmogelijkheden uitermate goed kunnen: de Belter- en Beulakerwiede. Destijds had ik een vriendenkring met kinderen van allerhande scholen: Atheneum, havo, mavo, lbo. Een goed gezelschap van mensen die van spelletjes hielden (old skool, zoals kaarten en bordspellen). De avonden met hen gingen veelal voorbij met bier en spa met een sterke borrel erin. De groep, met daarin een broer en zus, een tweeling, een geadopteerde Molukker, en een spijker, een jongen zo iel dat als hij stil stond je twee keer moest kijken om hem te zien  Met hen was ik vaak samen. Weekenden, of avonden als bij een van ons de ouders niet thuis waren.

Een van de ouders van het gezelschap was in het bezit van een stacaravan die ergens in de jachthavens tussen Zwartsluis en Giethoorn stond. We waren daar niet zo vaak, maar als, dan in de zomer en als, dan werden spelletjes gespeeld. En gekanood. Ik moet zeggen, ik heb geen prettige herinneringen aan stacaravans in combinatie met jachthavens. Ik zal nog eens uitzoeken waarom. Instinctief zeg ik: mensen op boten zijn niet zo schoon. Ze douchen zich minder, en als ze zich wassen, dan is het in het vervuilde water van een kanaal, rivier of meer. Kleine bootjes in jachthavens zijn ook nog eens ‘sneu’. Ja, sneu. Zeker een kano is sneu. Een kano is geen boot. Het is een te smalle kuip waar je niet kunt relaxen. Dat zal het zijn. En op die wiedes bij Giethoorn: het water was ondiep. Als je kano omsloeg, stond je met je voeten in de modder

Beter in kwaliteit en daarmee mijn herinnering was het varen toen mijn leven in de doorwaadbare plaats naar een einde neigde en ik mijn geboortestad zou gaan verlaten. In die laatste jaren in mijn geboortestad was ik menige dag in de week te vinden in de middeleeuwse centrum. Dat centrum wordt omsloten door een gracht, en zelfs doorsneden door een gracht. Kijk je op een landkaart, dan zie je dat de gracht de vorm heeft van een BB-8 avant la lettre. Rond met een dwarsgracht. In die dwarsgracht lag sinds begin jaren 80 een rondvaartboot. Een platte schuit, een praam. Achter een lichte motor, geen opbouw laat staan kajuit op de boot, want de bruggen over de Zwolse grachten zijn uiterst laag. De praam was een ding van niks, nauwelijks charme, geen flitsende bedoening. Maar waar niks alles is wat er is, is iets wat er is, alles. De praam werd door mijn oudste neef gevaren. En als hij het okee vond, voer ik de schuit door de grachten en vertelde over de geschiedenis van de stad. De ontstaansgeschiedenis van die doorwaadbare plek in de IJssel, de rivieren die de stad omcirkelen, de restanten van de stadsmuren, de moderne devotie, de geschiedenis als Hanzestad, de herkomst van de naam Blauwvingers, het verdedigingswerk, de oude gasfabriek op een van de bolwerken die al lang weg was, de laatste stadspoort De Sassenpoort, de brede brug waarover ooit een snelweg door de stad zou worden aangelegd, ik had verhalen genoeg.

Ik was ook vaak aan de kade van de rondvaartboot te vinden als mijn neef gewoon moest werken. Op een van die namiddagen zat ik op de kant, en keek naar de mensen die een tochtje wilden maken. Even tussen neus en lippen door: ik was toen net 18 geworden en mijn eerste verkering liep op zijn einde, maar dat wist ik nog niet. Hoewel… Ik wilde het niet weten. Achteraf had ik die dag goed in mijn oren en ogen moeten knopen. Die dag was een teken aan de relatiewand. Wat gebeurde die dag? Ik zat op de kade en was niet bij mijn vriendinnetje. Mijn neef stond op het punt de praam door de grachten te varen, en terwijl ik de vaargasten in mij opnam, bleef mijn blik hangen op een oudere, stijlvolle dame die richting rondvaartboot kwam gelopen en naast haar zweefde een van de mooiste meisjes die ik tot dan toe had gezien in mijn leven. Zo gracieus, zo verfijnd. Ik keek naar haar, we lachten elkaar aan, en ik voelde bijna schaamte dat ik me liet toelachen, en erger, dat ik terug lachte. Nu weet ik: dat was weltschmerz, spleen, pre-liefdesverdriet en niet kunnen krijgen wat je op dat moment zou willen hebben. Op dat moment wist ik dat ik haar zou willen spreken, zou willen ruiken en misschien zelfs proeven. Ik keek naar mijn hand en zag daar een vriendschapsring die ik een jaar eerder had gekocht – omdat het zo hoorde, weet ik nu, niet omdat ik het echt wilde – voor mijn verkering en mij. Ik keek van het mooie meisje naar die ring en spijt borrelde sluipend als giftig gal omhoog. Ik wist op dat moment – ik was zeventien a achttien jaar oud – niet dat het spijt was. Maar dat was het. Spijt van het feit dat ik verbonden was aan een vriendin, verkering, die ik niet meer liefhad. Een meisje die ik had gehad om te achterhalen waar het mannetje-vrouwtje-verhaal omdraaide. Ik kreeg natuurlijk meer van en met die eerste vriendin, maar feitelijk was het na het tongzoenen, het vingeren in de gang, het pijpen en beffen en neuken – met klaarkomen op haar weelderige schaamhaar, waarover in ander verhaal meer – het grote willen en verlangen wel weg. Het moet gezegd: ik heb nog wel met veel plezier een tijd lang dat neuken volgehouden. Dat ‘bij een vrouw blijven’ was niet uniek voor haar, ik ben bij menig vrouw / vriendin / relatie gebleven omdat ik zo van seks hield en ik te lui was een nieuwe vrouw te zoeken.

Van al die dagen op de praam in de stadsgracht van mijn geboortestad is die lome, voorzomerse avond in april eerste helft jaren 80 mij het meest bij gebleven. Ik denk nu nog steeds dat het moment aan de gracht, dat ik besefte niet vrij te zijn als de wereld daar wel de ruimte voor vroeg, mij tot in de diepste vezels heeft gevormd.

Eén vrouw voor altijd? En niet mogen kijken of verlangen naar een tweede of derde? Nooit meer flirten en opgewonden raken door andere borsten of billen, of een andere kleur ogen of haar? Nee. Dat was eens maar nooit weer. Ik vaar mijn eigen koers, niet de koers van de goegemeente.

Als ik al vaar. Ik ben liever op de kant en kijk naar bootjes op de rivier. Of maak mijn eigen bootje van hout of papier. Heerlijk. Maar mijn verlangen om steeds op de scheiding van land en water – en als ik water zeg dan bedoel ik toch vooral zee – te zijn, zoals in Schotland, op eilanden, in Italië, Japan, is niet voor niets.

Maar ik blijf op het liefst op het land. Wel land dat aan water grenst. Land dat aan zee grenst. Niet in de bergen bij een lullig bergbeekje. Of een meer in de binnenlanden van Afrika of Azië.

En varen? Varen is een manier om van land naar land te gaan. Varen is een middel voor een doel. Voor mij geen dobberen op het water. Ik zie liever de schepen voorbij gaan. En als het moet: ik verbrand liever schepen achter mij.

© Rick Ruhland 2018

Advertisements

Partij van Planten XV

Wat een onrustige week. Terwijl ik mijn tijd verdeed met het kijken naar een serie over Berlijn eind jaren 20 van de vorige eeuw, kreeg ik onderwijl diverse e-mails en een overdosis aan tekstberichten. Niet alleen van GW en de zijnen, maar ook van een nieuwe plantenleider. Ene Dier Boodheer (rare voornaam voor een plant, maar enfin). Zijn taalgebruik is van een ouderwetsheid die al 100 jaar niet meer te lezen en horen is. Zijn taal is doorspekt van archaïsche illogismen. Wat een beetje vreemd eng aan dit heerschap is, is dat hij terug wil naar de tijd van de serie die ik bekijk. Een hang naar de betere tijden is goed voor onze tijden, zo stelt hij.

Die serie speelt in dus in Berlijn, en wel in 1929, en gaat over de vele groeperingen die in Berlijn bezig zijn zich een weg te slaan. Soms is het ‘zich een weg slaan’ een kwestie van overleven, van gewone burgers die niet meer dan een broodkorst hebben als eten voor die dag, maar soms is het ‘weg slaan’ ook bezig zijn (een vooruitverwijzing naar de aankomende overheersing van de ariërs die zich nationaalsocialisten noemden, beter bekend als de nazi’s) met andere partijen het leven zuur te maken.

Een leven meer of minder, dat is in de serie natuurlijk niet belangrijk. Maar in de werkelijkheid is dat een ander verhaal. In Nederland is op een paar moorden na al 75 jaar een beschaafde samenleving. Zonder ongebreidelde moorden en knokploegen in de straten. Maar die wereld is in gevaar. De Boze Wereld heeft knokploegen nodig om het schuim van de straten te vegen. De wereld heeft een spaan nodig. En wat Boodheer voorstaat: hij is de spaan. De leider van de opschonende partijen. Hij zegt voor de planten van onze samenleving te zijn, maar zijn taalgebruik kan alleen door gymnasiasten van boven de 40 nog gelezen en verstaan worden.

Het beeld dat hij schetst sluit naadloos aan bij de straatbeelden van de serie over Berlijn. Alle planten voor zich. Iedere plant die niet met mij, is tegen mij. Vroeger was alles beter.

Die hang naar vroeger, tot wanneer is dat dan? Dat heb ik hem gevraagd in een mail. Beetje plagerig vroeg: wil je terug ‘naar den middeleeuwen’? Naar de steentijd?

Een goed hoenderhok heeft een knuppel nodig. Een beetje haan kraait niet meteen victorie.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: final remarks

My Ph.D. thesis Going the distance was published 20 years ago.

The only reason to dedicate a couple of blogs on that thesis was that science should not stay within the walls of research institutes and universities.

Okay, there are two reasons. The second reason for paying some attention to the thesis is that I think my findings are still of great value and truth. It is good research.

Those are the two reasons why…

No, there are three reasons. It is 20 years ago – anybody sense a Beatles reference here? Could be: the thesis is full of references to pop and rock music – this year since I got my Ph.D. Which I never use anymore (I am not a scientist anymore).

So, there you are. These are the main three reasons (for any Monty Python lovers reading this post, there is a reference to a famous sketch).

If you like to read more, here is a link to the thesis. If you have questions about the research, the thesis, the bigger picture, do not hesitate to contact me.

© Rick Ruhland 2018

Brieven Aan Koning Therapeut 21

Ben jij wel eens verdrietig? Ben jij wel eens intens verdrietig? Kun jij je überhaupt voorstellen hoe het is om zo verdrietig te zijn dat je hele bestaan bezwijkt?

Nee, dat vermoedde ik al. Dat kun je niet. Eigenlijk kun je dan slecht hulpverlener zijn. Hooguit kun je mensen helpen via een omweg.

Maar ongelukkig zijn, nee daar snap je niets van. Echt helpen kan dan ook niet. Jij wil alleen maar neuken met je patiënten.

© Rick Ruhland 2018

WoW: woordspelling

Woordgrappen maken zonder te weten hoe je iets schrijft; soms ook: taalgrap die een kreun bij het publiek oproept omdat de grap eigenlijk te voor de hand liggend is. Linguïstisch: weten welke letters er in een woord horen, maar niet snappen dat er ook een grappige connotatie aan verbonden is.

 

© Rick Ruhland 2018

Vaar naar een Schots eiland: Skye

Skye. Het gevleugelde, mistige eiland. Dat zouden de betekenissen van de naam Skye kunnen zijn. Het eiland Skye ligt voor de westkust van Schotland en is een van de binnenste Hebriden. Het is tevens het op een na grootste eiland in Schotland (na Lewis/Harris). Hoewel eiland: sinds 1995 is het eiland verbonden via een brug met het vasteland.

Ik was in september 1991 voor het eerst op Skye, maar reisde toen eigenlijk vooral over het eiland naar Uig om daar de boot te nemen naar Harris. Wat ik me van die ene dag op Skye vooral herinner was de buschauffeur die ons – ik reisde niet alleen – van Kyleakin via Broadford en Portree naar Uig bracht. Tijdens de rit had hij verhalen, o.a. over hoe een Haggis-mannetje en een Haggis-vrouwtje elkaar vinden (Haggis is een soort van nationale dis van Schotland die vooral uit vlees bestaat):

’For all Ye tourists aboard, this is the place where they catch haggis. Let me tell you about the Haggis. The male haggis has two legs on the back, the female has two at its front and they walk backwards. It takes about six months to mate. And if you want to shoot one, use a porridge gun.’

We overnachten in de hostel van Uig. Die overnachting op Skye was nodig, omdat we te laat aankwamen in Uig voor de boot naar Harris. De hostel is recht tegenover de steiger waar de boot de volgende ochtend zou vertrekken richting Outer Hebrides. Uig is niet de gezelligste van alle jeugdherbergen van Schotland: meer een transit-punt dan een doel. Wel zaten er die avond drie Duitsers die net als wij Monty Python liefhebbers waren. Zij maakten die ene avond aangenaam, aangezien zij alle films hadden gezien (maar dan in het Duits). Wij hadden ze allemaal gezien zoals het hoort. Dus tot aan het slapen gaan was het spel dat zij het Duitse citaat gaven en dat wij dan de Engelse variant gaven. Leuk, erg leuk. De drie Duitsers hadden veel lol gehad om ons grote quote-vermogen, maar wij moesten verder. Hieronder: de pier en het uitzicht vanaf de hostel (de volgende ochtend):


….
Twee later was ik weer op Skye, en toen heb ik echt het een en ander gezien van het eiland. Het was augustus, de drukste maand van Schotland. Dat toeristische blijft voor Schotse begrippen binnen de perken, maar het is gewoon drukker dan zeg juni of september. We kwamen van het noorden. Onze eerste week Schotland zaten we op Mainland Orkney. We hadden besloten om vervolgens een kleine week op Skye te zijn. We kampeerden eerst op de camping bij Portree, en reisden (lopen, liften) het eiland rond:

Wat ik me herinner is de blik op de Cuillins, het eten bij een lokaal restaurant (dat is nu 25 jaar geleden, ik denk niet dat het restaurant er nog zit. Het was een vegetarische restaurant zonder licence.

We eindigden die week met een kampeerplek aan de zuidoostelijke kant van Skye, op een plek waar een aantal mensen wild kampeerde. Niet ver van Armadale, waar een veerboot naar Mallaig vertrekt. Veel midges, dat is de herinnering aan die plek op Skye.

Schotland 1993 Armadale bay

Die eerste twee keer was ik met een ander. Dat maakt een reis anders: je bent dan op elkaar gericht. De laatste keer Skye was drie jaar later, in september 1996, en ik reisde alleen. Met de trein naar Kyleakin aan de westkust. De veerboot is al jaren verdwenen. In 1996 lag de Skye-bridge er zeer vers bij.

Schotland 1996 Skye Bridge.JPG

Niet bepaald een brug van veel feest. Omdat de brug een privaatonderneming is, moeten de inwoners van Skye betalen voor elke rit over de brug. Dat riep logischerwijs veel weerstand op: niet alleen betaalt iedere Brit al wegenbelasting, maar bovendien is het veer voor vracht- en personenwagens uit de vaart genomen. Over bleef een pontje voor wandelaars en fietsers, op een kilometer van de brug. Dat pontje nam ik om naar het eiland te komen.

Skye lag er prachtig bij dat najaar. Ik liep naar de doorgaande weg en stak daar mijn duim omhoog. Liften is altijd mijn manier van rondreizen in Schotland geweest. Ik heb ook gereisd met trein en bus, maar zeker in de afgelegen streken is liften een ideale manier van voortbewegen. Ik kreeg een lift van een man die werkte bij de Skye-bridge. Ik vroeg hem wat al die SKAT-stickers op auto’s betekende. Met enige schroom zei hij dat het Skye & Kyleakin Against Toll betekende. Hij bracht me naar Broadford, een eerste stap op weg naar Uig. Maar de mooiste lift was vanaf Broadford naar Uig, van een jonge vrouw die als drugskoerier werkt. Niet letterlijk natuurlijk: ze werkte voor een groot farmaceutisch bedrijf en probeerde pillen aan artsen te verkopen. Ze scheurde over het eiland, met een omweg over Dunvegan (zag het kasteel tussen de bloeiende struiken op de achtergrond liggen). Zij nam de boot naar Harris, die ik een dag later zou nemen. Tegen een muur van de jeugdherberg, in de zon, schoot me de herinnering van 5 jaar eerder te binnen. Destijds, toen ik met een vriend door Schotland reisde, zat ik de hele avond binnen, met drie Duitsers, terwijl het buiten ‘cats & dogs’ regende. In 1996 was het droog, zonnig, Indian Summer-warmte.

Op het grootste Hebriden-eiland overviel me de gedachte dat ik in Schotland niets hoefde te zien. Daar zijn was genoeg.

En toch, ik schreef uit niets meer of minder dan onvermogen:

“De steen aan de baai gloeit een gat in de nacht.
Iemand moet hebben gezien
Hoe hij rechtop is gezet.
Een baken uit het verleden
voor mij een teken
een herinnering dat wij niet blijven.
Waar de steen steeds bij nacht en bij ontij
sinds mensenheugenis
en millennia voordien
geschiedenis schrijft,
is hij, met dezelfde genen,
heengegaan naar nergens.
Droevig staat ik naar lichtjaren ver.”

Stenen hebben een langer leven dan een mens.

Wel, dit is wat ik mij herinner van Skye. Meer niet. Ik moet nog eens terug. Zo heb ik de Cuillins nog niet van heel dichtbij gezien, laat staan dat ik die beklommen heb.

Ook wil ik terug naar Trotternish. Daar zijn vele fossielen te vinden, waaronder de pootafdrukken van dinosaurussen. Hier meer informatie.

© Rick Ruhland 2018

Cognitieve dissonantie van pasta

Wij allen lijden aan cognitieve dissonantie (CD). CD is het onaangename gevoel bedoeld van spanning of frustratie dat ontstaat als we worden geconfronteerd met informatie die de basisaannames weerspreekt. We brengen dan de tegengestelde ideeën in overeenstemming met elkaar, om zo de spanning weg te halen.

De moderne mens moet maar wat vaak die spanning wegwerken. Ik had het vanochtend nog. Ik stond in de winkel te kijken naar de verschillende merken pasta. Je hebt slechte C-merken, huismerken, matige merken (Grand’italia), goede merken (Desecco). En je hebt Barilla. Niet slecht, dat merk.

Maar: een merk met een maar. In 2013 deed het opperhoofd van de Barilla Group uitspraken over homo’s. Hij zou nooit een commercial maken met daarin een homoseksuele familie. De halve homo-wereld viel over hem heen. En een deel van de hetero-wereld ook.

Ik zat vanochtend in mijn maag met de keuze voor de pasta die in de aanbieding was. Want dat was dus Barilla. Ik heb nog eens op internet gekeken en het lijkt erop dat dat Barilla-opperhoofd zijn excuses heeft aangeboden (zie hier).

Is dat genoeg? Helpt dat mijn cognitieve dissonantie in harmonie te brengen met mijn weerzin in racisme en afwijzen van andere mensen omdat ze anders zijn? Ja. Een beetje.

Ik begreep ineens hoe het mijn opa en oma en hun generatiegenoten moet zijn vergaan toen de laatste wereldoorlog was afgelopen en zij op een dag, vele jaren na die oorlog, een reisje naar Duitsland maakten. Dat ze weer met die ‘moffen’ in aanraking kwamen.

En dan te bedenken dat ik van Duitschen bloed ben. Letterlijk. Sterker, ik ben als kind ‘mof’ genoemd.

Cognitieve dissonantie, pasta, homo’s, moffen. Dat allemaal in nog geen 300 woorden. Ik ben in een geestelijk volslagen doorgedraaide tijd aanbeland.

© Rick Ruhland 2018

Scenes from a thesis: Relationship between growth and structural models

“[First,] The structural model and the growth model may be completely autonomous. The growth model is capable of describing the observed changes in performance without recourse to hypotheses on the quality of the developmental process that may follow from a structural model. In fact, this seems to imply that the growers do not entertain any relation to the notions of the structural model. Thus, the growth model neither supports, nor refutes the assumptions of the structural model.

Second, growth models and a linguistic theory are compatible. This comes in two varieties. First, it may be the case that the parameters of a growth model that was constructed inductively (i.e. with the single objective of obtaining a perfect fit with the data) can be meaningfully interpreted in terms of a structural model, and that this leads to (quantitative) predictions that concur with the predictions derived from the structural model. Alternatively, a growth model that was constructed deductively, i.e. by choosing its parameters on the basis of notions and considerations supplied by a structural model, is supported by the empirical data.

Third, growth and linguistic models may contradict each other. Again, we envision two versions of this situation. In the top-down scenario, a growth model that was informed by a structural model does not fit the data, whereas, possibly, a bottom-up (i.e. based on the data) model does. Alternatively, an inductively constructed model comprises parameters that can be interpreted as refutations of (some of) the core assumptions of the structural model. In either case, the bottom-up model (that was validated by its fit on the data only) may be thought of as the instantiation of a hitherto unidentified structural model.”

From: Going the distance:  A Non-Linear Approach To Change In Language Development / H.G. Ruhland. Groningen, 1998.

© Rick Ruhland 2018